ECLI:NL:RBMNE:2026:4242

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
11972235 \ MC EXPL 25-6235
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 lid 1 BWArt. 3:316 BWArt. 3:317 BWArt. 6:119 BWArt. 6:82 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke aansprakelijkheid en regresvordering bij kredietovereenkomst met geslaagde verjaringstuitingsbrief

In deze civiele procedure vordert de bewindvoerder, handelend namens eiseres, betaling van een deel van de schuld die eiseres volledig heeft afgelost uit hoofde van een hoofdelijke kredietovereenkomst met gedaagde en IDM Financieringen B.V. De schuld bedroeg € 39.387,84 inclusief contractuele rente. Eiseres heeft vanaf 2006 tot 2023 afgelost, waarna zij regresvordering instelt op gedaagde.

Gedaagde voert verjaring en andere verweren aan, waaronder rechtsverwerking en misbruik van recht. De kantonrechter oordeelt dat de regresvordering een schadevergoedingsvordering is waarop de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW Pro van toepassing is. De verjaring is gestuit door een duidelijke brief van 16 september 2024, waarin de vordering ondubbelzinnig wordt voorbehouden en een aanmaning is opgenomen.

De kantonrechter verwerpt het beroep op verjaring, rechtsverwerking en misbruik van recht, omdat gedaagde geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld die een gerechtvaardigd vertrouwen op niet-vordering rechtvaardigen. De deelbetalingen na 16 september 2019 zijn controleerbaar en verifieerbaar. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 23 september 2024, de datum van verzuim na ingebrekestelling. Ook worden buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 11.392,18 met rente, incassokosten en proceskosten aan de bewindvoerder van eiseres.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11972235 \ MC EXPL 25-6235
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[bewindvoerder],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
handelend in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van mevrouw [eiseres] , wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [eiseres] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. F.H.J. de Graaf,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. W.F. Wienen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 november 2025 met producties 1 tot en met 19,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek met productie 20,
- de conclusie van dupliek.
1.2
Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis komt.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiseres] en [gedaagde] zijn in 2004 een kredietovereenkomst aangegaan met IDM Financieringen B.V. (hierna: IDM). [eiseres] heeft vanaf 9 augustus 2006 tot en met februari 2023 de volledige schuld van € 39.387,84 te vermeerderen met de contractuele rente van 8,124% per jaar, afgelost. De bewindvoerder stelt dat [eiseres] en [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schuld aan IDM, zodat [eiseres] een regresvordering van € 21.443,92 heeft op [gedaagde] , inclusief de contractuele rente. Zij vordert echter maar € 11.392,18 van [gedaagde] , omdat een deel van de vordering is verjaard. [gedaagde] voert verweren tegen de vordering, maar die slagen niet. De kantonrechter wijst daarom de vordering van de bewindvoerder toe.

3.De beoordeling

3.1
Het volgende is niet tussen partijen in geschil. Partijen zijn in 2004 samen een kredietovereenkomst met IDM aangegaan waarbij zij een maximaal bedrag van € 40.000,00 konden opnemen. Uit de overeenkomst volgt dat [eiseres] en [eiseres] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schuld. Op 15 april 2004 is uit het krediet een betaling van € 3.500,00 aan [gedaagde] gedaan en een betaling van € 32.200 aan DEFAM. De vordering van IDM op [eiseres] en [gedaagde] is vervolgens gecedeerd aan Interbank toen bleek dat zij beiden niet aan hun betaalverplichting voldeden. Op 9 augustus 2006 bleek de openstaande schuld (inclusief de contractuele rente van 8,124% per jaar) € 39.387,84. [eiseres] is vanaf dat moment via haar salarisbetalingen bij haar werkgevers gaan aflossen op de schuld. In periode 3 van 2023 heeft [eiseres] de schuld volledig afgelost met de laatste betaling van € 142,18.
3.2
De bewindvoerder vordert van [gedaagde] een bedrag van € 11.392,18. De bewindvoerder stelt dat [eiseres] en [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schuld aan IDM. Omdat [eiseres] de schuld volledig heeft voldaan, heeft zij een regresvordering van in totaal € 21.443,92 op [gedaagde] . Dit bedrag bestaat allereerst uit de helft van het bedrag dat [eiseres] aan Interbank heeft voldaan (€ 19.693,92), omdat [gedaagde] daarvan de draagplicht heeft. Daar moet volgens de bewindvoerder nog een bedrag van € 1.750,00 bij op worden geteld, omdat een bedrag van € 3.500,00 enkel ten goede is gekomen aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft volgens de bewindvoerder daarom de draagplicht van dat gehele bedrag in plaats van enkel de helft van dat bedrag. De bewindvoerder vordert alleen een bedrag van € 11.392,18, omdat een deel van de vordering is verjaard. Zij stelt de vordering van [eiseres] bij brief van 16 september 2024 te hebben gestuit, waardoor zij alleen aanspraak maakt op betalingen die zij na 16 september 2019 deed ter aflossing van het gedeelte van de schuld dat [gedaagde] aanging.
De deelbetalingen gedaan na 16 september 2019 zijn niet verjaard
3.3
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] en [eiseres] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schuld aan Interbank, zoals bedoeld in artikel 6:10 BW Pro. Ook is niet in geschil dat [eiseres] in beginsel daarom een regresvordering heeft op [gedaagde] voor in ieder geval de helft van het bedrag dat zij aan Interbank heeft afgelost. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad [1] kwalificeert een regresvordering als een rechtsvordering tot vergoeding van schade. Op zo een rechtsvordering is het verjaringsregime van artikel 3:310 lid 1 BW Pro van toepassing. Dat artikel bepaalt dat een vordering verjaart door verloop van vijf jaren na de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met zijn schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Bij deelbetalingen geldt dat per afzonderlijke deelbetaling een nieuwe regresvordering ontstaat en – in het verlengde daarvan – dat de verjaring steeds voor elke afzonderlijke deelbetaling aanvangt op de dag volgend op die waarop de deelbetaling is gedaan.
3.4
De verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt. [2] Met dat laatste wordt bedoeld dat de verjaring wordt gestuit met een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. [3] Deze schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. [4] Niet nodig is dat de schriftelijke mededeling de vordering nauwkeurig omschrijft met aanwijzing van de correcte juridische grondslag. Wél is voor een voldoende duidelijke waarschuwing noodzakelijk dat voor de schuldenaar kenbaar is wélke vordering is bedoeld. Daartoe is in ieder geval vereist dat de schuldenaar daaruit kan begrijpen welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen deze schuldenaar zich eventueel heeft te verweren. [5] Bij de beoordeling of de mededeling aan de in art. 3:317 lid 1 BW Pro gestelde eisen voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval. [6] Bij deze beoordeling kan onder omstandigheden mede betekenis toekomen aan de verdere correspondentie van partijen. [7]
3.5
Anders dan [gedaagde] meent, is de kantonrechter van oordeel dat de inhoud van de brief van 16 september 2024 (productie 9) stuitende werking toekomt. In deze brief heeft de gemachtigde van [eiseres] duidelijk uitgelegd om welke vordering het ging. De vordering in de brief is weliswaar hoger dan het bedrag dat in deze procedure gevorderd wordt, maar dat maakt voor de stuiting niet uit. De bewindvoerder heeft simpelweg in deze procedure rekening gehouden met het gedeelte van de vordering dat is verjaard. Dat zij dat in haar brief van 16 september 2024 nog niet deed, maakt geen verschil. De natuurlijke verbintenis tot betaling van het gehele bedrag blijft immers bestaan.
Daarnaast wordt in de brief vermeld dat als [gedaagde] niet tot betaling overgaat of een redelijk betalingsvoorstel doet, [eiseres] zich genoodzaakt ziet om verdere juridische maatregelen te treffen. De brief hield dus een voldoende duidelijk waarschuwing aan [gedaagde] in dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moest houden dat hij beschikking hield over zijn gegevens of bewijsmateriaal, zodat hij zich tegen een mogelijkerwijs ingestelde vordering van [eiseres] kon verweren. De brief bevat dus een aanmaning zoals bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW Pro. Dat betekent dat met deze brief de verjaring van de betalingen gedaan na 16 september 2019 zijn gestuit.
De gedane deelbetalingen zijn controleerbaar en verifieerbaar
3.6
Uit het betalingsoverzicht (productie 20) volgt dat [eiseres] de volledige schuld heeft afbetaald. Uit dat overzicht en het overzicht dat de bewindvoerder als productie 17 heeft overgelegd, volgt ook dat de betalingen vanaf 5 oktober 2019 tot en met 25 maart 2023 optellen tot een bedrag van € 11.392,18. De bedragen uit het overzicht komen overeen met de bedragen vermeld op de salarisstroken (productie 6). Uit de salarisstroken volgt dat de bedragen zijn betaald aan Interbank. En uit de akte van cessie (productie 3) volgt dat Interbank de vordering die IDM uit hoofde van de kredietovereenkomst op onder meer [eiseres] had, heeft overgenomen. Het standpunt van [gedaagde] dat de gedane deelbetalingen niet controleerbaar en niet verifieerbaar zijn, volgt de kantonrechter dan ook niet.
Geen sprake van rechtsverwerking
3.7
[gedaagde] doet een beroep op de redelijkheid en billijkheid [8] en een beroep op misbruik van recht. [9] Hij stelt in dat kader dat doordat [eiseres] vijftien jaar lang heeft stilgezeten, zij bij [gedaagde] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij geen vordering meer zou instellen. Het enkel stilzitten of tijdsverloop is onvoldoende is om rechtsverwerking als gevolg te hebben. Daarvoor moeten bijzondere omstandigheden zijn die het gerechtvaardigd vertrouwen bij de [gedaagde] hebben gewekt dat [eiseres] haar aanspraak niet meer geldend zou maken of de positie van [gedaagde] zou onredelijk moeten zijn benadeeld of verzwaard. [10] Dergelijke omstandigheden heeft [gedaagde] niet gesteld. Bovendien is de vordering van [eiseres] pas opeisbaar geworden op het moment dat zij de deelbetalingen deed die het gedeelte van de schuld van [gedaagde] aangingen. Zij heeft dus niet vijftien jaar stilgezeten, zoals [gedaagde] stelt. De stelling van [gedaagde] dat hij in zijn bewijspositie is geschaad, heeft hij niet onderbouwd dus aan dat standpunt gaat de kantonrechter voorbij.
Het beroep op de redelijkheid en billijkheid en het beroep op misbruik van recht, slagen dus niet. Er is dan ook geen sprake van rechtsverwerking. Het bedrag van € 11.392,18 zal daarom worden toegewezen.
De wettelijke rente
3.8
De bewindvoerder vordert over het bedrag van € 11.392,18 de wettelijke rente vanaf de datum van het verzuim. Volgens haar is het verzuim ingetreden op de datum dat de deelbetalingen zijn verricht. In beginsel is voor het intreden van verzuim een ingebrekestelling nodig. [11] Dat is anders wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 74 lid 1 en Pro de verbintenis niet terstond wordt nagekomen. [12] Daarvan is hier geen sprake. In dit geval gaat het om schade ten gevolge van ongerechtvaardigde verrijking. Wettelijke rente over een verbintenis tot schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking is pas verschuldigd na ingebrekestelling. [13] De bewindvoerder heeft [gedaagde] voor het eerst gesommeerd op 16 september 2024 (voor 23 september 2024 te betalen). Doordat [gedaagde] niet op 23 september 2024 heeft betaald is hij per die datum in verzuim. De kantonrechter zal de wettelijke rente dan ook vanaf 23 september 2024 toewijzen.
De buitengerechtelijke incassokosten.
3.9
De bewindvoerder vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De bewindvoerder heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en de bewindvoerder heeft vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. De bewindvoerder heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eiseres] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 1.075,60 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
De proceskosten
3.1
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat de bewindvoerder/ [eiseres] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van de bewindvoerder/ [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
Totaal
1.098,00
3.11
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan de bewindvoerder, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen en gelden van [eiseres] , te betalen een bedrag van € 11.392,18, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 23 september 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan de bewindvoerder, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen en gelden van [eiseres] , te betalen een bedrag van € 1.075,60 aan buitengerechtelijke kosten, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en als betaling niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de vijftiende dag na het vonnis, tot de dag van volledige betaling,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.098,00, aan de bewindvoerder, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen en gelden van [eiseres] , te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.4
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de bewindvoerder, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen en gelden van [eiseres] , van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5
verklaart dit vonnis voor zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door mr. C.J.M. Hendriks op 1 juli 2026.
69134

Voetnoten

1.HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784 en HR 15 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:889
2.Artikel 3:316 BW Pro.
3.Artikel 3:317 BW Pro.
4.HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0418.
5.HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010: BM9615.
6.HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8502.
7.HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7063.
8.Artikel 6:248 BW Pro.
9.Artikel 3:13 BW Pro.
10.HR 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1827 ( [naam] /Provincial Insurance).
11.Artikel 6:82 BW Pro.
12.Artikel 6:83 lid 2 BW Pro.
13.HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2329,