Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 januari 2022 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Overboeking naar bankrekening [bank 2] € 44.000 +
AF: Kosten ivm verpakken en verzenden etc € 5.000 –
AF: MKB-winstvrijstelling € 38.765 –
AF: Inkoop € 265.483,86 –
* Omzet = (Ebay veilingen + directe verkopen) – (gedeeltelijke terugbetalingen) omzet ex btw
- Omzet € 277.118,82
- AF: Inkoopwaarde omzet € 231.093,91 –
Inkoop marge € 8.824,95
- In een e-mail van 6 juli 2020 heeft eiser herhaald dat hij inzage in de stukken wil en gehoord wil worden.
- Op 13 juli 2020 ontvangt de Belastingdienst een ingebrekestelling vanwege het niet tijdig beslissen op bezwaar.
- Op 13 juli 2020 nodigt de inspecteur eiser uit voor een telefonisch hoorgesprek op 16, 20 of 21 juli 2020.
- Eiser vraagt op 14 juli 2020 of hij dan ook inzage in het dossier kan krijgen.
- Op 14 juli 2020 schrijft de inspecteur dat vanwege het Coronavirus pas na 1 september 2020 inzage in het dossier mogelijk is en dat hij daarna gehoord kan worden, maar dat eiser dan wel zijn ingebrekestelling moet intrekken. Telefonisch horen kan wel eerder. Als eiser niet reageert zal de inspecteur binnen twee weken uitspraak op bezwaar doen.
- De uitspraak op bezwaar is op 22 juli 2020 gedaan.
Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen en vernietiging van de boete.
Verweerder heeft echter, zo is ter zitting bevestigd, totdat eiser in zijn e-mail van 6 juli 2020 nogmaals vroeg om inzage en om te worden gehoord, geen actie ondernomen om eiser in die gelegenheid te stellen. Ook daarna reageert verweerder niet direct op het hoorverzoek, maar pas nadat op 13 juli 2020 een ingebrekestelling vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser is ontvangen. De reactie van verweerder op 13 juli 2020 is dat telefonisch horen mogelijk is en dat eiser op drie tijdstippen kan bellen. Op 14 juli 2020 schrijft eiser dat hij ook gebruik wil maken van zijn recht op inzage en vraagt hij of het mogelijk is om inzage in zijn dossier te krijgen. Verweerder antwoordt dat inzage voorlopig niet mogelijk is en dat als eiser dat wel wil, hij zijn ingebrekestelling moet intrekken. Als eiser niet reageert dan zal verweerder ervan uitgaan dat eiser zijn ingebrekestelling handhaaft. Eiser heeft niet gereageerd.
Eiser heeft op de keuze die verweerder hem vervolgens gaf – geen snelle beslissing of geen inzage – niet gereageerd omdat hij, zo verklaarde hij ter zitting, niet binnen zo een korte termijn kon overzien wat de gevolgen van elk van beide keuzes waren. Verweerder heeft van zijn kant geen poging gedaan om hierover contact met eiser op te nemen en heeft uitspraak op bezwaar gedan zonder eiser te hebben gehoord of inzage te hebben gegeven. Dit terwijl uit een niet reageren niet zonder meer mag worden afgeleid dat van een verzoek om te worden gehoord is afgezien (Hoge Raad 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:59).
In het onderhavige geval kon verweerder dat uit het niet reageren niet afleiden. Verweerder kon uit het niet reageren op de laatste e-mail hoogstens afleiden dat eiser onder de aangeboden voorwaarden niet gehoord wilde worden. Te weten ofwel telefonisch en zonder voorafgaande inzage in het dossier, ofwel na intrekking van de ingebrekestelling.
In dit geval is eiser door de schending van het hoorrecht benadeeld. Ter zitting heeft eiser onweersproken gesteld dat hij delen van de in beroep door verweerder overgelegde stukken in bezwaar niet tot zijn beschikking had. En ook over de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan, zoals de hoogte van de kosten, bestond verschil van mening.Daarom kan de rechtbank aan de hiervoor bedoelde schending van het hoorrecht door verweerder niet voorbij gaan en ziet de rechtbank reeds hierom aanleiding om de uitspraken op bezwaar te vernietigen en verweerder te veroordelen in de proceskosten van beroep.
De rechtbank stelt voorop dat de aan een studie van de ondernemer zelf verbonden kosten niet ten laste van de winst komen, tenzij het bedrijfs- of beroepskosten betreft. Daarvan is geen sprake indien het gaat om kosten van scholing die er toe moet leiden dat de ondernemer zich een belangrijk grotere vakkennis verwerft en de studie aldus strekt tot een duurzame verbetering van zijn persoonlijke uitrusting (Hoge Raad 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN9069). De studie ligt niet op het gebied van de handel in elektronica, zodat er nadere argumenten nodig zijn om het verband met de onderneming te kunnen leggen en ondernemingskosten aanwezig te kunnen achten. Deze argumenten ontbreken. De rechtbank acht onvoldoende door eiser onderbouwd waarom deze studie niet enkel strekt tot een duurzame verbetering van zijn persoonlijke uitrusting. De opleidingskosten komen daarom niet in aftrek.
€ 16.000 en op 1 maart 2014 negatief loopt. Verder zijn er geen facturen en ook geen voorraadadministratie, zodat geen inzicht bestaat in de hoogte van de inkoopkosten van de goederen. Verweerder acht verder niet aannemelijk dat eiser voor alle goederen heeft betaald, omdat hij over uit diefstal verkregen goederen heeft beschikt.
- Omzet € 277.118,82
- AF: Inkoopwaarde omzet € 70.305,00 –
€ 9.403 –
€ 23.350 –
Op grond van artikel 6, derde lid, Awr kan iemand die in de bij ministeriële regeling omschreven omstandigheden verkeert, worden verplicht om binnen een te stellen termijn om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.
Op grond van artikel 2 Uitvoeringsregeling Pro Awr 1994 is de belastingplichtige die niet binnen zes maanden na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden de inspecteur binnen twee weken na het verstrijken van die termijn om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.
Een uitspraak in eerste aanleg is niet binnen een redelijke termijn gedaan als de rechtbank niet binnen twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In gevallen waarin meerdere zaken van één eiser gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd (Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).
De rechtbank zal verweerder veroordelen in de reiskosten die eiser heeft moeten maken om naar de zitting van de rechtbank te komen. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Bpb wordt het bedrag van deze kosten vastgesteld op de reiskosten per openbaar vervoer tweede klasse vanaf eisers adres in [woonplaats] naar de rechtbank in Haarlem retour, voor een totaalbedrag van € 14,84. Ook het betaalde griffierecht zal door verweerder aan eiser dienen te worden vergoed.
Beslissing
- verklaart het beroep in de zaak met nummer HAA 20/4848 ongegrond;
- verklaart het beroep in de zaak met nummer HAA 20/4847 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de navorderingsaanslag ib/pvv tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 143.432;
- bepaalt dat de belastingrente dienovereenkomstig verminderd wordt;
- vermindert de boete tot een bedrag van € 26.918;
- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde delen van de uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van € 500 schadevergoeding aan eiser voor de overschrijding van de redelijke termijn;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser voor een bedrag van € 14,84, en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.