ECLI:NL:RBNHO:2025:14880

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
24/4916
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de last onder dwangsom wegens het bouwen van een bungalow zonder omgevingsvergunning

Deze uitspraak betreft een last onder dwangsom die aan eisers is opgelegd wegens het bouwen van een bungalow zonder de vereiste omgevingsvergunning. De rechtbank oordeelt dat het college de last onder dwangsom terecht heeft opgelegd, aangezien eisers niet binnen de begunstigingstermijn aan de last hebben voldaan, waardoor de dwangsom van rechtswege is verbeurd. Echter, de rechtbank oordeelt dat het niet evenredig is om het volledige bedrag van de dwangsom in te vorderen, omdat ten tijde van de laatste controle duidelijk was dat de situatie gelegaliseerd zou worden. De rechtbank matigt de dwangsom tot € 5.000,-. Eisers krijgen geen gelijk in hun beroep tegen het opleggen van de last, maar hun beroep tegen het invorderingsbesluit is gegrond. De rechtbank legt uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft voor de betrokken partijen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/4916

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit Hoofddorp, eisers

(gemachtigde: mr. drs. C.C.J. Hartendorf),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer

(gemachtigde: mr. V. van Toledo).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
[naam 1] en [naam 2], uit Weert
(gemachtigde: E.D.S.J. Otten).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de last onder dwangsom die aan eisers is opgelegd wegens het bouwen van een bungalow zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning. Eisers zijn het niet eens met de last. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college een last onder dwangsom mocht opleggen en deze dwangsom mocht invorderen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom mocht opleggen. Tussen partijen is niet in geschil dat niet binnen de begunstigingstermijn is voldaan aan de last waardoor de dwangsom van rechtswege is verbeurd. Zodoende was het college ook bevoegd om de verbeurde dwangsom in te vorderen. Naar het oordeel van de rechtbank is het echter niet evenredig om het gehele bedrag in te vorderen omdat ten tijde van de laatste controle duidelijk was dat de situatie gelegaliseerd zou worden. Het bedrag moet dan ook worden gematigd. Eisers krijgen dus geen gelijk wat betreft het beroep tegen het opleggen van de last maar hun beroep tegen het invorderingsbesluit is wel gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Naar aanleiding van een verzoek tot handhaving van 28 februari 2022 van derde-partijen en andere eigenaren van percelen op recreatiepark [naam recreatiepark] heeft op 19 oktober 2023 een controle plaatsgevonden op het perceel van eisers aan de [adres] in Vijfhuizen. Hierbij is door de toezichthouder een overtreding geconstateerd omdat op het perceel zonder omgevingsvergunning een bungalow is gebouwd.
2.1.
Op 28 november 2023 heeft het college het voornemen geuit om een last onder dwangsom op te leggen.
2.2.
Op 15 januari 2024 hebben eisers op het voornemen gereageerd met een zienswijze.
2.3.
Met het primaire besluit van 16 februari 2024 heeft het college aan eisers een last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat eisers uiterlijk op 1 juni 2024 alle bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning is verleend, van het perceel moeten verwijderen en verwijderd moeten houden. Indien eisers niet aan deze last voldoen, verbeuren zij eenmalig een dwangsom van € 20.000,-.
2.4.
Op 30 maart 2024 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 februari 2024 en daarbij het college verzocht om de begunstigingstermijn te verlengen.
2.5.
Op 4 april 2024 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na het besluit op het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit.
2.6.
Met het bestreden besluit van 11 juli 2024 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
2.7.
Op 20 september 2024 hebben eisers het college nogmaals verzocht om de begunstigingstermijn te verlengen. Op 30 september 2024 heeft het college dit verzoek afgewezen.
2.8.
Op 21 november 2024 is geconstateerd dat de overtreding niet is beëindigd waardoor de dwangsom is verbeurd.
2.9.
Op 28 november 2024 heeft het college het voornemen geuit om de verbeurde dwangsom in te vorderen.
2.10.
Op 16 december 2024 hebben eisers een zienswijze ingediend ten aanzien van het voornemen om de dwangsom in te vorderen.
2.11.
Op 8 januari 2025 heeft het college een invorderingsbesluit genomen.
2.12.
Naar aanleiding van een verzoek van eisers heeft het college op 16 januari 2025 aan hen uitstel verleend van betaling van de dwangsom tot twee weken na de verzending van de uitspraak op hun beroep.
2.13.
Eisers hebben op 6 augustus 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 11 juli 2024. Op grond van het eerste lid van artikel 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep met betrekking tot de last onder dwangsom mede betrekking op de beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom.
2.14.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.15.
Eisers hebben een nader stuk ingediend.
2.16.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college. Derde-partijen zijn niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit van 11 juli 2024 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en de beslissing om een last onder dwangsom op te leggen in stand gelaten. Op het perceel van eisers aan de [adres] in Vijfhuizen rust de enkelbestemming ‘Recreatie - Verblijfsrecreatie’ en de dubbelbestemming ‘Waarde - Cultuurhistorie Stelling van Amsterdam’. Op grond van artikel 49.2.1 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Noord’ is niet toegestaan om ten behoeve van een andere bestemming te bouwen op gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde - Cultuurhistorie Stelling van Amsterdam’. Volgens artikel 49.3.1 van het bestemmingsplan kan in afwijking hiervan een omgevingsvergunning worden verleend overeenkomstig de andere bestemmingen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waarden van de Stelling van Amsterdam. Op 27 februari 2023 is een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een veranda met schuur met een gezamenlijke oppervlakte van 37 m² op het perceel aan de [adres] in Vijfhuizen. Tijdens de controle op 19 oktober 2023 is gebleken dat op het perceel, naast de schuur met veranda, nog een bungalow met twee bouwlagen en een oppervlakte van 74,2 m² is gebouwd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning. Dit is in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht [1] en artikel 49.2.1 van het bestemmingsplan. Gelet op de beginselplicht tot handhaving, is het college van mening dat het verplicht is om handhavend op te treden tegen de illegaal gebouwde bungalow. Daar komt bij dat er volgens het college geen mogelijkheid is om de bestaande situatie te legaliseren. Op grond van artikel 30.2.1 van het bestemmingsplan mag de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing op gronden met de enkelbestemming ‘Recreatie - Verblijfsrecreatie’ immers niet meer zijn dan 45 m² en mag die bebouwing uit maximaal één bouwlaag bestaan.
Overgangsrecht in de Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat het handhavingsverzoek vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend, blijft op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing. Dat betekent dat in dit geval niet de Omgevingswet maar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Is er aanleiding voor het college om af te zien van handhaving?
5. Eisers voeren aan dat het college bij het opleggen van een last onder dwangsom een belangenafweging moet maken waarbij hun belangen ook worden meegenomen. Zij stellen dat in dit geval bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college had moeten afzien van handhaving. Eisers wijzen erop dat ten tijde van het primaire besluit een concreet zicht op legalisatie bestond. Dit blijkt uit het feit dat de bungalow inmiddels is gelegaliseerd. Eisers hebben de bungalow hiervoor wel moeten aanpassen en de omgevingsvergunning van 27 februari 2023 voor de schuur met veranda moeten laten intrekken, maar hieruit blijkt volgens eisers wel dat het mogelijk was om de overtreding op te heffen zonder de gehele bungalow af te breken. Volgens eisers hebben zij altijd de intentie gehad om mee te werken en had het college daarom duidelijker moeten communiceren wat er mogelijk was binnen het bestemmingsplan. Verder is handhaving in dit geval volgens eisers in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat in de directe omgeving van hun perceel meerdere gebouwen zijn gebouwd die evident in strijd zijn met het bestemmingsplan. Voorts liggen er volgens eisers ten minste twee andere handhavingsverzoeken ten aanzien van andere percelen in de omgeving die niet tot handhaving hebben geleid. Zo strekt het handhavingsverzoek dat ten grondslag ligt aan deze procedure volgens eisers verder dan alleen het perceel van eisers en is ook in het bezwaarschrift van eisers een verzoek om handhaving gedaan ten aanzien van de aangrenzende percelen. Tot slot had het college volgens eisers bij de belangenafweging moeten betrekken dat de omwonenden geen belang meer hebben bij het handhavingstraject. Volgens eisers heeft op derde-partijen na iedereen die het handhavingsverzoek heeft ingediend, zich inmiddels teruggetrokken uit de procedure en daarnaast hebben derde-partijen volgens eisers geen belang bij de handhaving omdat zij nauwelijks gebruik maken van hun recreatiewoning op het aangrenzende perceel.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eisers hebben niet betwist dat zij de bungalow hebben gebouwd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning. Dat betekent dat het college bevoegd is om handhavend op te treden en dus om een last onder dwangsom op te leggen. Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van deze bevoegdheid, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. Bij de vraag of van handhavend optreden moet worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. [2] Handhavend optreden is onevenredig als in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie of bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [3]
Zicht op legalisatie
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank was er ten tijde van het opleggen van de last geen concreet zicht op legalisatie. Het feit dat eisers nu, na het verbouwen van de bungalow en het laten intrekken van de omgevingsvergunning voor de schuur met veranda, een omgevingsvergunning hebben gekregen voor de aangepaste bungalow, is hiervoor onvoldoende. Om te kunnen spreken van een concreet zicht op legalisatie is immers ten minste vereist dat een aanvraag om een dergelijke omgevingsvergunning is ingediend. [4] Ten tijde van het opleggen van de last en ook ten tijde van het bestreden besluit van 11 juli 2024 was hiervan geen sprake waardoor alleen al om deze reden geen concreet zicht was op legalisatie. Bovendien is de inmiddels gelegaliseerde situatie wezenlijk anders dan de situatie waarvoor de last is opgelegd. Immers is de schuur met veranda verwijderd en is de bungalow verkleind door onder meer de bovenste bouwlaag weg te halen. Voorts heeft het college aangegeven dat geen medewerking zou worden verleend aan de legalisatie van de situatie ten tijde van het opleggen van de last omdat deze op grond van het bestemmingsplan niet in aanmerking kon komen voor een omgevingsvergunning.
Het gelijkheidsbeginsel
5.3.
Volgens de rechtbank kunnen eisers zich ook niet met recht beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Als een verzoek om handhaving leidt tot handhavend optreden en het nemen van een sanctiebesluit (in dit geval het opleggen van de last onder dwangsom), levert dat op zichzelf geen strijd met het gelijkheidsbeginsel op ten opzichte van gevallen waarin niet om handhaving is verzocht en geen sanctiebesluit is genomen. In die gevallen doet zich immers niet de omstandigheid voor dat een verzoek is gedaan waarmee in de bestuurlijke afweging rekening moet worden gehouden. [5] Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel moeten eisers dus onderbouwen dat er handhavingsverzoeken zijn gedaan in gelijke gevallen die niet hebben geleid tot handhavend optreden door het college. Hierin zijn eisers niet geslaagd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat het handhavingsverzoek dat ten grondslag ligt aan deze procedure enkel gericht is op het perceel van eisers en niet op andere percelen in het recreatiepark. De zinsnede “
de laatste jaren zijn er steeds meer woningen gebouwd op het park die niet aan de bouwregels voldoen” is onvoldoende concreet om te worden aangemerkt als handhavingsverzoek ten aanzien van andere percelen. De enige overtreding die in het handhavingsverzoek concreet wordt aangeduid, betreft het perceel van eisers. Verder zijn ook de opmerkingen van eisers in hun zienswijze op de voorgenomen last en in hun bezwaarschrift over gestelde andere overtredingen niet als concrete handhavingsverzoeken verwoord.
Belangen van verzoekers
5.4.
Tot slot overweegt de rechtbank dat het voor de bevoegdheid van het college om handhavend op te treden niet uitmaakt of de indieners van het handhavingsverzoek hier nog steeds belang bij hebben. Voorts is dit volgens de rechtbank geen reden om handhaving in dit geval onevenredig te achten. Zoals gezegd gaat het bij de evenredigheidstoets in het kader van handhavend optreden om de vraag of er omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Het algemeen belang dat gediend is met handhaving is gelegen in de rechtszekerheid dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Dit betekent dat voor het algemeen belang bij handhaving niet relevant is of de indieners van het verzoek om handhaving nog belang hebben bij de handhaving. Zolang de feitelijke situatie op het perceel van eisers afwijkt van de juridisch toegestane situatie, is er dus een algemeen belang bij handhavend optreden hiertegen. Bovendien blijkt uit de correspondentie met de indieners van het handhavingsverzoek dat een deel van hen zich pas heeft teruggetrokken uit het handhavingstraject nadat eisers gedeeltelijk aan de last en daarmee de wensen van de betrokken indieners tegemoet waren gekomen. In zoverre hadden zij dus wel degelijk belang bij het handhavend optreden van het college. Dat sommige belanghebbenden zich inmiddels hebben teruggetrokken omdat zij tevreden zijn met de situatie zoals die is maakt niet dat het handhavingstraject daarmee vanwege de evenredigheid moet worden beëindigd. Gelet op de beginselplicht en het algemeen belang daarbij blijft het college bevoegd en in beginsel verplicht om handhavend op te treden totdat de situatie niet meer in strijd is met de wet.
5.5.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank de door eisers aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder dat het college op grond hiervan had moeten afzien van handhaving. Het college mocht dus de last onder dwangsom opleggen.
Is de last te verstrekkend dan wel onduidelijk geformuleerd?
6. Eisers stellen zich op het standpunt dat de last te verstrekkend dan wel onduidelijk is geformuleerd omdat deze nog steeds vereist dat ze de gehele bungalow verwijderen terwijl deze inmiddels is verkleind en gelegaliseerd met een omgevingsvergunning en dus niet meer in strijd is met de wet.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Een last die ziet op het beëindigen van de overtreding is in beginsel niet te verstrekkend. Het doel van de last is het ongedaan maken van alle bouwwerken die in strijd zijn met de wet. Dit betekent dat het college in beginsel mag gelasten dat alle bouwwerken waarvoor de vereiste omgevingsvergunning niet is verleend, worden verwijderd. [6] Ten tijde van het opleggen van de last betrof dat de bungalow. Zo is dit ook verwoord door het college in het primaire besluit. Het staat eisers echter vrij om de onrechtmatigheid op een andere manier op te lossen en dus op een andere manier aan de last te voldoen. Dit hebben eisers gedaan door de bungalow aan te passen zodat deze in aanmerking kan komen voor een omgevingsvergunning waarbij de omgevingsvergunning voor de schuur met veranda is ingetrokken en deze zijn verwijderd. Dit betekent dat, sinds de omgevingsvergunning van 6 maart 2025 voor de aangepaste bungalow, de illegale situatie op het perceel van eisers is beëindigd en is voldaan aan de last. Dit betekent dan ook dat niet van eisers verwacht wordt dat zij de bungalow alsnog afbreken om deze vervolgens conform de omgevingsvergunning van 6 maart 2025 weer op te bouwen. Dit laatste heeft het college ook ter zitting bevestigd.
Is het invorderen van de (gehele) dwangsom in strijd met het vertrouwensbeginsel of het evenredigheidsbeginsel?
7. Het beroep met betrekking tot de last onder dwangsom heeft ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op het invorderingsbesluit, voor zover dit besluit wordt betwist. Eisers zijn het om twee redenen niet eens met het invorderingsbesluit. Ten eerste stellen eisers dat het college bij hen het vertrouwen heeft gewekt dat de dwangsom nog niet zou worden ingevorderd zolang het bestreden besluit nog niet in rechte vaststaat. Eisers wijzen hierbij op de mail van een medewerker van de gemeente van 21 oktober 2024 waarin staat dat er zal worden afgewacht tot in rechte vaststaat of het bestreden besluit rechtmatig is. Ten tweede stellen eisers dat het onevenredig is om de gehele dwangsom in te vorderen omdat sinds de omgevingsvergunning van 6 maart 2025 geen sprake meer is van een overtreding. De concept-vergunningsaanvraag dateert van 5 november 2024 en dus moest het voor het college ten tijde van het voornemen om de dwangsom in te vorderen duidelijk zijn dat de overtreding spoedig zou worden opgeheven. Volgens eisers is daarmee het doel van de last onder dwangsom behaald en heeft het college geen belang meer bij het invorderen van de verbeurde dwangsom.
Beginselplicht tot invordering
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom een zwaar gewicht moet worden toegekend aan het belang van de invordering. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Slechts onder bijzondere omstandigheden moet geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. [7]
Het vertrouwensbeginsel
7.2.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat eisers aannemelijk maken dat van de kant van het college toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs konden en mochten afleiden dat het college een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. [8] Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan in het geval van eisers geen sprake. Op 30 september 2024 heeft de gemachtigde van het college gereageerd op een mail van een van eisers en haar medegedeeld dat de begunstigingstermijn niet kan worden verlengd en dat het invorderingstraject in gang zal worden gezet. Daarbij is medegedeeld dat eisers naar aanleiding van het invorderingsbesluit om uitstel van betaling kunnen verzoeken. Op 14 oktober 2024 heeft de gemachtigde van eisers het college gemaild met de vraag of het invorderingstraject toch kon worden opgeschort en het college aansprakelijk gesteld voor de schade die eisers hebben geleden en zullen leiden als de beroepsprocedure niet wordt afgewacht. Op 21 oktober 2024 heeft een medewerker van de gemeente hierop gereageerd met het bericht dat er zal worden afgewacht tot het bestreden besluit in rechte vaststaat. Op 31 oktober 2024, en dus nog voor de controle waarop de invordering is gebaseerd, heeft deze medewerker de gemachtigde van eisers bericht dat de mail van 21 oktober 2024 enkel zag op de aansprakelijkheidsstelling van eisers en niet op het invorderingstraject. Naar het oordeel van de rechtbank is onder deze omstandigheden geen sprake van een gerechtvaardigd vertrouwen bij eisers op grond waarvan het college gehouden is af te zien van de invordering van de verbeurde dwangsom.
Het evenredigheidsbeginsel
7.3.
Eisers hebben tot slot aangevoerd dat het onevenredig is om het volledige bedrag van de verbeurde dwangsom in te vorderen nu zij wel hebben voldaan aan de last, ook al is dit niet gelukt binnen de begunstigingstermijn. Deze beroepsgrond slaagt. Tussen partijen is niet in geschil dat eisers zijn begonnen met het verhelpen van de illegale situatie vóór het moment van de laatste controle op 21 november 2024. In hun beroepschrift, en dus vóór het verstrijken van de begunstigingstermijn op 22 augustus 2024, hadden eisers al de bereidheid uitgesproken om de bungalow te verkleinen en de veranda te verwijderen. Naar het oordeel van de rechtbank kan eisers wel worden verweten dat ze te laat in actie zijn gekomen om binnen de begunstigingstermijn aan de last te voldoen, hetgeen voor hun eigen risico dient te komen. Ten tijde van de controle op 21 november 2024 was echter voor het college wel duidelijk dat eisers op dat moment bezig waren met het legaliseren van de situatie. Uit de constateringsrapportage bij die controle blijkt immers dat een verbouwing gaande was waarbij de tweede bouwlaag van de bungalow en de overstekken aan de voor- en achterzijde al zijn verwijderd. Op dat moment was het enkel wachten op de omgevingsvergunning waarvoor eisers op 5 november 2024 al een conceptaanvraag aan het college hadden voorgelegd en op de in verband daarmee door eisers verzochte intrekking van de omgevingsvergunning voor de veranda met schuur. Hieruit blijkt volgens de rechtbank dat eisers wel in de geest van de last hebben gehandeld en dat er ten tijde van de laatste controle concreet zicht was op het bereiken van het doel van de last. Dat zicht bestond nog steeds ten tijde van het invorderingsbesluit, aangezien de conceptaanvraag toen inmiddels was omgezet in een definitieve aanvraag, die naderhand ook ingewilligd zou worden. Gelet op deze bijzondere omstandigheden acht de rechtbank het niet evenredig om de gehele dwangsom van € 20.000,- in te vorderen. De rechtbank ziet aanleiding om de last te matigen naar € 5.000,-, enerzijds omdat eisers wel kan worden verweten dat ze niet binnen de begunstigingstermijn hebben voldaan aan de last en anderzijds omdat ten tijde van de laatste controle wel al duidelijk was dat de overtreding zou worden beëindigd.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen het bestreden besluit van 11 juli 2024 is ongegrond omdat het college de last onder dwangsom mocht opleggen. Het beroep tegen het invorderingsbesluit is gegrond omdat het invorderingsbesluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Dit betekent dat de rechtbank het invorderingsbesluit vernietigt voor zover dit ziet op de hoogte van het in te vorderen bedrag en hierin zelf zal voorzien. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat een bedrag van € 5.000,- zal worden ingevorderd.
8.1.
Omdat het beroep tegen het bestreden besluit van 11 juli 2024 ongegrond is, krijgen eisers het griffierecht niet terug. Voor het van rechtswege ontstane beroep tegen het invorderingsbesluit is geen griffierecht geheven. De rechtbank veroordeelt het college wel in de proceskosten die eisers in verband met het beroep tegen het invorderingsbesluit hebben gemaakt.
8.2.
Eisers hebben verzocht om vergoeding van hun kosten in verband met beroepsmatige rechtsbijstand en om vergoeding van reiskosten van € 13,52 en verletkosten van € 57,56.
8.3.
De vergoeding in verband met beroepsmatige rechtsbijstand is als volgt berekend. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht geldt een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft een punt voor een proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde van eisers heeft als beroepsmatige rechtsbijstandverlener een nader stuk ingediend dat als beroepschrift tegen het invorderingsbesluit valt te beschouwen (één punt) en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (één punt). De vergoeding bedraagt dus in totaal € 1.814.
8.4.
De reiskosten voor het bijwonen van de zitting komen in aanmerking voor vergoeding. De rechtbank wijst het door eiser verzochte bedrag van € 13,52 aan reiskosten toe (op basis van kosten van openbaar vervoer).
8.5.
De verletkosten voor het bijwonen van de zitting komen ook in aanmerking voor vergoeding. Eisers hebben hun uurloon niet onderbouwd met bijvoorbeeld een loonstrookje, zoals verlangd in de toelichting van de rechtbank op het door hen ingevulde proceskostenformulier. De rechtbank gaat daarom uit van het minimale tarief van € 9,- per uur zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. [9] De rechtbank stelt de totale verletkosten vast op € 54,- (op grond van € 9,- per uur voor twee personen en drie uur in verband met de duur van de zitting, de reistijd en de wachttijd).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 11 juli 2024 ongegrond:
- verklaart het beroep tegen het invorderingsbesluit van 8 januari 2025 gegrond;
- vernietigt het invorderingsbesluit voor zover het de hoogte van het ingevorderde bedrag betreft;
- stelt de hoogte van het ingevorderde bedrag vast op € 5.000,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het invorderingsbesluit;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.881,52 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikelonderdeel a verbiedt het bouwen van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning. Artikelonderdeel c verbiedt het handelen in strijd met een bestemmingsplan zonder omgevingsvergunning.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
3.Zie rechtsoverweging 6.1 van de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
4.Zie rechtsoverweging 5.1 van de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3723.
5.Zie rechtsoverweging 11.1 van de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1719.
6.Zie rechtsoverweging 8.1 van de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2750.
7.Zie rechtsoverweging 2.1 van de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:32.
8.Zie rechtsoverweging 6.8 van de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5431.
9.Zie rechtsoverweging 6 van de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2778.