Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 december 2017 in de zaken tussen
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
“Application of proceeds
“5. SUBORDINATION
pari passuwith the Interest-free Loan Notes, the Preferred Membership Rights B and the Convertible Instruments.”
noot in de Term Sheet:Lenders might consider a minimum equity investment of 45-50% depending on structure] per cent of the total funding in relation tot he Acquisition (the “
Minimum Equity Investment”)”.
shares” or “
share capital” includes
equivalent ownership interestsand “shareholder” and similar expressions shall be construed accordingly (...)’
Vraag:
FECS Bonus”) in euro and calculated in accordance with Article 2.2 and 2.3, if (and only if) each and all of the following conditions are fulfilled:
Geschil en standpunten partijen31.In geschil is of het eerste deel van de FECS-bonussen in het boekjaar 2010/2011 in aftrek kan worden gebracht op het fiscale resultaat van eiseres (zaaknummer HAA 15/3265). De aftrekbaarheid van het tweede deel van de FECS-bonussen in de aangifte Vpb over het boekjaar 2011/2012 van eiseres is niet in geschil tussen partijen.
- de rentelasten zijn geen zakelijke lasten als bedoeld in artikel 8 van Pro de Wet Vpb in verbinding met artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
- de rentelasten zijn niet aftrekbaar op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet Vpb;
- de rentelasten zijn niet aftrekbaar als gevolg van ‘fraus legis’;
- de rentelasten zijn niet in overeenstemming met artikel 8b van de Wet Vpb;
- de convertible instruments zijn te beschouwen als een onzakelijke lening; of
- de rente is in aftrek beperkt op grond van artikel 10d van de Wet Vpb.
d. vergoedingen op een geldlening alsmede waardemutaties van de lening, indien de lening onder zodanige voorwaarden is aangegaan dat deze feitelijk functioneert als eigen vermogen van de belastingplichtige. Hiervan is sprake indien zich met betrekking tot de geldlening – rechtens dan wel in feite – een omstandigheid voordoet als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b of c;
3.3. Niet in aftrek toelaten van rente en andere kosten