ECLI:NL:RBMNE:2026:4804

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
26/5437
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55d AwbArt. 8:57 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechterlijke dwangsom en nadere beslistermijn bij niet tijdig beslissen door Dienst Toeslagen

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door Dienst Toeslagen op haar aanvraag van 31 maart 2025 voor aanvullende compensatie bij de Commissie Werkelijke Schade. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn van 52 weken is overschreden en dat Dienst Toeslagen in gebreke is gesteld op 15 april 2026.

De rechtbank wijkt af van de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juni 2026, die een nadere beslistermijn van twee weken zonder dwangsom oplegde. De rechtbank oordeelt dat deze termijn onrealistisch kort is en strijdig met het beginsel van effectieve rechtsbescherming en de Awb. Daarom legt de rechtbank een nadere beslistermijn van 66 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn op, met een dwangsom van €50 per dag tot maximaal €15.000.

De rechtbank motiveert dat de dwangsom een noodzakelijke prikkel is voor Dienst Toeslagen om sneller te beslissen en dat het ontbreken daarvan de rechtsbescherming ondermijnt. Tevens wordt Dienst Toeslagen veroordeeld tot betaling van een dwangsom van €1.442,- voor de reeds verstreken 42 dagen, proceskosten van €467,- en vergoeding van het griffierecht van €54,- aan eiseres.

De uitspraak benadrukt het belang van een reële termijn en effectieve dwangsom voor het herstel van vertrouwen in de rechtsstaat en het waarborgen van rechtsbescherming binnen de hersteloperatie toeslagen.

Uitkomst: De rechtbank legt een nadere beslistermijn van 66 weken op aan Dienst Toeslagen met een dwangsom van €50 per dag en veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van proceskosten en griffierecht aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5437

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] (België), eiseres

(gemachtigde: mr. L.C. van Kasteren),
en

Dienst Toeslagen,

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat Dienst Toeslagen volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 31 maart 2025 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS).
Op 2 juni 2026 heeft Dienst Toeslagen een verweerschrift ingediend.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. [1] Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [2] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [3]
2. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. In de brief van 15 april 2026, ontvangen door Dienst Toeslagen op diezelfde datum, is Dienst Toeslagen in gebreke gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 17 mei 2026, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag.
3. Het beroep is gegrond.
De dienst moet alsnog een besluit nemen
4. Omdat Dienst Toeslagen nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat Dienst Toeslagen dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. [4] In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. [5]
5. Volgens vaste rechtspraak moet de rechtbank bij de vaststelling van een nadere termijn een verantwoorde keuze maken in het dilemma tussen snelheid en zorgvuldigheid. Als het bestuursorgaan dit dilemma heeft veroorzaakt, rechtvaardigt dit niet zonder meer dat zorgvuldigheid wordt opgeofferd aan snelheid. De rechter stelt een nadere termijn die niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. [6]
6. In haar uitspraak van 25 juli 2025 [7] heeft de rechtbank bepaald dat sprake is van zo’n bijzonder geval. In zaken zoals deze wordt een nadere beslistermijn bepaald van 60 weken na het verlopen van de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken. Als deze termijn al is verstreken op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, bepaalt de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat Dienst Toeslagen een rechterlijke dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag dat hij de hiervoor bepaalde termijn niet haalt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
7. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 3 juni 2026 [8] echter geoordeeld dat de nadere beslistermijn van 60 weken, die de rechtbank in dit type zaken oplegt, onrealistisch kort is. Bij gebrek aan duidelijke informatie wat dan wél kan worden aangemerkt als een realistische termijn, valt de Afdeling terug op de wettelijke termijn van twee weken. De Afdeling heeft de dwangsom verder op nihil gesteld. Daarbij is overwogen dat de situatie na een jaar, op 3 juni 2027, opnieuw zal worden bezien.
8. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om de Afdeling in haar oordeel te volgen en licht dat hierna toe.
9. De rechtbank leidt uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2026 af dat de Afdeling, net als de rechtbank in de uitspraak van 25 juli 2025, van oordeel is dat sprake is van een bijzonder geval. Dat betekent dat in beginsel aanleiding bestaat voor een andere beslistermijn dan de standaard beslistermijn van twee weken. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 25 juli 2025 een nadere beslistermijn van 60 weken bepaald. Die is volgens de Afdeling ‘onrealistisch kort’. De rechtbank stelt vast dat als een nadere beslistermijn van 60 weken onrealistisch kort is, dat des te meer geldt voor een nadere beslistermijn van twee weken zoals die de Afdeling heeft opgelegd. De bepaling van de nadere beslistermijn op de standaardtermijn van twee weken, beantwoordt daarmee dus niet aan het door de Afdeling zelf geformuleerde criterium dat de beslistermijn niet onrealistisch kort mag zijn.
10. De nu door de Afdeling gekozen oplossing biedt voor de indiener van het beroep niet-tijdig geen reëel perspectief wanneer hij of zij een besluit van Dienst Toeslagen kan verwachten. Het is immers evident dat de nadere beslistermijn van twee weken niet zal worden gehaald. Het stellen van zo’n termijn schept dan valse verwachtingen. Dit is in strijd met de beoogde rechtsbescherming die de wetgever met artikel 8:55d van de Awb voor ogen stond.
10. De Afdeling heeft er ook voor gekozen om aan de beslistermijn van twee weken geen rechterlijke dwangsom te verbinden. De rechtbank wijst erop dat artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter aan zijn uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Dit artikel biedt geen ruimte om de dwangsom op nihil te zetten. Daarmee zou immers feitelijk geen dwangsom worden opgelegd, wat in strijd is met de dwingendrechtelijke bepaling uit artikel 8:55d, van de Awb. Uit de uitspraak van de Afdeling wordt niet duidelijk hoe de nihilstelling zich naar het oordeel van de Afdeling verhoudt tot deze bepaling uit de Awb. Ook wordt uit de uitspraak van de Afdeling niet duidelijk welke mogelijkheden rechtszoekenden hebben om zonder rechterlijke dwangsom af te dwingen dat Dienst Toeslagen uitvoering geeft aan de uitspraak van de rechter, als die bepaalt dat Dienst Toeslagen binnen een nadere termijn alsnog een besluit moet nemen. Dit staat op gespannen voet met het beginsel van effectieve rechtsbescherming. [9]
12. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 3 juni 2026 meermaals verwezen naar haar eerdere uitspraak van 26 maart 2025 [10] die ook gaat over de uitvoeringsproblemen bij de hersteloperatie toeslagen. De Afdeling heeft in die eerdere uitspraak toegelicht waarom zij zich op dat moment genoodzaakt voelde om voor de problemen rond de vastlopende besluitvorming bij Dienst Toeslagen - anders dan voorheen - een structurele en collectieve oplossing te bieden. De bedoeling was dat het systeem weer in balans zou raken en dat Dienst Toeslagen zich weer zoveel mogelijk bezig zou kunnen houden met inhoudelijke besluitvorming in plaats van met tegen uitblijvende besluitvorming ingestelde beroepen. De Afdeling heeft met dat doel toentertijd een langere beslistermijn aan Dienst Toeslagen opgelegd. Daarbij heeft de Afdeling het ook van belang geacht dat de situatie, waarbij Dienst Toeslagen op grote schaal rechterlijke uitspraken waarbij een nadere termijn is gesteld niet nakomt, de geloofwaardigheid van de rechtsstaat ondermijnt. De mate waarin de bestuursrechter effectief rechtsbescherming kan bieden hangt mede af van de naleving van rechterlijke uitspraken door de overheid. De rechtsbedeling in brede zin, zo overweegt de Afdeling, verliest zijn effectiviteit. Dit klemt temeer in de context van de hersteloperatie toeslagen. [11] De Afdeling heeft over de op te leggen dwangsom in de uitspraak van 26 maart 2025 overwogen dat het rechtsmiddel van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit daadwerkelijk snellere besluitvorming moet kunnen bewerkstelligen en dat de dwangsom daarbij een prikkel is voor het bestuursorgaan. De Afdeling heeft daarom toen aan de langere nadere beslistermijn een dwangsom verbonden.
13. De Afdeling verwijst in de uitspraak van 3 juni 2026 naar deze passages uit de uitspraak van 26 maart 2025 en lijkt de daarin beschreven uitgangspunten en beginselen in zoverre nog steeds te omarmen en van belang te vinden. Niettemin kiest de Afdeling vervolgens voor een op voorhand onrealistisch korte beslistermijn van twee weken, waaraan zij geen dwangsom verbindt.
De rechtbank begrijpt uit rechtsoverweging 17 van de uitspraak van 3 juni 2026 dat de Afdeling met deze keuze wil bereiken dat Dienst Toeslagen niet langer overmatig capaciteit hoeft te besteden aan de afdoening van de vele beroepen niet-tijdig die het besluitvormingssysteem als het ware verstoppen. Dit probleem is in de uitspraak van 26 maart 2025 echter ook gesignaleerd, maar heeft toen niet tot deze keuze geleid. Uit de uitspraak van 3 juni 2026 wordt niet duidelijk – en de rechtbank ziet ook niet in – waarom de situatie nu zodanig anders is dat deze keuze voor een onrealistisch korte beslistermijn zonder dwangsom nu volgens de Afdeling is te rechtvaardigen, terwijl die keuze, zoals hiervoor is overwogen, op gespannen voet staat met de wet, de eigen rechtspraak van de Afdeling en het beginsel van effectieve rechtsbescherming.
14. Daarbij vindt de rechtbank verder van belang dat de Afdeling bij de nu gekozen oplossing lijkt uit te gaan van de aanname dat, als de bestuursrechter geen dwangsommen verbindt aan de beslistermijn, het aantal beroepen niet-tijdig substantieel zal afnemen. De rechtbank twijfelt daar echter aan. In deze aanname ligt impliciet besloten dat het indienen van beroepen niet tijdig ook vooral is ingegeven door mogelijk financieel gewin als gevolg van de procedure. Als dat al zo zou zijn, is het van belang ook aandacht te hebben voor het risico dat gemachtigden van ouders beroepen zullen blijven indienen, uitsluitend ter verkrijging van proceskostenveroordelingen, omdat de hoogte van het forfaitaire bedrag in dit type zaken de daarvoor te leveren inspanning te boven gaat. Maar belangrijker nog is dat het de ervaring van de rechtbank is dat de meeste ouders zelf vooral duidelijkheid of op zijn minst enig houvast willen over het tijdstip waarop zij een besluit van Dienst Toeslagen kunnen verwachten. Vanuit die drijfveer, is het dan ook zeker niet uitgesloten dat zij na het verstrijken van de beslistermijn van twee weken, opnieuw een beroep niet-tijdig zullen indienen in de hoop hierover op enig moment toch duidelijkheid te verkrijgen. De door de Afdeling genoemde werkwijze kan dus ook juist een tweewekelijks stuwmeer van beroepen niet-tijdig met zich brengen. Het is naar het oordeel van de rechtbank in elk geval niet gezegd dat het niet langer opleggen van een rechterlijke dwangsom leidt tot de benodigde rust om tot daadwerkelijke inhoudelijke afronding van de aanvragen in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen te komen. De rechtbank ziet dan ook niet dat deze aanname, zou dat al de redenering van de Afdeling zijn, de afwijking van de wet, van de eerdere uitspraken van de Afdeling en van het beginsel van effectieve rechtsbescherming rechtvaardigt.
14. De rechtbank realiseert zich dat het zeer uitzonderlijk is om een door de Afdeling in hoger beroep uitgezette lijn niet te volgen. Op het belang van lijnen in de rechtspraak wordt ook in het reflectierapport “Lessen uit de kinderopvangtoeslagzaken” van de Afdeling terecht gewezen. [12] De rechtbank benadrukt verder dat zij de knelpunten die de Afdeling in de uitspraak van 3 juni 2026 signaleert zeker ook herkent en de zoektocht naar een oplossing begrijpt. Tegelijkertijd wordt in het reflectierapport ook gewezen op het belang van tegenspraak, dialoog en het signaleren van knelpunten. [13] Het is vooral vanuit dat belang dat de rechtbank in deze uitspraak uiteen zet dat de lijn van de Afdeling naar haar oordeel op gespannen voet staat met artikel 8:55d van de Awb, het beoogde doel van die bepaling en ook met eerdere uitspraken van de Afdeling, terwijl de rechtbank bovendien twijfelt of het met die lijn beoogde doel van rust om tot daadwerkelijke inhoudelijke afronding van de aanvragen te komen daadwerkelijk wordt bereikt. Het is ook daarom dat de rechtbank op dit moment geen aanleiding ziet om de door de Afdeling uitgezette lijn in de uitspraak van 3 juni 2026 te volgen.
16. De vraag die vervolgens voorligt, is welke beslistermijn de rechtbank dan wel aan Dienst Toeslagen oplegt. In de uitspraak van 3 juni 2026 staat dat de gemiddelde doorlooptijd in het jaar 2025 827 dagen bedraagt (ruim 118 weken, wat neerkomt op ongeveer twee jaar en bijna drie maanden). De rechtbank realiseert zich dat informatie over de impact van de alternatieve hersteltrajecten op de te verwachten doorlooptijd ontbreekt en dat ook niet zeker is of de gemiddelde doorlooptijd in het jaar 2025 overeenkomt met de doorlooptijd in 2026. Gelet op de uiteenzetting in de uitspraak van 3 juni 2026 en de in die zaak gedeelde informatie over de doorlooptijden, is deze termijn van ruim 118 weken naar het oordeel van de rechtbank echter op voorhand in elk geval niet onrealistisch kort te noemen. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om bij deze termijn aan te sluiten. Dat betekent dat de rechtbank de nadere beslistermijn steeds zal vaststellen op 118 weken na ontvangst van de aanvraag. De wettelijke beslistermijn bedraagt 52 weken, zodat Dienst Toeslagen na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn nog een nadere beslistermijn van 66 weken heeft om alsnog een besluit te nemen. Een nadere beslistermijn van 66 weken geeft de indiener van het beroep niet-tijdig enig uitzicht op een besluit en sluit bij de huidige stand van zaken zo goed mogelijk aan bij het criterium dat een nadere beslistermijn niet onnodig lang en niet onrealistisch kort mag zijn.
16. In dit geval betekent dit het volgende. Eiseres heeft op 31 maart 2025 een aanvraag ingediend voor vergoeding van werkelijke schade. De wettelijke beslistermijn eindigde op 31 maart 2026. De nadere beslistermijn eindigt 66 weken later op 6 juli 2027. De uiterlijke datum waarop Dienst Toeslagen een besluit op de aanvraag bekend moet maken is dus 6 juli 2027.
16. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de dwangsom op nihil te stellen zoals de Afdeling in haar uitspraak van 3 juni 2026 heeft gedaan. De dwangsom is namelijk bedoeld als effectieve prikkel voor Dienst Toeslagen om sneller te beslissen en met het bepalen van een niet onrealistisch korte nadere beslistermijn kan een dwangsom een effectieve prikkel geven om dit te doen. [14]
19. De rechtbank bepaalt dat Dienst Toeslagen een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag dat Dienst Toeslagen de hiervoor bepaalde termijnen niet haalt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze bedragen naar de uitspraak van deze rechtbank van 25 oktober 2024. [15] Bestuurlijke dwangsom
20. Eiseres heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [16]
21. De dienst heeft de hoogte van de dwangsom niet formeel in een besluit vastgesteld. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-, omdat er inmiddels al 42 dagen zijn verstreken sinds Dienst Toeslagen in gebreke is.
Proceskosten en griffierecht
21. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De dienst moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
21. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet Dienst Toeslagen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt Dienst Toeslagen op uiterlijk op 6 juli 2027 een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat Dienst Toeslagen aan eiseres een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- stelt de door Dienst Toeslagen te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- veroordeelt Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-;
- draagt Dienst Toeslagen op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzitter, en mr. G. Schnitzler en mr. P.J. Blok, leden, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
3.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
4.Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
5.Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, en van 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2346.
9.Zie de uitspraken van de Afdeling van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3353, rov. 5.5.1, en van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301, rov. 19.3.
11.Zie rov. 19.3.
12.Zie onder meer pagina 9.
13.Zie onder meer pagina’s 9, 43, 52 en 56, maar ook een aantal van de in bijlage 2 genoemde aanbevelingen.
14.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301 rov. 19.2.
16.Artikelen 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.