Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De procedure
28 februari 2017;
- het mailbericht, met producties, van de advocaat van de man van 1 oktober 2017;
- de brief van de advocaat van de vrouw van 13 oktober 2017.
2.De beoordeling
- de gemeenschappelijke betaalrekening [rekening] ;
- de gemeenschappelijke spaarrekening [rekening] ;
- de gemeenschappelijke [naam] Spaarrekening [rekening] ;
- de [naam] spaarrekening [rekening] ;
- de rekening [rekening] ;
- de rekening [rekening] ;
- de [naam] Spaarrekening [rekening] ;
- de leeslamp met rond kapje;
- de helft van de rode waterglazen, grote pasta borden, bestek met witte handvatten ( [merk] );
- de glazen cakeschaal;
- de gebakslepel met lichtbruin handvat;
- de helft van de hoge glazen met mat/doorzichtig glas.
1 maart 2019 tot maandelijkse uitkeringen aan de man zal overgaan. Zoals uit de hiervoor aangehaalde jurisprudentie kan worden afgeleid, gaat het bij de beantwoording van de hiervoor omschreven vragen om de strekking van de aanspraak op periodieke uitkeringen jegens een verzekeringsmaatschappij. Nu de strekking van de aanspraak is het verstrekken van een periodieke uitkering wegens gederfde c.q. te derven inkomsten ná ontslag, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een evenredig deel van de uitkering van de polis bij [naam] in de gemeenschap valt. Aan de omstandigheid dat de man tot op het moment van wijzen van deze beschikking nog geen enkele periodieke uitkering van [naam] heeft ontvangen, komt geen betekenis toe, evenmin als aan de omstandigheden dat de man na ontvangst van de ontslagvergoeding een nieuwe dienstbetrekking is aangegaan met een hoger salaris en hij in 2005 een tweede ontslagvergoeding heeft ontvangen.
(26 februari 1999) tot de pensioengerechtigde leeftijd van de man, welk bedrag vermenigvuldigd dient te worden met het aantal huwelijksmaanden vanaf 26 februari 1999 tot de peildatum (10 augustus 2016) en verminderd dient te worden met het bedrag van
NLG 326.487,95 en verminderd dient te worden met de latente belastingclaim op de uitkeringen uit de lijfrentepolis. Hierbij gaat de rechtbank, bij gebrek aan gegevens er vanuit dat voornoemd bedrag van NLG 326.487,95 voor de peildatum reeds is opgesoupeerd dan wel dat partijen er rekening mee houden dat dit bedrag niet dubbel in de verdeling zal worden betrokken. Voor zover de ontslagvergoeding blijkens voornoemde berekening ziet op de periode ná de peildatum zijn deze naar maatschappelijke normen op bijzondere wijze aan de man verknocht.
NLG 158.897 ter pensioenverbetering is toegekend, welk bedrag terstond is gestort in een lijfrentepolis bij [naam] (polisnummer [polisnummer] ).