ECLI:NL:RBNHO:2025:14822

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
HAA 22/2147 en 22/5437
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoeken en verlening omgevingsvergunning voor rijksmonument in Edam

Op 17 november 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in de zaken HAA 22/2147 en HAA 22/5437, waarin eiser, een eigenaar van een perceel in Edam, handhavingsverzoeken indiende tegen een derde-partij die een omgevingsvergunning had verkregen voor werkzaamheden aan een rijksmonument. Eiser was het niet eens met de afwijzing van zijn handhavingsverzoeken en de verleende omgevingsvergunning. De rechtbank oordeelde dat het college van burgemeester en wethouders de handhavingsverzoeken terecht had afgewezen, omdat er concreet zicht op legalisatie van de overtredingen bestond. De rechtbank concludeerde dat de omgevingsvergunning voor de serre, overkapping, wijzigingen aan het rijksmonument, zonnepanelen en airco's terecht was verleend. Eiser kreeg geen gelijk en zijn beroepen werden ongegrond verklaard. De rechtbank benadrukte dat de Wabo en de bijbehorende regelgeving van toepassing bleven, ondanks de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. De rechtbank concludeerde dat de belangen van eiser niet opwogen tegen de legale status van de werkzaamheden en dat de vergunningen in stand bleven.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 22/2147 en HAA 22/5437

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2025 in de zaken tussen

[eiser] , uit Edam, eiser

(gemachtigde: mr. S.F. Knoop),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Edam-Volendam, het college
(gemachtigde: A.S.M. Hoekstra).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] uit Edam (derde-partij)
(gemachtigde: mr. A.S. Nijland).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de vier handhavingsverzoeken van eiser die zien op het perceel van derde-partij aan [adres] in Edam (HAA 22/2147). Daarnaast gaat deze uitspraak over de aan derde-partij verleende omgevingsvergunning ter legalisering van de op zijn perceel geconstateerde overtredingen (HAA 22/5437). Eiser is het niet eens de afwijzing van zijn handhavingsverzoeken en de verleende omgevingsvergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de zaken.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de handhavingsverzoeken mocht afwijzen omdat ten tijde van het bestreden besluit concreet zicht bestond op legalisatie van de overtredingen. Ook mocht het college de legaliserende omgevingsvergunning verlenen voor de serre, overkapping, wijzigingen aan een rijksmonument, zonnepanelen en airco’s. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Derde-partij is eigenaar van het perceel [perceel 1] in Edam. De woning van derde-partij is een rijksmonument. Eiser is eigenaar van het perceel [perceel 2] , en de directe buurman van derde-partij.
3.1.
Ter plaatste gold – voor zover van belang voor onderhavige beroepen – het bestemmingsplan ‘Beschermd Stadsgezicht Edam 2016’ (het bestemmingsplan), waarin het perceel [perceel 1] de bestemming ‘Wonen’, ‘Waarde – Archeologie – 2’ en ‘Waarde – Beschermd Stadsgezicht’ heeft. Daarnaast heeft de woning de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding rijksmonument’.
HAA 22/2147
3.2.
Eiser heeft op 13 november 2020 vier handhavingsverzoeken ingediend over bouwwerkzaamheden aan het rijksmonument van derde-partij. Bij primair besluit van 19 oktober 2021 stelt het college dat sprake is van een overtreding omdat de (bouw)werkzaamheden aan het rijksmonument zijn uitgevoerd zonder dat derde-partij daarvoor over de benodigde omgevingsvergunning beschikte. Dit is een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Derde-partij is op 6 juli 2021 aangeschreven en gewezen op de overtredingen. Hierop heeft derde-partij op 11 september 2021 bij het college een vooroverleg aangevraagd over de mogelijkheden om de overtredingen te legaliseren met een omgevingsvergunning. Volgens het college was er naar aanleiding van dat vooroverleg concreet zicht op legalisatie van de overtredingen. Als bleek dat toch geen omgevingsvergunning kon worden verleend, dan zou het college het handhavingstraject verder oppakken. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt en bij de rechtbank een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
3.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening in de uitspraak van 11 februari 2022 afgewezen omdat bij eiser een spoedeisend belang ontbrak.
3.4.
Bij het bestreden besluit I van 3 maart 2022 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de handhavingsverzoeken gebleven. Voor de motivering verwijst het college naar het advies van de bezwarencommissie van 17 februari 2022. Naar aanleiding van het ingediende vooroverleg, en inmiddels ook de aanvraag van 21 januari 2022 van derde-partij om een omgevingsvergunning, is er voor het college voldoende concreet zicht op legalisatie van de overtredingen.
3.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I, en de beroepsgronden op 25 mei 2022 en 12 februari 2024 aangevuld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
HAA 22/5437
3.6.
Bij primair besluit van 12 april 2022 heeft het college aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor ‘het verbouwen en restaureren van het rijksmonument, de bouw van een aanbouw, het plaatsen van zonnepanelen en airco-units en het wijzigen van het schilderwerk op het perceel [perceel 1] te Edam’. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
3.7.
Bij het bestreden besluit II van 30 augustus 2022 op het bezwaar van eiser heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten. Voor de motivering verwijst het college naar het advies van de bezwarencommissie van 14 juli 2022.
3.8.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit II, en de beroepsgronden op 12 februari 2024 aangevuld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.9.
Bij brief van 28 augustus 2025 heeft het college de rechtbank geïnformeerd over de revisievergunning die bij besluit van 26 augustus 2025 aan derde-partij is verleend. De wijziging ten opzichte van de vergunning van 12 april 2022 ziet op de dakbedekking van de serre.
Zittingen
3.10.
De rechtbank heeft het beroep HAA 22/2147 op 21 juli 2023 op een zitting behandeld. Toen is besloten om het beroep aan te houden en te voegen met de vergunningzaak HAA 22/5437. Op de zitting van 11 december 2024 heeft de rechtbank partijen met hun instemming verwezen naar mediation en de verdere behandeling van de beroepen aangehouden in afwachting van de uitkomst van het mediationtraject. Derde-partij heeft de rechtbank op 27 januari 2025 bericht dat het mediationtraject vruchteloos is beëindigd. Op de zitting van 15 oktober 2025 is de behandeling van de beroepen voortgezet. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn vrouw [naam 1] , de gemachtigde van eiser, [naam 2] ter vervanging van de gemachtigde van het college, derde-partij en de gemachtigde van derde-partij. Op deze zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van de beroepen blijven de Wabo en de bijbehorende regelgeving zoals die golden vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Handhaving: was er ten tijde van het bestreden besluit I concreet zicht op legalisatie?
5.1.
De rechtbank overweegt dat het college heeft geconstateerd dat sprake was van overtredingen op het perceel van derde-partij, nu daar (bouw)werkzaamheden waren verricht (aan een rijksmonument) zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunningen. In de regel moet een bestuursorgaan bij een geconstateerde overtreding gebruik maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. Het algemeen belang dat gediend is bij de beginselplicht tot handhaving is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Met handhavend optreden wordt dit bereikt.
Bij de vraag of desondanks van handhavend optreden mag worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden in het concrete geval onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is sprake van een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden mag worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie van de overtreding. [1]
5.2.
Eiser voert aan dat het college de vier handhavingsverzoeken niet mocht afwijzen, omdat het college ten onrechte uitging van concreet zicht op legalisatie van de overtredingen. Volgens eiser heeft het college onvoldoende onderbouwd dat het vooroverleg van 11 september 2022 voldoende concreet zicht gaf op legalisatie. Uit het vooroverleg is immers naar voren gekomen dat er nog aanpassingen moeten worden gedaan aan het (bouw)plan, voordat die vergund konden worden. De aanpassingen zagen onder meer op de serre/aanbouw, zonnepanelen, airco-units, muuropeningen en de afvoerpijpen.
Daarnaast voert eiser aan dat het college de door derde-partij ingediende aanvraag om een legaliserende omgevingsvergunning – zoals die ten tijde van het bestreden besluit I bij het college voorlag – evident niet kon verlenen. Hierbij voert eiser aan dat de door derde-partij ingediende gegevens evident onjuist zijn, en op grond daarvan geen vergunning had kunnen worden verleend. Als het college – zoals het had aangegeven te zullen doen – op het erf van eiser onderzoek had gedaan, had het college de aanknopingspunten uit de verzoeken om handhavend optreden kunnen achterhalen, aldus eiser. Het besluit van het college om handhavend op te treden evenwel af te wijzen is onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd tot stand gekomen. Tot slot voert eiser aan dat de overlast uitgaande van de overtredingen niet opweegt tegen de met de afwijzing te dienen doelen.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college de handhavingsverzoeken bij het bestreden besluit I afwijzen omdat concreet zicht op legalisatie van de overtredingen bestond. Voor het antwoord op de vraag of concreet zicht op legalisatie bestaat, moet worden gekeken naar de feiten en omstandigheden ten tijde van de besluitvorming. Dan zal voor concreet zicht op legalisatie van met het bestemmingsplan strijdig gebruik, ten minste een begin moeten zijn gemaakt met de voor verlening van die vergunning vereiste procedure. [2] Ten tijde van het bestreden besluit I had derde-partij een aanvraag gedaan om een legaliserende omgevingsvergunning. Uit het verweerschrift volgt dat de aanvraag is afgestemd op de resultaten uit het daarvoor gevoerde vooroverleg, en onder meer op het welstandsadvies van 27 december 2021. Verder is het plan door het college planologisch aanvaardbaar geacht. Hieruit volgt dat het college ook bereid was om medewerking te verlenen aan een omgevingsvergunning voor de afwijkingen van het bestemmingsplan. [3]
De vervolgvraag of alsnog geen concreet zicht op legalisatie bestond omdat de aangevraagde omgevingsvergunning evident niet verleend kon worden, ligt (ook) voor in het beroep van eiser tegen die omgevingsvergunning. De rechtbank beoordeelt de beroepsgrond van eiser in dat kader hieronder.
Tot slot slaagt de beroepsgrond van eiser gericht op een belangenafweging niet. Eiser heeft zijn beroepsgrond beperkt gemotiveerd en daarmee niet aannemelijk gemaakt dat het college in de (korte) periode tot het besluit ter legalisering van de omgevingsvergunning op 12 april 2022 – gelet op de door hem geschetste belangen bij vermindering van de door hem ervaren overlast – handhavend op had moeten treden.
Omgevingsvergunning: is de juiste voorbereidingsprocedure gevolgd?
6. Op grond van artikel 3.7, eerste lid, geldt het uitgangspunt dat de reguliere procedure van toepassing is op een aanvraag om een omgevingsvergunning, tenzij de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Op grond van artikel 3.10, eerste lid, onder d, van de Wabo is de uov van toepassing op een monumentenactiviteit wanneer daarvoor een adviseur is aangewezen. Op grond van artikel 2.26, derde lid, van de Wabo en artikel 6.4, eerste lid, onder a, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is de minister als adviseur aangewezen indien de activiteit betrekking heeft op (onder meer) het ingrijpend wijzigen van een rijksmonument of een belangrijk deel daarvan.
6.1.
Eiser voert aan dat de omgevingsvergunning voorbereid had moeten worden met de uov. De aangevraagde aanpassingen aan het rijksmonument zijn volgens eiser namelijk van ingrijpende aard, zodat de minister als adviseur is aangewezen en de uov van toepassing is. [4] Op zichzelf gezien kwalificeert de toename van 22 m² aan bijbehorende bouwwerken en de aantasting van het dakprofiel van het rijksmonument door de afwijkende dakhelling en het gebruikte materiaal, al als ingrijpend voor de monumentale waarde. Subsidiair stelt eiser dat deze aanpassingen als ingrijpend moeten worden gezien in samenhang met de plaatsing van zonnepanelen en airco’s en wijzigingen van het schilderwerk.
6.2.
De rechtbank overweegt dat aan [adres] in Edam door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) als monument is geregistreerd: “Huis met schilddak. Ingang met pilasteromlijsting. Twee dakkapellen met fronton en ingezwenkte vleugelstukken. XIX A.”
6.3.
De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet. Gelet op de omschrijving van het rijksmonument in het monumentregister is van de woning in het bijzonder monumentale waarde toegekend aan het schilddak, de ingang met pilasteromlijsting en de twee dakkapellen aan de voorzijde.
Door de RCE is als voorbeeld van een ingrijpende wijziging aan een monument opgenomen ‘het plaatsen van een grootschalige aan- en uitbouw’. Dit betekent evenwel niet dat iedere grootschalige aan- of uitbouw een dergelijke ingrijpende wijziging is zoals bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder a, onder 2˚, van het Bor. Dit is alleen het geval, indien de vergunde werkzaamheden leiden tot een substantiële aantasting of wijziging van het monument, waarvan de gevolgen voor de waarde van het monument vergelijkbaar zijn met een (gedeeltelijke) afbraak aan het monument (van ingrijpende aard). Eiser heeft niet onderbouwd in welke zin de plaatsing van de bijbehorende bouwwerken dan wel de afwijkende dakhelling van de serre ingrijpend is – gelijkend aan afbraak – voor de beschermde monumentale elementen van het huis. Bovendien hebben het college en derde-partij aangetoond dat reeds voor 1942 sprake was van een aanbouw aan het huis (een oude keuken), al voordat het huis als monument is aangewezen. Daarbij is het schilddak van het huis als belangrijk deel monumentaal beschermd, maar niet het dak van de serre, dan wel het dakprofiel van het perceel of de omgeving in algemene zin, zodat de bescherming zou rijken tot het dak van de – niet monumentale – serre.
Tot slot worden het plaatsen van zonnepanelen en airco’s niet door de RCE als voorbeeld van een ingrijpende wijziging genoemd, waarbij eiser ook niet heeft onderbouwd dat de plaatsing daarvan op het schilddak alsnog ingrijpende gevolgen heeft voor de waarde van het rijksmonument.
Serre
7.1.
Eiser voert aan dat de oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken met de serre erbij meer dan 50m² bedraagt, wat in strijd is met artikelen 15.2.3 en 15.2.4 van het bestemmingsplan. Volgens eiser komt het totaal uit op 64,95 m² (waarvan 32,77 m² garage, 10 m² overkapping en 22,18 m² serre). Hierbij voert eiser aan dat de garage van derde-partij aan de [straat] ook meegeteld dient te worden, omdat die volgens eiser net als de overkapping en serre in het achtererfgebied [5] van het hoofdgebouw is gelegen.
7.2.
Het college stelt in het bestreden besluit dat de garage niet is meegeteld in de berekening van de bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied. De garage heeft in het bestemmingsplan de eigen functieaanduiding ‘garage’ en heeft bovendien een te onderscheiden (eigen) bouwvlak waarin de garage is gebouwd. De garage behoort daarom niet tot het achtererfgebied van de woning. De bouwtoezichthouder heeft bij de controle van 21 juni 2022 de oppervlakte van de overige bijbehorende bouwwerken vastgesteld op 32,16 m². Dit oppervlak is niet in strijd met het bestemmingsplan.
7.3.
In artikel 15.2.3, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan is bepaald dat de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 50% van het achtererfgebied, met een maximum van 40 m².
7.4.
De rechtbank volgt de uitleg van het college dat de garage niet wordt meegerekend bij de bepaling van het gezamenlijk oppervlak aan bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied. Redengevend acht de rechtbank dat de garage een eigen functieaanduiding en een eigen bouwvlak heeft, waar gebouwen zijn toegestaan. Het maximum van 40 m² geldt dan voor het deel van het achtererfgebied van de woning, waar het totale oppervlak van het tussenstuk, de serre, de berging en de overkapping (zowel in de berekening van eiser als van het college) binnen blijft.
8. De rechtbank overweegt verder dat het college de omgevingsvergunning heeft verleend voor een afwijking aan de dakhelling van de serre en de overkapping. Volgens artikel 15.2.3, aanhef en onder e, van het bestemmingsplan dient de dakhelling van bijbehorende bouwwerken gelijk te zijn aan de dakhelling van het hoofdgebouw. Op grond van artikel 15.4, aanhef en onder b, kan een afwijkende dakhelling worden vergund mits de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende, ruimtelijke structuur en stedenbouwkundige kwaliteit van het beschermd stadsgezicht niet onevenredig worden aangetast, en de welstandscommissie vooraf om advies is gevraagd. Uit de omgevingsvergunning volgt dat de welstands- en monumentencommissie geen bezwaren heeft tegen de serre. Die is passend bij het geheel en niet van invloed op de openbare ruimte of de monumentale waarden.
8.1.
Eiser voert aan dat hij hinder ondervindt van de hoogte van de serre. Zijn uitzicht wordt beperkt en er ontstaat een kokereffect, waardoor ook minder daglicht in de woning van eiser komt.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank leidt deze grond van eiser niet tot vernietiging van het bestreden besluit II. De hoogte van de serre (3,75 meter) is toegestaan op grond van het bestemmingsplan. De bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag volgens het bestemmingsplan zelfs vijf meter bedragen. Dit betekent dat het college geen vergunning heeft verleend voor afwijking van de bouwhoogte van de serre, en niet hoefde te toetsen aan een goede ruimtelijke ordening of in dit kader belangen diende af te wegen.
8.3.
Verder heeft eiser aangevoerd dat hij lichthinder ondervindt van het doorzichtige dak in de serre, in het dakvlak dat richting zijn woning is gekeerd. Door de zichtlijn door het doorzichtige dak richting de verdiepingen van zijn woning ervaart eiser ook een inbreuk op zijn privacy. Naar het oordeel van de rechtbank is de door eiser geschetste oorzaak van zijn lichthinder en privacyaantasting weggenomen met de revisievergunning van 28 augustus 2025, waarbij ondoorzichtige dakpannen worden toegepast in plaats van doorzichtige kunststof platen. De rechtbank laat deze grond daarom buiten bespreking.
Evident privaatrechtelijke belemmering?
9.1.
Eiser voert – samengevat – aan dat sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering gelet waarop het college de omgevingsvergunning niet kon verlenen. De serre is op de (revisie)tekening van derde-partij zo ingetekend dat die binnen de erfgrenzen lijkt te vallen zoals bepaald in de uitspraak van de civiele rechter van 26 april 2006. De juridische grens ligt op 40 cm uit de oude erfgrens. Echter staat de serre – in afwijking van wat de tekening staat – tot 60 cm uit de oude erfgrens en dus op het perceel van eiser. Hierbij is de overbouw onder de rabatdelen van de serre ook niet opgemeten. Volgens eiser is hij alleen gebonden aan de juridische erfgrens, waar volgens hem overheen is gebouwd, en niet aan anderszins gemaakte afspraken met de vorige eigenaar van zijn woning over de erfgrens.
9.2.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [6] volgt dat er voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo in de weg staat, slechts aanleiding is wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.
Een privaatrechtelijke belemmering is evident indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de realisering van een bouwwerk de toestemming van een ander is vereist en die ander de toestemming niet geeft en niet hoeft te geven. [7]
9.3.
De rechtbank overweegt dat derde-partij een revisietekening bij het college heeft ingediend, waarop de bijbehorende bouwwerken zijn ingetekend. Volgens die tekening staat de serre op het kadastrale perceel van derde-partij. De tekening is volgens het college conform de erfgrens zoals die is bepaald in de uitspraak van 26 april 2006, namelijk op de locatie tot aan de voormalige betonnen schutting. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet zonder nader onderzoek van bijvoorbeeld het Kadaster worden bepaald of de serre feitelijk over de juridische erfgrens is gebouwd, en voor 20 cm op de grond van eiser staat. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank ook in de uitspraak van de rechtbank op het beroep van eiser tegen de bewaarder van het Kadaster van 23 september 2024, waarin het verzoek van eiser om herstel van de inschrijving van de erfgrens is afgewezen. Volgens eiser is de erfgrens in het Kadaster op 60 cm vanuit de oude erfgrens bepaald, in plaats van op 40 cm, zoals is bepaald in de uitspraak uit 2006.
Hierbij overweegt de rechtbank dat bovendien een evident privaatrechtelijke belemmering slechts een rol kan spelen bij een afwijking van het bestemmingsplan. Nu alleen de dakhelling van de serre en overkapping zijn vergund met een binnenplanse afwijking, kan de vraag of eventueel (al dan niet door de overhangende rabatdelen) over de erfgrens is gebouwd daar geen rol bij spelen, zodat die vraag in de handhavingscontext valt. Van een evidente privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan het door het college vergunde is naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Overkapping
10.1.
Eiser voert aan dat het college de overkapping op een onzorgvuldige wijze heeft vergund met de onderhavige omgevingsvergunning. Gebleken was dat de overkapping niet geheel was uitgevoerd conform de daarvoor verleende vergunning uit 2009, waarna het afwijkende ontwerp op de bouwtekening is opgenomen, zonder dit expliciet in de aanvraag en vergunning te vermelden. Volgens eiser heeft het college hem hierdoor de kans ontnomen om tegen het onderdeel overkapping bezwaar te maken.
10.2.
Het college stelt dat met onderhavige omgevingsvergunning een bewuste keuze is gemaakt om ook de wijzigingen aan de overkapping te vergunnen. De welstands- en monumentencommissie heeft in het advies van 7 februari 2022 expliciet geen bezwaar gehad tegen het realiseren van de overkapping. Daarbij zijn de wijzigingen opgenomen op de tekening behorende bij de aanvraag, zodat die ook zijn beoordeeld en vergund.
10.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser de mogelijkheid om tegen de overkapping te ageren niet onthouden. Hij heeft immers zijn gronden in ieder geval in beroep kunnen aanvoeren. Hierbij heeft hij geen inhoudelijke argumenten aangevoerd tegen het vergunnen van de wijzigingen aan de overkapping. De beroepsgrond kan hierom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Deur naar de steeg
11.1.
Eiser voert aan dat de deur vanuit de serre naar de steeg tussen de woningen van partijen niet is ingetekend op de bouwtekening. Daarbij voldoet de aldaar gerealiseerde deur niet aan de vereisten uit artikel 4.22 van het Bouwbesluit 2012, omdat de deur niet ten minste 0,85 meter vrije breedte heeft. Ook kan derde-partij vanuit de steeg – waartoe deze deur de enige toegang verleent – in de woning van eiser kijken (door de ramen op de eerste en tweede verdieping). Dit is in strijd met de privacybepalingen in het Burgerlijk Wetboek (BW).
11.2.
Naar het oordeel van de rechtbank verzet het relativiteitsbeginsel in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zich tegen het beroep van eiser op artikel 4.22 van het Bouwbesluit 2012. Deze laatste norm strekt niet tot bescherming van de belangen van eiser, maar die van derde-partij. In het verweerschrift stelt het college dat vanuit de serre ook andere deuren zitten, die voldoen aan de norm. De deur naar de steeg is daarom ook niet relevant voor de toets van het bouwplan aan het Bouwbesluit 2012, maar biedt slechts toegang tot de nauwe steeg op eigen grond van derde-partij. Daarbij volgt de rechtbank ook het verweer dat de deur naar de steeg geen inbreuk van artikel 5:50 van het BW oplevert. In de steeg zitten slechts blinde muren, en is het zicht op de achtertuin van eiser afgeschermd met een erfafscheiding, zodat derde-partij geen direct (horizontaal) zicht heeft op het perceel van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Zonnepanelen
12.1.
Uit de omgevingsvergunning volgt dat de zonnepanelen op het platte dak van de dakkapellen in het achterdakvlak van de woning zijn vergund met gebruik van de kruimelgevallenregeling in artikel 4, onderdeel 4, van bijlage II van het Bor. [8] Het plan voldoet daarbij aan artikel 2.1.1, tweede lid, van het Afwijkingenbeleid Edam-Volendam 2017. In de gemeentelijke beleidsnota ‘Duurzaamheidsagenda Edam-Volendam 2018-2022’ is energiebesparing in bestaande woningbouw namelijk opgenomen als kansrijke maatregel voor de korte termijn in het kader van duurzaamheid. Gelet op het gevoerde duurzaamheidsbeleid, en het gegeven dat de welstandscommissie (na een aanpassing na de voorfase) akkoord is gegaan met de plaatsing van de zonnepanelen, heeft het college de afwijking vergund. In het bestreden besluit stelt het college dat de overige zonnepanelen – niet op het platte dak – zijn vergund met de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid in artikel 32, aanhef, sub h, onder 1, van het bestemmingsplan. [9]
12.2.
Eiser voert aan dat zowel de voor- als achterzijde van [adres] gericht zijn naar openbaar toegankelijk gebied. De zonnepanelen gesitueerd op het achterdakvlak kunnen dus volgens eiser niet worden vergund met de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid in artikel 32, aanhef en sub h, onder 1, van het bestemmingsplan.
12.3.
De rechtbank overweegt dat het ingevolge artikel 29, onder 2, van het bestemmingsplan niet is toegestaan om panelen voor elektriciteitsopwekking te plaatsen. In artikel 32 van het bestemmingsplan zijn mogelijkheden opgenomen om van artikel 29 af te wijken. De afwijkingsmogelijkheid voor zonnepanelen is opgenomen in artikel 32, aanhef en sub h, van het bestemmingplan. Een van de voorwaarden waar het legplan aan moet voldoen, is dat de panelen niet in een dakvlak liggen dat gekeerd is naar openbaar toegankelijk gebied. De rechtbank volgt het verweer van het college dat de daken waar de zonnepanelen zijn gepositioneerd, niet gekeerd zijn naar openbaar toegankelijk gebied. Het achterdakvlak is gekeerd naar de tuin van derde-partij en daarachter volgt de achterzijde van de bebouwing van de achterburen en de garage van derde-partij. Deze locaties zijn niet voor publiek algemeen toegankelijk gebied, zoals een openbare weg of een park.
De overigens aangevoerde argumenten van eiser dat de zonnepanelen een onrechtmatig verhoogd brandrisico zouden vormen voor hem als directe buurman, of dat eiser dermate in zijn belangen geschonden is door zijn uitzicht op de (schittering van de) zonnepanelen, heeft hij niet onderbouwd en kunnen dus niet leiden tot een geslaagd beroep. Bovendien heeft de welstands- en monumentencommissie in het advies van 7 februari 2022 geoordeeld dat het (leg)plan voldoet aan de redelijke eisen van welstand.
Nu eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de toepassing van het college van de kruimelgevallenregeling voor de zonnepanelen op het platte dak, laat de rechtbank die toestemming onbesproken.
Airco-units
13.1.
Eiser voert aan dat niet is aangetoond dat de geplaatste airco’s voldoen aan de daaraan gestelde eisen in het Bouwbesluit 2012. Aangezien de omgevingsvergunning na 1 april 2021 is aangevraagd, moeten de airco’s voldoen aan de eisen voor warmte- en koudeopwekking in artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012. Ook betwijfelt eiser of de draagconstructie van het rijksmonument sterk genoeg is om de belasting van de airco-units in combinatie met de zonnepanelen te dragen.
13.2.
Het college stelt dat het bestemmingsplan geen expliciete regels bevat voor het plaatsen van airco-units, en daar dus niet mee in strijd is. Voor wat betreft het geluidsniveau uitgaande van een airco buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, geldt sinds 1 april 2021 een maximale norm van 40dB. Echter is volgens het college het moment van plaatsing van de airco-units bepalend voor de vraag of sprake is van een overtreding van artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012, en niet het moment van de aanvraag om een omgevingsvergunning. [10] Verder is er voor het college geen reden om te twijfelen aan het draagvermogen van het dak. De constructieberekening behorend bij de vergunning is op 4 april 2022 door de constructeur akkoord bevonden.
13.3.
De rechtbank overweegt dat het college bij een aanvraag om een omgevingsvergunning dient te toetsen of de gegevens en bescheiden aannemelijk maken dat de aanvraag voldoet aan de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012. Het college stelt dat uit luchtfoto’s volgt dat de drie airco-units al waren geplaatst voordat artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 van kracht werd. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor een andere feitenvaststelling. Het college was daarom niet gehouden om te toetsen aan artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. De beroepen zijn ongegrond. In hetgeen door eiser daarin overigens is aangevoerd heeft de rechtbank ook geen aanleiding gezien voor vernietiging van de bestreden besluiten. Dat betekent dat de bij de bestreden besluiten gehandhaafde omgevingsvergunning en de afwijzing van de handhavingsverzoeken in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht in beide zaken niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.A. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
2.Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 8.2 van de uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3137.
3.In bijvoorbeeld rechtsoverweging 10 en 10.1 van de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:177, heeft de Afdeling overwogen dat voor het aannemen van concreet zicht op legalisatie voldoende is dat een aanvraag is ingediend en het college bereid is om de omgevingsvergunning te verlenen.
4.Op grond van artikel 3.10, eerste lid, onder d, van de Wabo en artikel 2.26, derde lid, van de Wabo met artikel 6.4, eerste lid, onder a, van het Bor.
5.In de zin van artikel 2, derde lid, aanhef, van bijlage II van het Bor.
6.Bijvoorbeeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1628.
7.Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 3.1 van de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5239.
8.In samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo.
9.In samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚, van de Wabo.
10.Gebaseerd op rechtsoverweging 3.7 van de uitspraak van de rechtbank Zeeland West-Brabant van 29 november 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:7205.