Wesco IJmuiden B.V. verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met haar werknemer, [gedaagde], primair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, subsidiair wegens disfunctioneren, verwijtbaar handelen en cumulatiegrond. Wesco stelde dat de arbeidsverhouding zodanig verstoord was dat voortzetting niet van haar kon worden gevergd, mede vanwege jarenlang disfunctioneren van [gedaagde].
De kantonrechter oordeelde dat Wesco onvoldoende bewijs had geleverd voor een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. De belangrijkste stukken betroffen een brief uit 2013 met bezwaren over het functioneren van [gedaagde], waarop nooit een vervolgactie is genomen. Ook was er geen bewijs van structureel disfunctioneren of een verbetertraject. De vermeende verstoorde verhouding sinds de re-integratie werd toegeschreven aan de opstelling van Wesco, die onredelijk vasthield aan een eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden.
Wesco had de arbeidsovereenkomst willen wijzigen door de standplaats te verplaatsen naar Genemuiden en het salaris te verlagen, maar dit was niet redelijk en niet toegestaan zonder wijzigingsbeding. De kantonrechter concludeerde dat [gedaagde] niet gehouden was hiermee akkoord te gaan. De cumulatiegrond faalde eveneens omdat geen van de afzonderlijke gronden voldoende was onderbouwd.
De ontbindingsverzoek werd daarom afgewezen. Wesco werd veroordeeld tot wedertewerkstelling van [gedaagde] op de oorspronkelijke locatie in IJmuiden en tot betaling van het loon vanaf 22 november 2022. De proceskosten werden aan Wesco opgelegd. Verzoeken tot nabetaling van verlofuren en overige vergoedingen werden afgewezen wegens het niet ontbinden van de arbeidsovereenkomst.