ECLI:NL:RBNHO:2025:14112

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
HAA 25/4390 en HAA 25/2954
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag urgentieverklaring voor sociale huurwoning door gemeente Haarlemmermeer

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland, gedateerd 1 december 2025, wordt de afwijzing van een aanvraag om een urgentieverklaring voor een sociale huurwoning door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer behandeld. Eisers, een jong gezin uit Nieuw-Vennep, hebben bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van hun aanvraag, die was gebaseerd op de stelling dat zij met hun pasgeboren baby in een onhoudbare woonsituatie verkeren. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen, omdat er sprake is van algemene weigeringsgronden zoals vastgelegd in de Huisvestingsverordening. De voorzieningenrechter concludeert dat eisers niet voldoen aan de criteria voor een urgent huisvestingsprobleem en dat de hardheidsclausule niet van toepassing is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak benadrukt dat het aan de aanvrager is om aan te tonen dat er sprake is van een schrijnende situatie die een urgentieverklaring rechtvaardigt, wat in dit geval niet is aangetoond. De uitspraak is openbaar gemaakt op 1 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 25/4390 (voorlopige voorziening) en HAA 25/2954 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 december 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit Nieuw-Vennep, eisers

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, het college
(gemachtigde: S. Bhagwandin).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om een urgentieverklaring voor een woning te krijgen. Eisers zijn het niet eens met de handhaving van de afwijzing van de aanvraag. Zij hebben daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voeren een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de urgentieverklaring heeft mogen afwijzen omdat sprake is van een algemene weigeringsgrond en dat het college heeft kunnen afzien van toepassing van de hardheidsclausule. Ook is geen sprake van overige bijzondere omstandigheden die ertoe leiden toch een urgentieverklaring toe te kennen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Bij besluit van 6 februari 2025 heeft het college geweigerd aan eisers een urgentieverklaring te verlenen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 2 mei 2025 (HAA 25/1392) heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.
2.1. Met het bestreden besluit van 26 juni 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, bijgestaan door hun gemachtigde en vergezeld door de ouders van eiseres en de vader van eiser. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Standpunten

3. Eisers hebben op 6 november 2024 een aanvraag voor een urgentieverklaring ingediend om met voorrang in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning. Eisers hebben als redenen opgegeven dat zij een jong gezin zijn dat samen hun baby wil opvoeden. Door het besluit worden zij, zo voeren zij aan, daarin ernstig belemmerd en wordt de vader een kans ontnomen om een band op te bouwen met het kind terwijl dat in de eerste fase voor het kind heel belangrijk is.
4.
Eiseres woonde ten tijde van het bestreden besluit en daaraan voorafgaand bij haar ouders in. Dit betreft een koopwoning met vier slaapkamers, waarvan eiseres de zolderkamer tot haar beschikking had. Eiseres is in mei 2025 bevallen van een dochter. Eisers stellen dat de kamer te klein is voor haar en de baby. Eiseres heeft een jonger broertje met autisme voor wie haar ouders mantelzorg dragen. Eiser woonde eerst bij zijn vader en is na de geboorte van de baby ook in de woning van de ouders van eiseres gaan wonen. De woning van de vader van eiser is, aldus eisers, ook te klein om gezamenlijk te wonen.
5.
Het college heeft de weigering om een urgentieverklaring te verlenen gebaseerd op de volgende gronden. Er sprake is van algemene weigeringsgronden, omdat eisers niet voldoen aan het gestelde in artikel 2.9.5, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Huisvestingsverordening [1] in samenhang met 2.2 van de Beleidsregel [2] . Zoals omschreven in 2.2. van de Beleidsregel is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem als het huishouden van aanvrager te klein is behuisd. Dit is volgens het college hier het geval. Daarnaast wijst het college erop dat eisers het woonprobleem kunnen oplossen door gebruik te maken van twee eengezinswoningen, te weten de woning van de ouders van eiseres en de woning van de vader van eiser. Het college heeft in de persoonlijke omstandigheden van eisers geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen. Voorts is er geen sprake van overige bijzondere omstandigheden die ertoe leiden om toch een urgentieverklaring toe te kennen.
6. Eisers betogen dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Op hetgeen zij in dit verband naar voren hebben gebracht gaat de voorzieningenrechter hieronder in.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

7. De voor de beoordeling belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
8. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarom doet de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar tevens op het beroep.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de urgentieverklaring op goede gronden heeft geweigerd en acht daartoe het volgende van belang.
De ondertekening van het besluit
10. Eisers hebben aangevoerd dat het bestreden besluit niet gehandhaafd kan blijven, omdat het niet is ondertekend. Zij kunnen hierdoor niet controleren of dat besluit door een bevoegd orgaan is genomen. Zij onderkennen dat de ondertekening van een besluit geen wettelijk vereiste is, maar wijzen erop dat de wetgever er wel vanuit is gegaan dat een besluit in beginsel moet zijn ondertekend, wat bijvoorbeeld uit artikel 10:11 van de Awb volgt. Eisers hebben in dit verband ook gewezen op een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 februari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:648.
11. De voorzieningenrechter stelt op basis van de gedingstukken vast dat, zoals namens het college ook is verklaard, het bestreden besluit is verzonden per post en per e-mail. Eisers hebben niet ontkend het bestreden besluit te hebben ontvangen. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat deze niet met een handtekening is ondertekend, maar wel onderaan is vermeld “namens de burgemeester en wethouders (…)” en vervolgens de naam met functievermelding van de teammanager juridische zaken staat vermeld. De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande geen grond om er in dit geval aan te twijfelen dat het bestreden besluit geautomatiseerd, althans elektronisch, is aangemaakt en namens het college door de behandelend ambtenaar is verzonden. De voorzieningenrechter overweegt dat daarmee aan eisers, anders dan zij stellen, een besluit is verzonden dat te controleren valt. Daargelaten of de ondertekening in casu voldoet aan de eisen van een digitale handtekening, betekent de enkele omstandigheid dat een ondertekening ontbreekt, in een geval als hier aan de orde waarbij sprake is van een geautomatiseerd aangemaakte brief, niet dat daaraan het besluitkarakter moet worden ontzegd [3] . De omstandigheid dat niet met een zogenoemde natte handtekening is ondertekend, betekent niet dat het besluit geen rechtsgevolg heeft. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Algemene weigeringsgronden
12. Eisers hebben geen gronden aangevoerd tegen de algemene weigeringsgrond dat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem in de zin van de Huisvestingsverordening en de Beleidsregel. De gemachtigde van eisers heeft op de zitting desgevraagd bevestigd dat de beroepsgronden slechts gericht zijn op de hardheidsclausule. Nu op grond van het beleid de aangevraagde urgentie wordt geweigerd als zich ten minste één weigeringsgrond voordoet zal de voorzieningenrechter de bespreking van de weigeringsgrond dat eisers het huisvestingsprobleem op een andere wijze kunnen oplossen verder niet in de beoordeling betrekken.
Zorgvuldig onderzoek
13. Eisers hebben aangevoerd dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming, omdat het advies van de arts van Argonaut van 13 januari 2025 nooit aan hen is verstrekt en zij daarop ook niet hebben kunnen reageren. Voorts is het gegeven dat er op 13 januari 2025 een mondeling advies is gegeven op zich onzorgvuldig, omdat dit nu op geen enkele wijze te controleren is, aldus de stelling van eisers. Het onderzoek door de arts van Argonaut in de bezwaarfase is ook onzorgvuldig, omdat daaruit op geen enkele wijze blijkt dat de arts het feit dat de baby is geboren op enige (kenbare) wijze bij haar overwegingen heeft betrokken en ook niet duidelijk is hoe de verklaring van de huisarts, die wél pleit voor urgentie, is betrokken. Verder wijzen eisers erop dat in het schrijven van 18 maart 2025 wordt aangegeven dat tijdens een hoorzitting de medische situatie door een medisch adviseur wordt beoordeeld, maar daarvan is niet gebleken, zodat van een deugdelijk onderbouwd medisch advies geen sprake is.
14. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het medisch advies uit de aanvraagfase wel aan eisers is verstrekt. Dit advies is volgens het college uitvoerig ter sprake gekomen tijdens de ambtelijke hoorzitting. Verder stelt het college dat er geen objectief verifieerbaar (medisch) bewijs is overgelegd dat het college kon voorleggen aan een (medisch) deskundige.
15. Uit vaste rechtspraak volgt dat het bestuursorgaan, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige een medisch advies is uitgebracht, dit advies mag betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, indien het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld. Het college moet zich ervan vergewissen of het advies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Dat betekent dat er bijvoorbeeld geen tegenstrijdigheden in het advies mogen staan en dat de conclusies van het advies logisch volgen op wat er daarvoor is vastgesteld. Het is aan eisers om met argumenten aan te geven waarom de inhoud van een advies onjuist is of waarom er iets anders mis mee is. Dit kunnen zij onderbouwen met stukken en eventueel met een advies van een andere deskundige (een contra-expertise).
16. In het primaire besluit staat:
“(…)
Mondeling advies arts Argonaut d.d. 13 januari 2025Bij de vergadering van de urgentiecommissie is altijd een onafhankelijk arts van Argonaut aanwezig, mevrouw J. Tanackov in dit geval. De arts concludeert dat er bij u al jaren sprake is van astma. Hiervoor staat u onder controle bij een longarts. De arts geeft aan dat er geen medische noodzaak is voor verhuizen op korte termijn op grond van de aangeleverde stukken en beschreven woonsituatie, Verder is stress over de toekomst geen medische grond op basis waarvan urgentie wordt verstrekt. (…)”
17.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de overgelegde stukken blijkt dat in het primaire besluit het mondelinge advies van de arts van Argonaut van 13 januari 2025 is weergegeven en dat de inhoud van het advies eveneens is vermeld in het aanvullende advies van 18 maart 2025 naar aanleiding van het bezwaarschrift. Ook blijkt uit de stukken dat het aanvullende advies op 1 april 2025 per e-mail aan eiseres is gestuurd. Daarmee was het medisch advies dat mede aan de besluitvorming ten grondslag is gelegd naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende kenbaar en controleerbaar. Dat in de aanvraagfase een mondeling advies is gegeven, is gebruikelijk [4] en de voorzieningenrechter ziet hierin geen onzorgvuldigheid.
17.2. Verder is bij de beoordeling van belang dat in het aanvullend advies van 18 maart 2025 de arts van Argonaut, J. Tanackov, het volgende heeft opgenomen:
“(…)Betrokkene heeft bezwaar ingediend tegen de negatieve beschikking van 06. Februari 2025. De beschikking en het bezwaarschrift zijn bestudeerd. Er zijn bij het bezwaarschrift geen nieuwe medische stukken aangeleverd.(…) Op basis van de aangeleverde informatie is sprake van longproblematiek. Er werd op basis van de aangeleverde stukken geen ernstige medische problematiek vastgesteld die een verhuizing naar een andere woning op korte termijn (binnen 3-6 maanden) noodzakelijk maken. Er zijn tevens behandelmogelijkheden. Er is inmiddels geen aanvullende medische documentatie ingediend. Op basis van de momenteel beschikbare gegevens concludeer ik dat er geen aanleiding is tot het aanpassen van het eerder afgegeven mondeling medisch advies.”
17.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich op het medisch advies van Argonaut mocht baseren. Niet is gebleken dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek of dat de situatie van eisers niet is beoordeeld door een arts. Uit het aanvullend advies van 18 maart 2025 volgt dat de medische situatie van eisers, voor zover deze bekend was, is beoordeeld door een keuringsarts van Argonaut aan de hand van de beschikbare informatie. De voorzieningenrechter volgt eisers niet in hun standpunt dat het college de arts had moeten verzoeken nader onderzoek te doen. Daarvoor bestond geen aanleiding omdat eisers geen medische stukken hebben ingediend. De arts beoordeelt of er een medische noodzaak is voor verhuizen op korte termijn op grond van de aangeleverde stukken en beschreven woonsituatie. De enkele omstandigheid dat de baby is geboren, is niet een medisch gegeven op zich dat moet worden beoordeeld door de medisch adviseur. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter eerst anders als er een aanknopingspunt is dat de geboorte van de baby maakt dat sprake was van een medische noodsituatie als er niet op korte termijn wordt verhuisd. Het is in eerste instantie aan eisers om dit aannemelijk te maken. Daarin zijn eisers volgens Argonaut en het college niet geslaagd en de voorzieningenrechter kan die conclusie, bij gebreke van medische stukken waaruit kan blijken dat sprake is van een zodanige noodsituatie, volgen. Dat er geen arts bij de ambtelijke hoorzitting aanwezig was, terwijl in het medisch advies van 18 maart 2025 staat “ (…)Tijdens een hoorzitting wordt de medische situatie door de medisch adviseur beoordeeld (…)”, maakt het onderzoek evenmin onzorgvuldig. De gemachtigde van het college heeft ter zitting uitgelegd dat deze zin ziet op de aanwezigheid van een arts bij de urgentiecommissievergadering en niet op de hoorzitting. Ook overigens valt nergens uit af te leiden dat een arts bij de ambtelijke hoorzitting aanwezig zal zijn. Verder is van belang dat eisers in de bezwaarprocedure een brief van de huisarts van 27 mei 2025 hebben overgelegd. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het bestreden besluit volgt dat dit stuk is betrokken bij de bezwaarprocedure. Het college heeft hierover in het bestreden besluit overwogen dat dit bericht niet is voorgelegd aan de medisch adviseur voor een nader medisch advies omdat dit bericht geen aanvullende inhoudelijke medische informatie bevat. De voorzieningenrechter volgt het college hierin. Uit dit stuk van de huisarts volgt namelijk weliswaar dat de huisarts pleit voor urgentie op basis van de medische gronden bij eiseres en in verband met zorgen over de woonsituatie voor de pasgeboren baby, maar dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende concreet om te concluderen dat sprake is van een medische noodsituatie als er niet op korte termijn wordt verhuisd. Deze brief heeft het college daarom niet als reden hoeven zien om toch urgentie te verlenen. Verder hebben eisers geen nieuwe informatie overgelegd die een ander licht werpt op de situatie. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Hardheidsclausule
18. Eisers hebben voorts aangevoerd dat het college is voorbijgegaan aan de opdracht uit rechtsoverweging 12 van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 mei 2025. Daarvoor wijzen eisers erop dat geen huisbezoek heeft plaatsgevonden. Eisers stellen verder dat het college ten onrechte heeft nagelaten om de belangen van de baby te duiden en op kenbare wijze bij de besluitvorming te betrekken. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 2 mei 2025 uitdrukkelijk overwogen dat aan het belang van het kind zwaarwegend belang toekomt, en eisers hebben ook verwezen naar de artikelen 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de procedure El Ghazet v. Switzerland. Ook is volgens eisers ten onrechte de druk in het gezin wanneer zij met zes personen in de woning verblijven niet bij de besluitvorming betrokken. Met de persoonlijke omstandigheden van het gezin is op geen enkele wijze rekening gehouden. Zo is duidelijk aangegeven dat de ouders van eiseres als mantelzorgers de zorg hebben voor hun autistische zoon. Een baby in de te drukke woning is niet bevorderlijk voor zijn gezondheid en welzijn. Bij een huisbezoek had het college ook dit kunnen beoordelen. Ter zitting hebben eisers laten weten dat zij na de geboorte van de baby noodgedwongen rond september 2025 zijn verhuisd naar de woning van de vader van verzoeker. Daaraan zitten praktisch ook veel belemmeringen en het gaat ten koste van de gezondheid van de vader van eiser, aldus eisers. Ook bij de vader van eiser kunnen eisers niet verblijven. De vader heeft COPD en kan na een slechte nachtrust niet functioneren. Met een baby in huis zal hij niet voldoende nachtrust krijgen. Eisers verwijzen naar een verklaring van de huisarts van 22 oktober 2025. Dit nog afgezien van het feit dat de woning van de vader niet geschikt is. Eisers stellen dat sprake is van een onhoudbare situatie en hebben eveneens verwezen naar een schrijven van de ouders van eiseres.
19. Het college heeft eisers bij e-mail van 26 mei 2025 bericht dat de omstandigheden, nu de baby is geboren, gewijzigd zijn en hen daarom onder andere verzocht om plattegronden van de woningen, een routebeschrijving tussen de beide woningen, foto’s en filmpje van de ruimte waar eiseres en de baby nu verblijven en een concrete uiteenzetting van de huidige leefsituatie van eisers, de familie van eisers en de baby. Verder staat in deze e-mail:
“- als u vindt dat u en de baby in een acute noodsituatie zitten: een toelichting met, als mogelijk, bewijsstukken;
- als u vindt dat u en de baby in een levensontwrichtende woonsituatie zitten (ernstige bedreiging van de lichamelijke en/of sociale-psychische gezondheid als gevolg van de woonsituatie): een toelichting, als mogelijk voorzien van bewijsstukken.”
20. Als uitgangspunt bij de beoordeling geldt dat het toepassen van de hardheidsclausule een discretionaire bevoegdheid van het college is die door de voorzieningenrechter terughoudend moet worden getoetst. Alleen in uitzonderlijke situaties, waarin overduidelijk is dat toewijzing van een zelfstandige woonruimte op een zo kort mogelijke termijn dient plaats te vinden, omdat het langer voortduren van de bestaande situatie om medische, psychosociale of maatschappelijke redenen onverantwoord is, dient de hardheidsclausule toegepast te worden.
Het is vaste rechtspraak dat het aan de aanvrager is om aannemelijk te maken dat sprake is van een schrijnende situatie of een omstandigheid die tot verlening van de urgentieverklaring noopt. [5]
21.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college door het beoordelen van de door eisers naar aanleiding hiervan verstrekte informatie, zoals de plattegronden van beide eengezinswoningen en door het bekijken van de opgenomen videobeelden, de woonruimte voldoende in ogenschouw genomen. De voorzieningenrechter leest in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 mei 2025, anders dan eisers, niet dat het onderzoek naar de woonruimte uitsluitend door een huisbezoek kan plaatsvinden. Ook door het beoordelen van plattegronden, foto’s en een video kan de woonruimte ter plaatse in ogenschouw worden genomen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat een huisbezoek ook een momentopname is en een subjectieve beleving oplevert.
21.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers niet in aanmerking komen voor een urgentieverklaring op grond van de hardheidsclausule. De door eisers naar voren gebrachte omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel. Hoewel volstrekt duidelijk is dat de huidige woonsituatie verre van ideaal is voor eisers en hun dochter, is de voorzieningenrechter met het college van oordeel dat ten tijde van de besluitvorming geen sprake was van de situatie waarbij de lichamelijke en/of sociaal-psychische gezondheid van eisers en/of de baby aantoonbaar werd bedreigd als gevolg van de huidige woonsituatie. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het hier gaat om de belangen (en klachten) van eisers, als aanvragers, en niet om die van haar familieleden. Het college hoeft daarbij niet de stukken van de huisarts over de gezondheid van hun familieleden te betrekken. [6] Wat betreft de druk binnen het gezin met zes personen én de omstandigheid dat de ouders van eiseres als mantelzorgers de zorg hebben voor hun autistische zoon, geldt dat dit op zichzelf onvoldoende is om toepassing van de hardheidsclausule te rechtvaardigen. Dat zou anders zijn als er een aanknopingspunt is om te komen tot de conclusie dat het langer voortduren van de bestaande situatie om medische, psychosociale of maatschappelijke redenen onverantwoord is. Daarvan is uit de overgelegde (medische) informatie niet, althans onvoldoende, gebleken. Het college heeft terecht gewezen op jurisprudentie [7] , waaruit volgt dat een te drukke woonsituatie, mede door een baby, geen geslaagd beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigt. Dat de lichamelijke en/of sociaal-psychische gezondheid van eisers en/of hun kindje wordt bedreigd als gevolg van de woonsituatie is niet, althans onvoldoende, aangetoond. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Bijzondere omstandigheden
22. Gelet op het voorgaande kan de voorzieningenrechter het college ook volgen in het standpunt dat er geen sprake is van overige bijzondere omstandigheden die ertoe leiden toch een urgentieverklaring toe te kennen en ook geen sprake van bij de vaststelling van de Huisvestingsverordening onvoorziene omstandigheden die, gelet op het doel van de Verordening, redelijkerwijs toch een grond voor de toekenning kunnen zijn. Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.
Moment van beoordeling
23. Eisers hebben ter zitting verklaard dat zij in september 2025 naar de woning van de vader van eiser zijn verhuisd en hebben in dit verband gewezen op de verklaring van de huisarts van de vader van eiser van 22 oktober 2025. De voorzieningenrechter stelt vast dat deze omstandigheden en de verklaring van de huisarts, nog niet aanwezig waren op het moment dat het college het bestreden besluit nam. De voorzieningenrechter toetst het bestreden besluit echter naar de stand van zaken op het moment van het bestreden besluit. Feiten en omstandigheden van ná die datum, worden niet bij de beoordeling betrokken.

Conclusie en gevolgen

24. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Huisvestingsverordening gemeente Haarlemmermeer 2022
Artikel 2.9.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring
1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:(…)
b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;
c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;(…)
Artikel 2.9.11 Bijzondere omstandigheden
Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om in bijzondere omstandigheden toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:
a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
Artikel 4.3 Hardheidsclausule
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.
Beleidsregel Urgentieregeling gemeente Haarlemmermeer 2023
2. Algemene weigeringsgronden2.1 Inleiding
Doet zich ten minste één weigeringsgrond voor, dan wordt de aangevraagde urgentie geweigerd.
2.2
Uitwerking algemene weigeringsgronden (artikel 2.9.5 lid 1 Huisvestingsverordening)
Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:(…)
b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem
Er kan sprake zijn van een urgent huisvestingsprobleem als het huishouden van aanvrager dakloos is of zeer binnenkort dakloos zal worden. Met dakloosheid wordt gelijkgesteld de situatie waarin het huishouden van aanvrager naar het oordeel van burgemeester en wethouders als gevolg van een probleem met de huisvesting redelijkerwijs geen gebruik meer geacht wordt te kunnen maken van de tot dan toe bewoonde woning. In de volgende gevallen is op zichzelf staand geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem:
- de huidige woning verkeert in slechte staat;
- het huishouden van aanvrager is te klein of te groot behuisd;
- de aanvrager is als gevolg van medische klachten niet meer in staat om de huidige woning zelf te onderhouden;
- de aanvrager wil of moet vanwege zijn werk naar de regio verhuizen;
- de aanvrager woont op dit moment bij een ander huishouden in;
- de aanvrager gaat scheiden of is gescheiden maar bewoont nog met de (ex-)partner één woning;
- de aanvrager bewoont of bewoonde woonruimte op grond van een tijdelijke huurovereenkomst.
c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen
Hiervan is in ieder geval sprake als:
- de aanvrager er niet alles wat redelijkerwijs tot zijn mogelijkheden behoort, heeft gedaan om het huisvestingsprobleem te voorkomen of op te lossen;
- in de twee jaar direct voorafgaand aan zijn aanvraag aanvrager een urgentie heeft gekregen voor hetzelfde huisvestingsprobleem als dat nu aan zijn aanvraag ten grondslag ligt;
- de aanvrager in de periode dat aannemelijk werd dat hij een huisvestingsprobleem zou krijgen niet zo vaak als mogelijk heeft gereageerd op het woningaanbod van een corporatie, terwijl dit mogelijk het woonprobleem had kunnen oplossen, en/of aanbod heeft geweigerd;(…).

Voetnoten

1.Huisvestingsverordening gemeente Haarlemmermeer 2022.
2.Beleidsregel Urgentieregeling gemeente Haarlemmermeer 2023.
3.Uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2020 en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 maart 2023, ECLI:NLRVS:2023:958.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1717.
5.Zie bv de uitspraak van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2018:3829.
6.Uitspraak van 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1717, ro.6.
7.Uitspraak van 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1717.