Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2023 in de zaken tussen
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoorn, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
[…]
3.1 De man is eigenaar van het pand [adres] te [woonplaats]. Partijen zijn overeengekomen dat de vrouw het huurrecht van deze woning van de man verkrijgt om niet, gedurende 12 jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De bijtelling van het huurwaardeforfait ten laste van de vrouw is meegerekend bij de vaststelling van het bruto alimentatiebedrag.”
De rechtbank constateert dat voor inkomensbestanddelen waarover ten onrechte geen belasting is geheven zoals in dit geval, een navorderingstermijn geldt van vijf jaar na afloop van het belastingjaar. Over de belastingjaren 2015, 2016, 2017 en 2018 is op 4 juli 2020 nagevorderd en dat is dus (ruimschoots) binnen de vijfsjaarstermijn. Eiseres heeft daarom niet te lang in onzekerheid moeten verkeren over de definitieve afdoening, aangezien voor onderhavige gevallen nu eenmaal aanvaardbaar is geacht dat te weinig geheven belasting binnen die vijfjaarstermijn nagevorderd kan worden. Verder zijn aan eiseres op 28 april 2020 vragen gesteld en heeft zij na correspondentie over en weer, waarin eiseres de navordering op zich terecht achtte maar alleen het nieuwe feit opwierp als beletsel, de navorderingsaanslagen op 4 juli 2020 ontvangen. Zo eiseres al eerder op de hoogte was dat aan de heer [naam] vragen waren gesteld over de betaalde alimentatie omdat de bedragen van eiseres en de heer [naam] niet met elkaar spoorden, had zij ook zelf kunnen constateren en aan de Belastingdienst kunnen melden dat zij te weinig inkomsten had opgegeven om zo het eventuele opleggen van de navordering te bespoedigen. De door de Belastingdienst gekozen werkwijze en het verloop daarvan in de tijd, geven onvoldoende grond voor de constatering dat er onzorgvuldig is gehandeld doordat de navordering onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank komt tot het oordeel dat geen algemeen rechtsbeginsel is geschonden.
Eiseres betwist dat haar grove schuld kan worden verweten. Zij voert daartoe aan dat zij niet fiscaal geschoold is en weliswaar wellicht onachtzaam is geweest door de door de heer [naam] betaalde bedragen aan inkomstenbelasting en Zvw, alsmede het bij te tellen woningforfait niet in haar aangifte te vermelden, maar dat niet sprake is van in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid.
€ 2.000 op haar bankrekening, zoals zij die in haar aangifte heeft opgegeven. Eiseres heeft door niet meer dan de maandelijkse € 2.000 op te geven naar het oordeel van de rechtbank alleen daarom al veel te lichtvaardig en dermate ernstig verwijtbaar gehandeld dat de inspecteur haar terecht grove schuld verwijt, aangezien haar gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven of betaald. Het verschil tussen het overeengekomen en in de aangifte opgegeven bedrag is groot en er is geen fiscale kennis voor nodig om te begrijpen dat er dus iets in haar aangifte miste. Daarbij komt nog dat eiseres naast het echtscheidingsconvenant, maar wel in het kader van de echtscheiding nog de afspraak met de heer [naam] heeft gemaakt dat hij de bedragen van de aanslagen aan ib/pvv en Zvw voor eiseres zou betalen. Ook dit zijn grote bedragen. Zoals de gemachtigde op de zitting heeft erkend, heeft eiseres deze aanslagen doorgestuurd aan de heer [naam]. Ook hiervoor geldt dat eiseres veel te lichtvaardig heeft gehandeld door deze bedragen, die de heer [naam] voor haar betaalde, niet in haar aangifte bij de alimentatie te vermelden. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank overtuigend aangetoond dat sprake is van grove schuld aan de zijde van eiseres, omdat haar een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid kan worden verweten. De vergrijpboetes zijn terecht opgelegd en naar de juiste hoogte; van afwezigheid van alle schuld of gronden voor matiging is niet gebleken. De rechtbank acht de boetes passend en geboden.
Beslissing
mr. M.L. Berkhof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2023.