7.2.Uit het controlerapport van 4 februari 2025 volgt dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat ten opzichte van de controle op 18 november 2024 drie nieuwe bouwwerken zijn bijgeplaatst. Dit zijn een chalet, een stacaravan en een berging. Van deze bouwwerken zijn de locatie en afmetingen gespecificeerd en is een Beeldverslag gemaakt.
8. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de geconstateerde bouwwerken geen bouwwerken zijn in de zin van de Omgevingswet en het bestemmingsplan, slaagt de grond niet. Hoewel sommige bouwwerken in theorie mogelijk verrijdbaar zijn, betekent dit niet dat die bouwwerken niet bedoeld zijn om ter plaatse te functioneren. Bovendien is een stacaravan in artikel 1.119 gedefinieerd als een
‘een zelfstandig verrijdbaarbouwwerk, bestaande uit een lichte constructie en uit lichte materialen met wielas […] en als kampeermiddel valt aan te merken’.Eiser heeft deze grond niet verder onderbouwd. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding om te twijfelen aan het uitgangspunt dat de geconstateerde objecten kwalificeren als bouwwerken.
9. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat het college voorafgaand aan de bouwstop en last onder dwangsom geen deugdelijk feitenonderzoek heeft gedaan, slaagt de grond niet. Naar het oordeel van de rechtbank kleeft aan het bestreden besluit geen zorgvuldigheidsgebrek. De toezichthouder heeft duidelijk en per bouwwerk gespecificeerd aangegeven waar ze staan en wat de afmetingen zijn. Daarbij heeft de toezichthouder ook van elk bouwwerk foto’s toegevoegd. Bovendien ziet de last niet op het verwijderen van de geplaatste bouwwerken, maar op het voorkomen van verdere werkzaamheden, die de overtreding mogelijk vergroten.
Overtreding van het omgevingsplan (bestemmingsplan)?
10. Met het college is de rechtbank van oordeel dat het plaatsen van de geconstateerde bouwwerken een overtreding van het bestemmingsplan inhoudt. Chalets en containerwoningen zijn op de bestemming Recreatie – Verblijfsrecreatie in ieder geval niet toegestaan. Hoewel het bouwen van stacaravans onder voorwaarden toegestaan kan zijn, zijn de geconstateerde stacaravans te hoog, staan die te dicht op een andere recreatiewoning of berging of zijn daarbij te grote bijbehorende bouwwerken gebouwd. Dit is in strijd met de bouwregels voor de geldende bestemming.
11. Voor wat betreft het (beoogde) gebruik van de aangetroffen stacaravans, containerwoningen, chalets en bijbehorende overige bouwwerken kan het volgende worden opgemerkt. De toezichthouder heeft geconstateerd dat op het terrein geen hoofdgebouw aanwezig is dat invulling geeft aan een kampeerterrein. Er is bijvoorbeeld geen receptie of douchegebouw. Daarbij heeft eiser in reactie op de waarschuwingsbrief van
2 december 2024 ter mogelijke legalisering het projectplan ‘Het realiseren van een ecologisch Tiny house project, voor meerdere huisjes, op huidig recreatieterrein’ ingediend. Kennelijk is het idee van eiser om op het terrein Tiny houses te realiseren. In het projectplan wordt dan ook gesproken over het legaliseren van de Tiny-houses op het terrein. Bij de Tiny-houses worden onder meer zonnepanelen en een waterzuiveringssysteem of -filter geplaatst. Op de bijgevoegde foto’s zijn diverse vormen van een Tiny-house zichtbaar, onder meer als chalet en (tweelaagse) containerwoning/stacaravan. Dit projectplan ziet in zoverre op een beoogd gebruik voor permanente bewoning in Tiny houses in plaats van de toegestane Recreatie-Verblijfsrecreatie. Dit zou ook een overtreding van het bestemmingsplan opleveren.
Geen nieuwe activiteiten na de waarschuwingsbrief van 2 december 2024?
12. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat na de controle van 18 november 2024 en de waarschuwingsbrief van 2 december 2024 geen nieuwe activiteiten zijn verricht, mist deze stelling feitelijke grondslag. Uit de constateringen van de toezichthouder van
2 februari 2025 volgt immers dat drie nieuwe bouwwerken zijn bijgeplaatst, die een overtreding betreffen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de constatering van de toezichthouder te twijfelen.
13. Daargelaten wat het feitelijk gebruik (al) is van de bouwwerken (dit heeft de toezichthouder niet specifiek geconstateerd), blijft staan dat de bouwwerken in strijd met het omgevingsplan zijn gebouwd. Hierom zijn de bouwwerken reeds vergunningplichtig. Eiser beschikt niet over een vergunning waarmee hij in afwijking van het bestemmingsplan bouwwerkzaamheden mag uitvoeren. Nu sprake is van een overtreding en geen afwijkingsvergunning is verleend, is het college bevoegd om handhavend op te treden.
De bouwstop en (preventieve) last onder dwangsom
14. Het college heeft eiser de volgende bestuurlijke maatregelen opgelegd:
Bouwstop
Het college heeft geen omgevingsvergunning verleend voor deze werkzaamheden om af te wijken van het bestemmingsplan. Daarom past het college spoedeisende bestuursdwang toe: het college legt de bouwactiviteiten op de percelen direct stil (P707 t/m P714, P716, P717). Het bevel tot stillegging geldt totdat het college een nader standpunt heeft ingenomen over de plannen van eiser. Tot die tijd mag eiser geen bouwwerkzaamheden meer uitvoeren (waaronder wordt verstaan het plaatsen van bouwwerken).
Last onder dwangsom
Na de eerdere waarschuwing en het aanvullende verzoek om de bouwactiviteiten te staken, is eiser toch doorgegaan met de bouwwerkzaamheden. Daarom is het zeer aannemelijk dat eiser de betreffende werkzaamheden verder blijft voortzetten. Er is dan ook sprake van een gevaar voor een op zeer korte termijn te verwachten overtreding. Daarom legt het college eiser een preventieve last onder dwangsom op.
“Wij gelasten u om de werkzaamheden op […], in overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow gestaakt te houden tot het bevel tot stillegging van de werkzaamheden is opgeheven. Voert u het bovenstaande niet uit, dan verbeurt u€ 25.000,-[…] per constatering dat de overtreding voortduurt of nogmaals wordt begaan met een maximum van€ 125.000,- […].”
15. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat het college verschillende bewoordingen gebruikt voor de lastgeving, zodat voor eiser onduidelijk is wat van hem wordt verwacht om te voorkomen dat hij de dwangsom verbeurt, volgt de rechtbank hem niet. Uit het primaire besluit volgt duidelijk dat het verder plaatsen van bouwwerken gestaakt moet worden en blijven. Voor zover het college andere bewoordingen heeft gebruikt, spreken die de lastgeving zelf niet tegen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden.
Zijn er bijzondere omstandigheden om af te zien van handhavend optreden?
16. Op grond van artikel 18.1, aanhef en onder c, van de Ow omvat de bestuursrechtelijke handhavingstaak het opleggen en ten uitvoer leggen van een bestuurlijke sanctie tegen een overtreding. Dit is de beginselplicht tot handhaving.
17. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Concreet zicht op legalisatie?
18. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat er concreet zicht is op legalisatie van de overtredingen en het college daarom van handhaving had moeten worden afzien, volgt de rechtbank dit standpunt niet. De rechtbank overweegt dat aan eiser een bouwstop is opgelegd. Bij last onder dwangsom heeft het college eiser verboden om verdere bouwwerkzaamheden te verrichten, waaronder wordt verstaan meer bouwwerken plaatsen. Op grond van vaste rechtspraakis een bouwstop een ordemaatregel, waarbij slechts een beperkte belangenafweging aan de orde is. Bij een bouwstop hoeft niet te worden onderzocht of de bouw kan worden gerealiseerd, gelet op de aard en het doel van die bevoegdheid. Deze rechtspraak is met de Harderwijk-uitspraak niet gewijzigd.Gelet hierop is een legaliseringsonderzoek dus niet aan de orde.
19. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat het college niet bevoegd was om over te gaan tot een spoedeisende ordemaatregel omdat geen sprake is van een acute of onomkeerbare situatie, omdat de bouwwerken relatief eenvoudig kunnen worden verwijderd, slaagt de grond niet. De rechtbank overweegt dat de bouwstop en last onder dwangsom niet zien op het verwijderen van de bouwwerken, maar op het voortzetten van de bouwwerkzaamheden. De belangenafweging strekt niet zo ver dat het college uitgebreid had moeten onderzoeken of de bouwwerken verwijderd moeten worden. Een ordemaatregel is bedoeld voor deze situatie waarin het college de huidige situatie wil ‘bevriezen’ tot er meer duidelijkheid is over de bedoeling voor het terrein. Gebleken is dat de eerste waarschuwingsbrief hiertoe onvoldoende was, aangezien eiser daarna nieuwe bouwwerken heeft geplaatst. Ook is gebleken dat de last onder dwangsom zelf geen of onvoldoende effect heeft gesorteerd, aangezien eiser volgens het college de last heeft overtreden waarvoor het invorderingstraject loopt. Gelet hierop was de bouwstop passend, nodig en evenredig. Op een later moment kan het college een besluit nemen over het opheffen van de bouwstop of een opvolgende bestuurlijke maatregel waarbij de bouwwerken verwijderd (moeten) worden. Hier komt dan het legaliseringsvraagstuk ook aan bod.
20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dan ook gerechtvaardigd geen zienswijzeprocedure gevolgd voor de last onder dwangsom. Immers heeft eiser de eerste waarschuwingen genegeerd, zodat sprake was van een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 4:11, aanhef en onder a, van de Awb.
Verzwaarde motiveringsplicht?
21. Voor zover eiser heeft betoogd dat voor de aspecten spoedeisendheid, zienswijze en de duidelijkheid van de lastgeving voor het college een verzwaarde motiveringsplicht geldt, omdat het hierbij is afgeweken van het advies van de bezwarencommissie, leidt dit niet tot een gegrond beroep. Desgevraagd heeft (de gemachtigde van) eiser op de zitting niet kunnen uitleggen waar de gestelde verzwaarde motiveringsplicht uit volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de afwijking in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd.
22. Eiser heeft nog betoogd dat de maatregelen niet evenwichtig zijn omdat hij nog met het college in gesprek is over de mogelijkheden. Ook heeft het college geen rekening gehouden met de beperkte ernst van de situatie en de tijdelijke aard van de objecten. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze grond niet. De maatregelen zijn bedoeld om de situatie stil te leggen terwijl onderzocht wordt wat de bedoeling is op het terrein. Dat eiser dus nog in overleg is met de gemeente, maakt niet dat de maatregelen onevenwichtig zijn. Eiser heeft deze grond ook niet verder onderbouwd, zodat de rechtbank ook anderszins geen aanleiding ziet om de maatregelen onevenwichtig te achten.
23. Ter zitting heeft eiser nog betoogd dat het gevestigde voorkeursrecht op zijn perceel maakt dat het bestreden besluit onrechtmatig of onevenredig is. De rechtbank ziet – wat verder ook zij van het voorkeursrecht en de procedure daartoe – geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college een “dubbele agenda” heeft en misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot handhavend optreden.
24. Eiser voert aan dat de hoogte van de dwangsom onevenredig is. Het college heeft geen rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, en bovendien de hoogte niet onderbouwd of inzicht gegeven in de belangenafweging.
25. De rechtbank ziet geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de hoogte van de dwangsom van € 25.000,- in lijn is met de aard en ernst van de overtreding. De hoogte van de dwangsom moet een financiële prikkel zijn voor eiser om te voldoen aan de last. Hiervoor hoefde eiser alleen iets
niette doen: geen verdere bouwwerkzaamheden. Bovendien heeft eiser niet (verder) onderbouwd waarom de hoogte onevenredig uitpakt in zijn geval of hoe zijn omstandigheden in redelijkheid tot een lagere dwangsom hadden moeten leiden. Daarbij is de prikkel mogelijk niet hoog genoeg geweest, aangezien eiser volgens het college de dwangsom wel heeft verbeurd.
26. Hetgeen eiser meer of anders heeft aangevoerd, slaagt niet. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiser zijn beroepsgronden aanvankelijk had beperkt of niet onderbouwd, en deze op de zitting (te laat) nog heeft uitgebreid. Overigens ziet de rechtbank daarin ook geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen.