Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
de Belastingdienst/Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Het huis [adres 1] is het volle eigendom van [naam 1] en [naam 9] . Sinds 21 december 2016 wonen wij (…) in Litouwen (…) Ons huis in Nederland hebben wij aangehouden en nog niet verkocht omdat onze kinderen op dat moment nog geen eigen huisvesting hadden. Het huis werd bewoond en gehuurd door onze zoon [naam 8] (…) en zijn vriendin [naam 6] (…), terwijl onze tweede zoon [naam 5] een kamer huurde. Tot onze vreugde werd op [geboortedatum 2] ons kleinkind geboren. (…) Helaas is eind 2018 de relatie tussen [naam 8] en [naam 6] stuk gelopen en [naam 8] formeel (in feite al in december) op 17 januari naar zijn vriend in [plaats] vertrokken. (…) Voor ons reden om het huis voor minimaal een jaar aan [naam 6] te verhuren voor het symbolische bedrag van 1 euro.”
In het voorjaar ben ik met mijn vriend [naam 8] , geboren op [geboortedatum 3] naar Nederland gekomen en zijn wij bij zijn (stief)ouders op de [adres 1] gaan wonen. In hetzelfde huis woont zijn jongere broer [naam 5] , geboren [geboortedatum 4] (…). In 2016 verhuizen de stiefouders [naam 1] en [naam 9] naar Litouwen (….). Wij zijn met zijn drieën in het huis in [woonplaats] aan de [adres 1] blijven wonen. Er is daarbij de (informele) afspraak gemaakt dat wij alleen de gebruikerskosten als huur dienden te betalen. [naam 5] een derde en [naam 8] en ikzelf twee derde van de kosten.
Bij de interpretatie van met name artikel 3, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) moet de wetsgeschiedenis in ogenschouw worden genomen. Daarbij wordt niet alleen gesproken over een “onderhuursituatie” maar over een “(onder)huursituatie”. In de bedoeling van de wetgever ligt dus besloten dat ook een “huursituatie” daaronder kan vallen. Omdat in dit geval zowel [naam 5] als eiseres aantonen dat de woonsituatie tussen hen puur van zakelijke aard was en beiden dus een feitelijk gescheiden huishouding voeren, moeten zij in lijn met de bedoeling van de wetgever niet worden aangemerkt als (fiscale) partners. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder, van de Awir, moet dus zo worden gelezen dat ook in geval van een huursituatie sprake kan zijn van de in dat artikelonderdeel bedoelde uitzondering. Die uitzondering doet zich hier voor. Ook eerder was geen sprake van een gemeenschappelijke huishouding.
5.4. Dat er, naar [appellant] stelt, geen sprake was van een gezamenlijke huishouding is niet van belang voor de beantwoording van de vraag of sprake is van partnerschap als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2397) heeft de wetgever bij de vormgeving van het wettelijk partnerbegrip gekozen voor een regeling waarbij - uit oogpunt van een eenduidige uitvoering van de inkomensafhankelijke regelingen - op grond van objectiveerbare gegevens door de Belastingdienst/Toeslagen kan worden vastgesteld of een belanghebbende een partner heeft. De materiële toets of bij ongehuwd samenwonenden sprake is van een gezamenlijke huishouding is komen te vervallen (Kamerstukken II 2009/10, 32 130, nr. 3, blz. 26). Om dezelfde reden is ook de vraag of [persoon] wel of geen voordeel heeft genoten uit de huurovereenkomst niet relevant voor de beoordeling van het geschil.
Door deze inschrijving in de Brp op het adres [adres 1] heeft eiseres zelf een situatie gecreëerd die onder het bereik valt van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir. Voor zover eiseres stelt dat zij zich niet heeft gerealiseerd wat de gevolgen van deze inschrijvingen zijn voor de aanspraak op zorgtoeslag, doet dit hieraan niet af. De rechtbank overweegt in dit verband voorts dat niet is gebleken dat voorafgaand aan de adreswijziging van eiseres op 30 april 2019 sprake was van een onjuiste inschrijving in de Brp. De enkele stelling van eiseres dat zij samen met haar dochter en haar toenmalige partner feitelijk woonden op het adres [adres 2] , is, gelet op de overige processtukken en met name de schriftelijke ondubbelzinnig andersluidende mededelingen van eiseres, [naam 5] en [naam 1] , zonder onderbouwing uit objectieve bron, daartoe onvoldoende.
Beslissing
R. van der Vecht, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 16 juli 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.