Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2021 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
€ 2.856
€ 2.856
HAA 20/3136)
de dagtekening van de aanslag IB/PVV is gelegen na aanvang van het jaar 2016, zodat mogelijk sprake zou kunnen zijn van een ambtelijk verzuim. De aangifte IB/PVV is digitaal ingediend, voorzien van een beconnummer of contactgegevens en in 2016 ontvangen. In dit specifieke geval is mijns inziens sprake van een ambtelijk verzuim”. Toegezegd wordt dat recht bestaat op € 261 kostenvergoeding voor bezwaar.
Geschil13. In geschil is of de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 terecht en tot de juiste hoogte aan eiser is opgelegd. Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 is in geschil de hoogte van de toegekende kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Voorts is in geschil op welk bedrag aan vergoeding voor immateriële schade recht bestaat.
een zo sterk vermoeden voor de onjuistheid van de aangifte (valt) te ontlenen, dat het nalaten van een onderzoek op dit punt (verweerder) als een ambtelijk verzuim kan worden aangerekend” (Hoge Raad 5 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW7841).
.Eiser heeft voor een bedrag van € 4.850 aan kosten voor diëten in aftrek gebracht. Eiser wijst op de door hem overgelegde dieetverklaringen voor de diëten gevolgd door hemzelf, zijn partner en hun zoon. Verweerder heeft een bedrag van € 2.850 in aftrek toegelaten, bestaande uit kosten voor diëten van eiser, zijn partner en zoon.
van € 1.800 door verweerder vergoed te worden en een bedrag van € 200 door de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid).
Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van schadevergoeding aan eiser van een bedrag van € 3.800 voor de overschrijding van de redelijke termijn;
- veroordeelt de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding van € 200 aan eiser voor de overschrijding van de redelijke termijn;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser voor een bedrag van € 1.496;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht € 73 (€ 49 voor 2013 en € 24 voor 2014) aan eiser te vergoeden, en
- draagt de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) het betaalde griffierecht van € 24 (2014) aan eiser te vergoeden.