Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarde van zijn woning en de heffingsambtenaar heeft het bezwaar gegrond verklaard en de waarde verlaagd. Eiser stelde de heffingsambtenaar in gebreke vanwege overschrijding van de redelijke termijn voor de uitspraak op bezwaar. De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling op 30 januari 2024 is ontvangen en dat de uitspraak op 15 februari 2024 is genomen, waardoor een dwangsom van drie dagen verschuldigd is.
Daarnaast is in geschil de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar. De rechtbank stelt vast dat het gehanteerde puntentarief te laag was en past dit aan, maar wijst een vergoeding voor de schriftelijke hoorzitting af omdat deze niet in het Besluit proceskosten bestuursrecht is opgenomen. Voor het deskundigenrapport wordt een beperkte vergoeding toegekend, gebaseerd op een redelijke tijdsbesteding.
Eiser verzocht ook om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar de rechtbank wijst dit af omdat het financiële belang onder de bagatelgrens van € 1.000,- ligt en de termijnoverschrijding minder dan twaalf maanden bedraagt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de proceskostenvergoeding en dwangsom betreft en stelt de dwangsom op € 69,- vast. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan eiser toegekend.