Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
Inleiding
Overwegingen
- een dakkapel van 3 m²;
- een aanbouw van 13 m².
- [adres 2] , verkocht op 13 november 2021 voor € 545.000,-;
- [adres 3] , verkocht op 5 januari 2022 voor € 618.000,-;
- [adres 4] , verkocht op 1 mei 2021 voor € 535.000,-;
- [adres 5] : 107 m2 i.p.v. 104 m2;
- [adres 6] : 106 m2 i.p.v. 102 m2;
- [adres 4] : 133 m2 i.p.v. 119 m2.
[adres 5]en
[adres 6]. Door de taxateur is op de zitting toegelicht dat dit soort kleine verschillen kunnen ontstaan door het hanteren van verschillende meetmethodes. Deze kleine verschillen hebben dan ook weinig invloed op de uiteindelijke prijs per eenheid. Voor wat betreft het verschil in oppervlakte van de referentiewoning
Troelstaweg 99heeft de taxateur uitgelegd dat het verschil te maken heeft met de aangebouwde berging, die in de verkoopbrochure is meegerekend in de 133 m2. De rechtbank volgt deze uitleg en neemt daarbij in aanmerking dat uit de taxatiematrix volgt dat de aanbouw als apart objectonderdeel van 13 m2 is opgenomen. De rechtbank ziet in hetgeen door eiser is aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat de door de heffingsambtenaar gehanteerde gebruiksoppervlaktes onjuist zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
[adres 5]onjuist is, omdat het is verkocht op 13 november 2021 en getransporteerd op 31 december 2021. Eiser voert aan dat op basis van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad in dat geval wordt aangenomen dat de overeengekomen koopprijs gelijk is aan de waarde op het tijdstip van de levering, en in dit geval aan de waarde op waardepeildatum aangezien de leverdatum één dag voor waardepeildatum ligt en wijst daarbij op r.o. 2.4.4. van het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016. [1]
- [adres 7] , verkocht op 27 juli 2022 voor € 585.000,-
- [adres 8] , verkocht op 11 november 2021 voor € 545.000,-
- [adres 4] , verkocht op 1 mei 2021 voor € 535.000,-
- [adres 6] , verkocht op 29 december 2021 voor € 618.000,-
[adres 7]buiten beschouwing. Dat is in principe ook toegestaan, omdat partijen zelf mogen bepalen hoe zij hun waarde willen onderbouwen. Uit het aangehaalde arrest volgt slechts dat bij beantwoording van de vraag of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, niet alleen de bewijsmiddelen die de heffingsambtenaar daartoe aandraagt van belang zijn, maar ook de stukken en stellingen die belanghebbende ter betwisting daarvan aandraagt. [3] De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft op de zitting nog toegelicht dat de referentiewoning aan de
[adres 7]uit het rapport van eiser over een zwembad beschikt waar een veel te hoge waarde aan is toegekend. De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift en op de zitting voldoende toegelicht dat de referentiewoningen die in beide taxaties zijn gehanteerd aantonen dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Het door eiser aangedragen rapport zorgt er daarom niet voor dat de rechtbank twijfelt aan de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde. [4] Deze beroepsgrond slaagt niet.
€ 116,75 aan proceskosten moet vergoeden en de Staat € 116,75. Het griffierecht krijgt eiser niet terug, omdat de redelijke termijn na 31 mei 2024 is overschreden. [7]
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 446,15;
- veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 1.053,85;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan eiser.
mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.