Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd wegens vermeend handelen in strijd met een geslotenverklaring. Betrokkene stelde beroep in en de zaak werd behandeld op 16 januari 2024. De officier van justitie erkende dat de gedraging onvoldoende vaststond omdat de foto van de overtreding ontbrak. De kantonrechter volgde dit standpunt en verklaarde het beroep gegrond, waarbij de boete werd vernietigd.
De kantonrechter wees tevens de proceskosten toe aan betrokkene, vastgesteld op € 875,00. De gemachtigde van betrokkene verzocht om betaling van deze kosten aan hem, maar dit verzoek werd afgewezen omdat de wet bepaalt dat uitbetalingen alleen aan de betrokkene zelf kunnen plaatsvinden.
De gemachtigde voerde aan dat de wettelijke regeling over proceskosten in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel. De kantonrechter verwierp dit betoog, stellende dat toetsing van de wet aan het discriminatieverbod niet mogelijk is en dat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het onderscheid in proceskostenregelingen binnen bestuursrechtelijke procedures.
De uitspraak bevestigt dat de boete onterecht was opgelegd, dat proceskosten aan betrokkene worden toegekend maar niet aan diens gemachtigde, en dat de wettelijke regeling niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel of internationale verdragen.