Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 augustus 2020 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
- 846.000
Rechtbank Noord-Holland
Eiseres erfde aandelen in een vastgoedvennootschap die voornamelijk beleggingsvermogen beheert. De vraag was of de vennootschap een materiële onderneming dreef, zodat de bedrijfsopvolgingsregeling en voorwaardelijke vrijstelling erfbelasting van toepassing zijn.
De rechtbank concludeerde dat de werkzaamheden van de vennootschap niet meer omvatten dan normaal vermogensbeheer, zoals verhuur en onderhoud van bedrijfspanden. De door eiseres genoemde dagelijkse werkzaamheden werden niet aannemelijk gemaakt. Ook het behaalde rendement was niet hoger dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen bewuste standpuntbepaling van de Belastingdienst kon worden vastgesteld. Daarnaast werd geoordeeld dat de latente inkomstenbelastingschuld niet in hogere mate in aftrek kon worden gebracht.
Verder werd een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van het bezwaar en beroep. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde verweerder en de Minister van Justitie en Veiligheid tot betaling van schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de vennootschap geen materiële onderneming dreef en geen recht bestaat op de voorwaardelijke vrijstelling erfbelasting.