ECLI:NL:RBNHO:2023:11258
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslagen en dwangsommen over jaren 2014-2016 wegens niet gedane aangifte en redelijke schatting
In deze bestuursrechtelijke procedure staat de rechtmatigheid van navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) over de jaren 2014 tot en met 2016 centraal. Eiser heeft voor 2014 geen aangifte gedaan en voor 2015 en 2016 nihil-aangiften ingediend, terwijl verweerder op basis van een FIOD-onderzoek en bewijsstukken aannemelijk heeft gemaakt dat eiser inkomsten heeft genoten die niet zijn aangegeven.
De rechtbank oordeelt dat voor 2015 en 2016 de bewijslast terecht wordt omgekeerd en verzwaard vanwege het niet doen van de vereiste aangifte. Voor 2014 is de bewijslast niet omgekeerd omdat eiser niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte. Verweerder heeft een redelijke schatting gemaakt van het inkomen op basis van een maandelijkse managementfee van € 8.000, wat door de rechtbank als aannemelijk wordt beschouwd. Eiser slaagt er niet in aannemelijk te maken dat de aanslagen onjuist zijn.
Daarnaast is in geschil of verweerder voor de verschillende jaren afzonderlijk een dwangsom verschuldigd is wegens niet tijdig beslissen op bezwaar. De rechtbank oordeelt dat de bezwaarschriften niet nagenoeg gelijktijdig zijn ingediend, zodat voor elk jaar een afzonderlijke dwangsom verschuldigd is. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van drie dwangsommen en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, evenals proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 2014-2016 worden gehandhaafd en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van drie dwangsommen en immateriële schadevergoeding.