Uitspraak
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Eindhoven, verweerder.
Inleiding
mr. A. Wolkers (kantoorgenoot), [naam 1] (werkzaam bij eiseres), [naam 1] (werkzaam bij [bedrijf 1] ) en [naam 2] (werkzaam bij [bedrijf 1] ). Namens verweerder zijn verschenen mr. [naam 3] en mr. [naam 4] .
Overwegingen
1st of January 2004and shall be concluded for an unlimited period. (…)”
an item in transit with no influence on the profit-and-loss account.
Gelegenheid om uw standpunt kenbaar te maken
2. Overzicht bescheiden.
(…)”
- al onherroepelijk over de onderhavige zaken is beslist;
- de douaneschulden door betaling teniet zijn gegaan op grond van artikel 233, aanhef en letter a, van de Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: CDW);
- de bevoegdheid van verweerder om na te vorderen is verjaard;
- het verdedigingsbeginsel is geschonden;
- verweerder aan zijn bewijslast heeft voldaan;
- eiseres recht heeft op vergoeding van de proceskosten, griffierecht en immateriële schadevergoeding.
De eerdere utb’s zijn vernietigd wegens schending van het verdedigingsbeginsel, maar de douaneschuld is in stand gebleven. Verweerder voert voorts aan dat er in de jurisprudentie geen onderscheid is gemaakt tussen schending van het verdedigingsbeginsel met formele gevolgen en schending van het verdedigingsbeginsel met materiële gevolgen. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat de stelling van eiseres dat van geval tot geval moet worden bekeken wanneer een utb kan worden uitgereikt, zorgt voor willekeur en contra legem is.
Aangezien het DWU op 1 mei 2016 in werking is getreden en in de onderhavige procedure mogelijk bepalingen uit het CDW nog van toepassing zijn, neemt de rechtbank hieronder de relevante bepalingen uit beide verordeningen op.
De mededeling aan de schuldenaar moet plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. Deze termijn wordt geschorst door het instellen van een beroep in de zin van artikel 243 voor Pro de duur van de procedure van beroep.
(…)
3. De in de leden 1 en 2 bedoelde perioden worden opgeschort, indien:
a) overeenkomstig artikel 44 beroep Pro wordt ingesteld; dergelijke opschorting wordt toegepast vanaf de datum waarop het beroep is ingesteld en loopt voor de duur van de beroepsprocedure; of
b) de douaneautoriteiten de schuldenaar overeenkomstig artikel 22, lid 6, hebben medegedeeld op welke gronden zij voornemens zijn mededeling te doen van de douaneschuld; dergelijke opschorting wordt toegepast vanaf de datum van die mededeling tot het einde van de periode waarbinnen de schuldenaar in de gelegenheid wordt gesteld zijn standpunt kenbaar te maken.
(...)
De stelling van eiseres dat met verweerder is afgesproken dat zij op 11 juli 2017 moest reageren - wat daar ook van zij - maakt voorgaande niet anders. De navorderingstermijn wordt immers voor een periode van dertig dagen geschorst/opgeschort in dit geval tot en met 12 juli 2017. Nu verweerder de utb op 13 juli 2017 heeft uitgereikt, is de douaneschuld die is ontstaan door de aangifte van 19 maart 2004 tijdig aan eiseres meegedeeld en is daarom niet door verjaring teniet gegaan.
Als de bezwaar- en beroepsfase samen te lang hebben geduurd, vindt de toerekening als volgt plaats. De bezwaarfase heeft onredelijk lang geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een bedrag van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837 (drie samenhangende zaken, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5 voor het gewicht van de zaak nu verweerder en de Staat slechts worden veroordeeld in de proceskosten van eiseres omdat aan haar een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend (vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660)). Overeenkomstig eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 zullen verweerder en de Staat om redenen van eenvoud elk de helft van deze kosten dienen te vergoeden. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder en de Staat op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht van € 354 op gelijke wijze te vergoeden.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiseres van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade van eiseres, vastgesteld op een bedrag van € 1.909;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan eiseres van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op een bedrag van € 2.091;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 418,50;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 418,50;
- draagt verweerder op de helft van het betaalde griffierecht ten bedrage van € 177 te vergoeden;
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op de helft van het betaalde griffierecht ten bedrage van € 177 te vergoeden.