Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 maart 2022 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
- Het kennisgroepstandpunt 18-209-0006 van de Kennisgroep Omzetbelasting Algemeen d.d. 13 november 2019;
- Het kennisgroepstandpunt 17-209-0010 van de Kennisgroep Omzetbelasting Algemeen d.d. 13 december 2017;
- Het kennisgroepstandpunt 16-209-0022 van de Kennisgroep Omzetbelasting Algemeen d.d. 9 oktober 2017.
Overwegingen
Tarief toegang tot escaperoom
Geschil10. In geschil of het ter beschikking stellen van karaoke booths is belast naar het verlaagde btw-tarief.Meer specifiek is in geschil of de karaoke booths zijn aan te merken als “andere dergelijke primair en permanent voor vermaak en dagreactie ingerichte voorzieningen” in de zin van post b14, letter g, van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) behorende tabel I. Niet in geschil is dat de onderneming niet is aan te merken als een attractiepark, speel- of siertuin en ook niet in geschil is dat sprake is van het verlenen van toegang in de zin van de post b14. Subsidiair is in geschil of eiseres ten aanzien van het verlaagde tarief een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel toekomt.
Stcrt. 2017, 72177, Toelichting Tabel I (het Besluit) genoemde escape room en ruimte om een film te bekijken met een virtual reality bril (VR-ruimte) waarvoor het verlaagde tarief wel kan gelden omdat deze zijn aan te merken als “primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorzieningen”. Ter zitting heeft eiseres zich verder op het standpunt gesteld dat verweerder de bestreden uitspraak op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en een additionele teruggaaf van omzetbelasting voor een bedrag van € 196,94.
X), punten 24 en 30).
alleprimair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorzieningen onder het verlaagde tarief, omdat het woord “dergelijke” in de tekst van Onderdeel g dan zinledig zou zijn. Ook punt 7 van Bijlage III van de Richtlijn kent een overeenkomstige begrenzing, aangezien dit punt 7 naast de specifiek opgesomde evenementen en voorzieningen het verlaagde tarief uitsluitend openstelt voor “soortgelijke” culturele evenementen en voorzieningen.
De aan het slot van letter g van post b.14 bedoelde voorzieningen zijn beperkt tot primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorzieningen die wat inrichting betreft op één lijn kunnen worden gesteld met attractieparken, speel- en siertuinen.”
In categorie 7 van bijlage H worden specifieke diensten opgesomd, waaronder het toegang verlenen tot musea en amusementsparken. Voorts worden in die richtlijnbepaling meer in het algemeen vermeld “soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen”. Deze laatste vermelding moet – naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is – aldus worden uitgelegd dat daaronder slechts die evenementen en voorzieningen zijn begrepen die in overwegende mate gelijkenis vertonen met de in dezelfde categorie specifiek aangeduide evenementen en voorzieningen.
De Hoge Raad heeft in zijn hiervoor in 1 vermelde arrest van 10 augustus 2012 geoordeeld dat de aan het slot van letter g van post b.14 van Tabel I bedoelde voorzieningen zijn beperkt tot primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorzieningen die wat inrichting betreft op één lijn kunnen worden gesteld met onder meer attractieparken en speeltuinen. Deze uitlegging strookt met categorie 7 van bijlage H bij de Zesde richtlijn, zoals in de vorige alinea uitgelegd.”
Phantasialandvan het HvJ EU van 9 september 2021 (ECLI:EU:C:2021:720) kan worden afgeleid dat het begrip “amusementspark” een autonoom Unierechtelijk begrip is dat op het grondgebied van de Unie uniform moet worden uitgelegd en dat dit begrip in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, maar strikt moet worden uitgelegd. De uitdrukking „amusementspark” duidt naar het oordeel van het HvJ EU op een ingericht terrein met verschillende voor ontspanning en vermaak bestemde installaties.
VR-ruimte als een primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorziening kwalificeren. Verweerder betwist dat aan het Besluit een dergelijk in rechte te honoreren vertrouwen ontleend kan worden. De escape room en VR-ruimte worden als voorbeeld genoemd om uitleg te geven aan het onderdeel “primair en permanent voor dagrecreatie” ingericht zijn van een voorziening. In het Besluit is niet gezegd dat deze gelegenheden kwalificeren voor het verlaagde tarief.
Beslissing
mr. M.M.W.D. Merkx, leden, in aanwezigheid van mr. T. van Opzeeland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2022.