ECLI:NL:RBNHO:2019:7132
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling WIA-dagloon na toepassing startersregeling WW
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin het WIA-dagloon is vastgesteld op basis van een verlaagde WW-uitkering door toepassing van de startersregeling. Eiser stelt dat deze verlaging niet in overeenstemming is met het loondervingsbeginsel en de redelijkheid en billijkheid, en wijst op een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep die bepaalde dat bepaalde WW-maatregelen buiten toepassing moeten blijven bij het vaststellen van het WIA-dagloon.
Verweerder stelt dat het dagloon correct is vastgesteld en dat de verlaging het gevolg is van een eigen keuze van eiser om gebruik te maken van de startersregeling, die geen punitieve sanctie inhoudt. De rechtbank overweegt dat zij niet bevoegd is om de billijkheid van de wet te toetsen en dat het dagloon conform wet- en regelgeving is vastgesteld.
De rechtbank verwijst naar jurisprudentie waarin is geoordeeld dat het loondervingsbeginsel niet wordt geschonden door het hanteren van het daadwerkelijk genoten WW-inkomen in de referteperiode. Daarnaast is bewust gekozen door de wetgever om geen garantiebepaling voor het WIA-dagloon op te nemen. De situatie van eiser is niet vergelijkbaar met gevallen waarin sprake was van punitieve sancties. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van het WIA-dagloon wordt ongegrond verklaard.