Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:884

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
UTR 24/2746
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 4:17 AwbArt. 30a Wet WOZBesluit proceskosten bestuursrechtBesluit tarieven in strafzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen proceskostenvergoeding en dwangsom bij WOZ-waarde bezwaar gegrond verklaard

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarde van zijn woning en de heffingsambtenaar heeft het bezwaar gegrond verklaard en de waarde verlaagd. Eiser stelde de heffingsambtenaar in gebreke vanwege overschrijding van de redelijke termijn voor de uitspraak op bezwaar. De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling op 30 januari 2024 is ontvangen en dat de uitspraak op 15 februari 2024 is genomen, waardoor een dwangsom van drie dagen verschuldigd is.

Daarnaast is in geschil de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar. De rechtbank stelt vast dat het gehanteerde puntentarief te laag was en past dit aan, maar wijst een vergoeding voor de schriftelijke hoorzitting af omdat deze niet in het Besluit proceskosten bestuursrecht is opgenomen. Voor het deskundigenrapport wordt een beperkte vergoeding toegekend, gebaseerd op een redelijke tijdsbesteding.

Eiser verzocht ook om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar de rechtbank wijst dit af omdat het financiële belang onder de bagatelgrens van € 1.000,- ligt en de termijnoverschrijding minder dan twaalf maanden bedraagt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de proceskostenvergoeding en dwangsom betreft en stelt de dwangsom op € 69,- vast. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan eiser toegekend.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, stelt de dwangsom op € 69,- vast en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2746

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. J.W. Vugts)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans).

Procesverloop

1.1
In de beschikking van 28 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 475.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.2
Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. Bij brief van 29 januari 2024 heeft eiser de heffingsambtenaar in gebreke gesteld.
1.3
In de uitspraak op bezwaar van 15 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning verlaagd naar
€ 418.000,-. In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar ook een besluit genomen op de ingebrekestelling.
1.4
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
De zaak is behandeld op de zitting van 21 januari 2026. De gemachtigde van eiser heeft, met bericht van afmelding, niet deelgenomen aan de zitting. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft wel deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. In geschil is de hoogte van de dwangsom en de proceskostenvergoeding in bezwaar. Niet in geschil is de hoogte van de WOZ-waarde.
Dwangsom
3. Eiser heeft de heffingsambtenaar bij brief van 29 januari 2024 in gebreke gesteld en verzocht binnen twee weken op het bezwaar te beslissen. Aanvankelijk stelde de heffingsambtenaar zich op het standpunt dat de ingebrekestelling op 1 februari 2024 door hem is ontvangen. Eiser heeft met een verzend- en bezorgbewijs aangetoond dat de ingebrekestelling op 30 januari 2024 is ontvangen door de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft naar aanleiding van het verzend- en bezorgbewijs zijn standpunt aangepast en verzoekt om gegrondverklaring van het beroep.
3.1
De rechtbank vindt dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de ingebrekestelling op 30 januari 2024 door de heffingsambtenaar is ontvangen, omdat eiser een verzend- en bezorgbewijs heeft overgelegd. De heffingsambtenaar had dus tot en met 13 februari 2024 om een uitspraak op bezwaar te nemen. Het bestreden besluit is op 15 februari 2024 genomen. Dit betekent dat eiser dus recht heeft op een dwangsom over een periode van drie dagen. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren.
Proceskostenvergoeding in bezwaar
4. Eiser voert aan dat de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase verkeerd is vastgesteld in verband met het arrest van de Hoge Raad. [1] In de uitspraak op bezwaar is de WOZ-waarde van de woning verlaagd. Daarom is er een proceskostenvergoeding toegekend van € 748,26 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 310,- en een wegingsfactor 1, en € 128,26 voor het indienen van een deskundigenrapport).
4.1
De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift aangegeven het eens te zijn met eiser dat de waarde van € 310,- per punt te laag is, omdat een hoger tarief van toepassing is op basis van bovengenoemd arrest van de Hoge Raad. De heffingsambtenaar stelt zich echter op het standpunt dat de rechtbank voor de hoorzitting geen vergoeding hoeft toe te kennen, omdat er geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden, maar een “schriftelijke hoorzitting”. In het kader daarvan verwijst de heffingsambtenaar naar een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. [2] Tot slot stelt de heffingsambtenaar zich op het standpunt dat voor het deskundigenrapport te veel vergoeding is toegekend. Op basis van het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2025 hoeft slechts een vergoeding van € 10,69 te worden toegekend. Er is namelijk sprake van een geautomatiseerd opgemaakt taxatierapport waaraan weinig tijd door de taxateur is besteed. [3] De conclusie van de heffingsambtenaar is dat er te veel proceskosten zijn vergoed in de bezwaarfase. In verband met het verbod van reformatio in peius dient de reeds toegekende vergoeding in stand te blijven.
4.2
De rechtbank stelt de proceskosten voor de bezwaarfase vast op € 698,07 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 1, en € 32,07 voor het indienen van een deskundigenrapport). Het beroep slaagt dus voor zover het is gericht tegen de proceskostenvergoeding in de uitspraak op bezwaar. Er is immers een onjuist bedrag per punt gehanteerd in de bezwaarfase. De rechtbank is echter van oordeel dat het totaalbedrag aan proceskostenvergoeding dat aan eiser in deze zaak is toegekend in bezwaar in ieder geval niet te laag is. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
4.3
De rechtbank kent geen vergoeding toe voor de in de bezwaarfase gehouden “schriftelijke hoorzitting”. Het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) bevat geen bepaling op grond waarvan deze proceshandeling voor vergoeding in aanmerking komt. Het staat partijen vrij om af te spreken dat in plaats van het houden van een hoorzitting een aanvullend bezwaarschrift wordt ingediend wat dan bij een gegrondverklaring van het bezwaar ertoe leidt dat de heffingsambtenaar dit bij de berekening van de proceskosten aanmerkt als een hoorzitting. De heffingsambtenaar is (op grond van het vertrouwensbeginsel) aan zo’n afspraak gebonden, maar de rechtbank niet. [4]
4.4
De rechtbank ziet wel aanleiding tot vergoeding van het deskundigenrapport. Het is echter niet aannemelijk dat de taxateur van [onderneming] meer dan een geringe hoeveelheid tijd aan het rapport heeft besteed. Bij de toekenning van een vergoeding voor kosten van een deskundige gaat het om de kosten die eiser redelijkerwijs heeft gemaakt. Met betrekking tot de hoogte van deze kosten wordt de vergoeding voor werkzaamheden vastgesteld in het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (hierna: Besluit WTS). [5] Artikel 6 van Pro het Besluit WTS stelt de hoogte van deze vergoeding, naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn, vast op ten hoogste
€ 154,50 (tekst 2024) per uur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiser niet aannemelijk gemaakt dat meer dan tien minuten aan een rapport wordt gewerkt. [6] De tijd die een deskundige heeft besteed aan het rapport dient derhalve te worden gesteld op een half uur. [7] De rechtbank stelt de vergoeding voor de kosten van het woningwaarderapport daarom vast op (afgerond) € 32,07 (0,5 uur maal € 53,- te vermeerderen met 21 % BTW). [8]
4.5
Gelet op het verbod op reformatio in peius kan het bedrag aan verschuldigde proceskosten voor de bezwaarfase niet lager worden vastgesteld dan bij het bestreden besluit is gebeurd. Om die reden zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb, de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand laten.
Immateriële schadevergoeding
5. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
5.1
De rechtbank moet eerst beoordelen of het arrest van de Hoge Raad van
14 juni 2024 [9] van toepassing is op deze zaak. Uit dit arrest volgt dat de weergegeven wijzigingen niet gelden voor zaken waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dit arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep) op de datum van dit arrest is overschreden. [10] Eiser heeft in zijn beroepschrift van 26 maart 2024 voor het eerst verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn voor bezwaar en beroep is overschreden twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift door de heffingsambtenaar, dus op 7 april 2025. Het arrest van de Hoge Raad is van
14 juni 2024. Hieruit volgt dat op de datum van het arrest de redelijke termijn nog niet was overschreden en dat het arrest van toepassing is op deze zaak.
5.2
Uit het arrest volgt verder dat de bagatelgrens niet meer op € 15,- wordt gesteld, maar op € 1.000,-. De rechtbank moet dan ook vervolgens beoordelen of deze bagatelgrens wordt gehaald.
5.3
Uit overweging 3.3.3 van het arrest volgt dat het financiële belang bij de procedure in beginsel bestaat uit het financiële voordeel dat belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(en) krijgt indien het door haar in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële belang bij de procedure wordt dus niet bepaald door de hoogte van een of meer fiscale beschikkingen en ook niet door de omvang van het (uiteindelijk) door de belanghebbende in de procedure bereikte financiële resultaat. De Hoge Raad heeft ook overwogen dat het financiële effect van een of meer door de belanghebbende ingenomen standpunten buiten beschouwing wordt gelaten voor zover zij deze standpunten tegen beter inheeft ingenomen.
5.4
De rechtbank is van oordeel dat de enige concrete gronden die zijn aangevoerd in deze beroepsprocedure zien op de hoogte van de dwangsom en de hoogte van de proceskostenvergoeding. Het totale financiële belang is minder dan de bagatelgrens van
€ 1.000,-. De redelijke termijn is met minder dan twaalf maanden overschreden. Dit sluit aan bij overweging 3.4.3 waaruit volgt dat wanneer het financiële belang bij de procedure, minder dan € 1.000,- bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, de belastingrechter kan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank zal dit dan ook toepassen. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af. [11]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de heffingsambtenaar ten aanzien van de uitspraak op bezwaar voor drie dagen een dwangsom verschuldigd is aan eiser. Als een besluit niet op tijd wordt genomen, is het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd voor elke dag (vanaf de vijftiende dag na ontvangst van de ingebrekestelling) dat het in gebreke is, maar voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. [12] De rechtbank stelt de verschuldigde dwangsom vast op € 69,-.
7. Omdat het beroep gegrond is, heeft eiser recht op vergoeding van zijn proceskosten en het griffierecht. De rechtbank stelt de proceskosten in beroep op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 93,40 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 934,- en wegingsfactor 0,1). [13]
8. Op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ moet de heffingsambtenaar de in deze uitspraak toegekende proceskosten en het griffierecht uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiser.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover het betrekking heeft op de toekenning van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase en de afwijzing van de dwangsom;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
- stelt de door de heffingsambtenaar verbeurde dwangsom vast op € 69,-;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 93,40;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, waarin is besloten dat het lage tarief voor bezwaar in belastingzaken buiten toepassing moet blijven in verband met de mogelijke schending van het discriminatieverbod.
2.Rechtbank Oost-Brabant 15 mei 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2741, r.o. 13.5.
3.Hoge Raad 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:661.
4.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1843, overweging 7, en rechtbank Oost-Brabant 19 augustus 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:3739, overweging 14.1.
5.Zie daarvoor artikel 1, onder b, juncto artikel 2, eerste lid, onder b, van het Bpb juncto artikel 8:36, tweede lid, van de Awb en artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet tarieven in strafzaken (WTS).
6.Hoge Raad 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:661.
7.Artikel 9, eerste lid van het Besluit WTS.
8.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:259.
9.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
10.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.5.
11.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3.
12.Zie artikel 4:17, derde lid van de Awb.
13.Artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ.