In deze bestuursrechtelijke zaak betwistten betrokkenen de door de gemeente Oostzaan opgelegde bestuurlijke boete van €100 voor het negeren van het verbod op sluipverkeer in de Kerkstraat. De boete was gebaseerd op artikel 154b van de Gemeentewet en gemeentelijke verordeningen. De kantonrechter gaf een voorlopig oordeel dat de gemeente niet bevoegd is deze boete aan kentekenhouders op te leggen, omdat artikel 154b Gemeentewet geen grondslag biedt voor boetes in het kader van verkeershandhaving.
De kantonrechter wees erop dat de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), de Wegenverkeerswet 1994 en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) de exclusieve wettelijke basis vormen voor het opleggen van boetes voor overtredingen zoals geslotenverklaringen. Gemeentelijke verordeningen mogen niet in strijd zijn met deze hogere regelgeving. De APV-bepaling en de Verordening bestuurlijke boete van Oostzaan zijn volgens de kantonrechter onverbindend en ongeldig omdat zij hetzelfde onderwerp regelen als de hogere verkeerswetgeving en daarmee in strijd zijn.
Verder oordeelde de kantonrechter dat het opleggen van boetes aan kentekenhouders niet is toegestaan onder artikel 154b Gemeentewet, omdat dit artikel niet voorziet in kentekenaansprakelijkheid voor verkeershandhaving. Ook het gebruik van kentekenherkenning in het verkeersbesluit kan de bevoegdheid tot boeteoplegging aan kentekenhouders niet rechtvaardigen.
De kantonrechter concludeerde dat de gemeente Oostzaan niet bevoegd is om bestuurlijke boetes op te leggen voor overtreding van de geslotenverklaring en dat de betreffende APV-bepaling en verordening ongeldig zijn. Partijen krijgen vier weken de tijd om op dit voorlopig oordeel te reageren, waarna de kantonrechter een definitieve uitspraak zal doen.