Eiser heeft op 29 juli 2021 een Wob-verzoek ingediend voor informatie over 83 COVID-19 gerelateerde onderwerpen. Verweerder nam enkele deelbesluiten, maar besloot niet volledig binnen de wettelijke termijn. Eiser stelde verweerder in gebreke en startte een beroep wegens niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn is overschreden en dat verweerder het verzoek moet afhandelen volgens de Wet open overheid (Woo) die op 1 mei 2022 in werking trad. De rechtbank erkent bijzondere omstandigheden zoals de omvang van het verzoek, de hoge instroom van vergelijkbare verzoeken en beperkte capaciteit bij het ministerie, waardoor een langere termijn gerechtvaardigd is.
De rechtbank stelt een uiterste beslistermijn vast tot 1 januari 2024 en legt een dwangsom op voor overschrijding. Tevens vernietigt zij het besluit van 24 maart 2022 dat het bezwaar van eiser tegen een deelbesluit niet-ontvankelijk verklaarde. Het beroep tegen de deelbesluiten wordt verwezen naar verweerder ter behandeling als bezwaar.
Verweerder wordt verplicht het griffierecht en de reiskosten van eiser te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Holland op 14 maart 2023.