ECLI:NL:CRVB:2017:2020
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bijstandsaanvragen en bevoegdheid college bij afwijzing en terugvordering
Appellant heeft meerdere keren bijstand aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders van Almere, waarbij het college de aanvragen heeft afgewezen wegens twijfel aan het hoofdverblijf van appellant op het opgegeven adres. Het college baseerde zich op onderzoek, waaronder huisbezoek, dossieronderzoek, getuigenverklaringen en waterverbruikgegevens.
De rechtbank verklaarde een besluit onbevoegd genomen wegens ondermandaat, maar het college herstelde dit gebrek. De Raad oordeelt dat de teamleider Juridische Zaken bevoegd was besluiten te nemen. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk op het opgegeven adres verbleef, mede door wisselende verklaringen en gebrek aan objectief bewijs.
De Raad bevestigt de afwijzing van de aanvragen en de terugvordering van een voorschot, hoewel het college ten onrechte geen hoorzitting hield bij bezwaar tegen terugvordering. Dit gebrek wordt gepasseerd vanwege het ontbreken van benadeling. De Raad vernietigt een uitspraak voor een deelperiode die niet is beoordeeld en beoordeelt deze zelf, waarbij het college het bezwaar ongegrond verklaart.
Ten slotte veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 16 mei 2017 door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt deels verworpen en deels gegrond verklaard; het college is bevoegd besluiten te nemen, de afwijzing van bijstand wordt bevestigd, en het college wordt veroordeeld in proceskosten.