ECLI:NL:RBNHO:2026:6350

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
11927976 AO VER 25-44
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671 BWArt. 7:673 lid 8 BWArt. 7:681 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vernietiging ontslag op staande voet wegens slaan collega

Deze zaak betreft een ontslag op staande voet van werknemer wegens het slaan van een collega op 22 september 2025. Werknemer betwistte het incident, maar werkgever kreeg een bewijsopdracht toegewezen. Na schriftelijke bewijslevering en het horen van getuigen concludeert de kantonrechter dat werkgever aan de bewijsopdracht heeft voldaan.

De getuigenverklaringen en het huisartsenbericht bevestigen dat werknemer zijn collega heeft geslagen, wat leidde tot een kneuzing en zwelling aan het oor. Werknemer heeft de verklaringen betwist, maar deze werden als consistent en overtuigend beoordeeld. Ook het huisartsenbericht ondersteunt het letsel.

De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven vanwege een dringende reden. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag en wedertewerkstelling wordt afgewezen. De transitievergoeding wordt geweigerd omdat het handelen van werknemer als ernstig verwijtbaar wordt aangemerkt. Proceskosten worden aan werknemer opgelegd.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wegens het slaan van een collega is rechtsgeldig en het verzoek tot vernietiging en transitievergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer / rekestnummer: 11927976 AO VER 25-44
Beschikking van 2 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker]
wonende te [plaats 1]
verzoeker
hierna te noemen: [verzoeker]
gemachtigde: mr. T. Koenders
tegen
[verweerder] N.V.
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 2], gemeente [gemeente]
verweerder
hierna te noemen: [verweerder]
gemachtigde: mr. R.J.A.C. Haas

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over een ontslag op staande voet wegens (onder andere) het slaan van een collega door werknemer. Werknemer heeft gemotiveerd betwist dat hij zijn collega heeft geslagen. Werkgever heeft daarom bij tussenbeschikking een bewijsopdracht gekregen. Na schriftelijke bewijslevering en het horen van getuigen, oordeelt de kantonrechter dat werkgever in zijn bewijsopdracht is geslaagd. Uit de getuigenverklaringen en het huisartsenbericht kan genoegzaam worden afgeleid dat werknemer zijn collega heeft geslagen. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag en de verzochte wedertewerkstelling worden daarom afgewezen. De verzochte transitievergoeding wordt afgewezen, omdat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van werknemer.

2.De verdere procedure

2.1.
Hiervoor wordt verwezen naar de tussenbeschikking van 30 december 2025. Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
- de akte aangedragen getuigen inzake bewijsopdracht van [verweerder] van 13 januari 2026,
- de akte van de zijde van [verweerder] van 5 februari 2026, met producties 10 tot en met 13,
- de brief van de zijde van [verweerder] van 9 februari 2026, waarmee productie 14 in het geding is gebracht,
- de akte uitlaten bewijs van de zijde van [verzoeker] van 5 maart 2026,
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 14 april 2026,
- de akte uitlaten na getuigenverhoor van [verzoeker],
- de akte na enquête van [verweerder]
2.2.
De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking vervolgens bepaald op heden.

3.De verdere beoordeling

3.1.
Verwezen wordt naar de tussenbeschikking van 30 december 2025. De kantonrechter blijft bij hetgeen hierin is overwogen en beslist. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingelast.
3.2.
Bij de genoemde tussenbeschikking is [verweerder] toegelaten te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [verzoeker] [betrokkene 1] op 22 september 2025 heeft geslagen. [verweerder] heeft bij akte van 5 februari 2026 en bij brief van 9 februari 2026 nadere schriftelijke stukken in het geding gebracht. Naar aanleiding van de akte aandragen getuigen inzake bewijsopdracht van [verweerder] van 13 januari 2026 zijn op 14 april 2026 mondeling als getuigen gehoord: [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3], werknemers van [verweerder] en [betrokkene 4], zelfstandig werkend.
3.3.
[verweerder] stelt in de akte na enquête, onder verwijzing naar deze stukken en de afgelegde verklaringen, kort gezegd, dat [verweerder] aan haar bewijsopdracht heeft voldaan. De verklaringen van [betrokkene 1] dat zij door [verzoeker] op haar linkeroor is gestompt en (dus) is geslagen vinden steun in onder andere de verklaring van [betrokkene 5] en het bericht uit het huisartsenjournaal waarin het letsel aan haar linkeroor is beschreven. Buiten de kale ontkenning van [verzoeker] ontbreekt ook iedere contra-indicatie hiervan. Bovendien wordt de stelling van [verzoeker] dat [betrokkene 1] hem racistisch zou hebben bejegend, hetgeen volgens [verzoeker] mede zou hebben geleid tot het incident, niet ondersteund door de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3].
3.4.
[verzoeker] heeft in zijn akte uitlaten na getuigenverhoor bestreden dat [verweerder] in haar bewijsopdracht is geslaagd. [verzoeker] voert daartoe, kort samengevat, aan dat de afgelegde verklaringen onvoldoende zijn om het benodigd bewijs te leveren en elkaar op essentiële punten tegenspreken. Aan de originele schriftelijke verklaring van één van de getuigen, [betrokkene 4], dient volgens [verzoeker] geen gewicht toe te komen, omdat deze onder druk van [verweerder] tot stand is gekomen. De verklaring van [betrokkene 1] in het bijzonder is niet consistent en wordt op belangrijke punten weersproken, waarbij duidelijk blijkt dat [betrokkene 1] in haar eigen voordeel verklaart en een gekleurd en aangezet beeld schetst van [verzoeker] als agressor, aldus [verzoeker].
was er sprake van een dringende reden voor ontslag op staande voet?
3.5.
In r.o. 6.4. van de tussenbeschikking is vastgesteld dat [verweerder] het ontslag op staande voet onverwijld heeft gegeven. Ter (verdere) beoordeling ligt, in navolging op hetgeen reeds is overwogen in r.o. 6.5. van de tussenbeschikking, dus de vraag voor of [verzoeker] [betrokkene 1] heeft geslagen en zo ja, of dat een dringende reden opleverde voor het gegeven ontslag op staande voet. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
het letsel van [betrokkene 1]
3.6.
[verweerder] heeft bij akte van 5 februari 2026 een e-mailbericht van 26 september 2-2025 van Huisartsenpraktijk [plaats 3] ingebracht, waarin het volgende is opgenomen:
“(..) 23-09-2025 (..)
Cons
Probleem ten gevolge van geweld
S
Gisteren een klap van een collega gehad tegen kaaklijn, oor aan de linkerzijde. Gezwollen en blauw. Gisteren contact gehad met de huisartsenpost, vandaar vandaag op het spreekuur. hoort wel nog goed aan het linker oor, geen tinnitus. blijft nu ook last van vurig gevoel en trekt ook door naar de nek en de schouder.
linker zijde: lichte zwelling van oorschelp aan de bovenzijde. drukpijn over de kaak en achter het oor en in de nek over de spieren. roodheid te zien, nu geen hematoom zichtbaar.
AD: gb, AS: gb
E
Z25
Probleem ten gevolge van geweld
P
pcm voor pijn, verder voor nu geen schade aan binnenoor gevonden, kneuzing van oor en rondom (..)”
3.7.
Uit dit huisartsenbericht blijkt dat de huisarts van [betrokkene 1] een dag na het incident op 22 september 2025 heeft vastgesteld dat er bij [betrokkene 1] sprake is van een kneuzing van en rondom het oor, dat haar oorschelp licht gezwollen is, er roodheid te zien is en [betrokkene 1] drukpijn over de kaak, achter haar oor en in de nek over de spieren ervaart.
wat is er gebeurd op 22 september 2025?
3.8.
De kantonrechter stelt op basis van de getuigenverklaringen vast dat [betrokkene 1] [verzoeker] op 22 september 2025 rond lunchtijd in de kantine van [verweerder] heeft aangesproken op zijn lunchtijd, omdat [betrokkene 1] meende dat [verzoeker] op het verkeerde moment pauze nam, hetgeen volgens haar tot een gevaarlijke situatie in de ‘cleaning’ leidde omdat een medewerker van [verweerder] daardoor alleen aan het werk was. De twee collega’s van [verzoeker] die op dat moment gezamenlijk met hem pauzeerden, [betrokkene 3] en [betrokkene 2], verklaren beide dat er zowel aan de zijde van [betrokkene 1] als [verzoeker] enige irritatie te bemerken leek tijdens dit gesprek. Enige tijd later is [verzoeker] vervolgens - onbetwist - naar het kantoor van [betrokkene 1] gekomen, om daar nogmaals met [betrokkene 1] in gesprek te gaan. De kantonrechter stelt op basis van de door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen, die op dit punt niet door [verzoeker] zijn betwist, vast dat [verzoeker] zodanig stond opgesteld in het kantoor van [betrokkene 1] dat zij klem kwam te staan tussen een muur, de balie en een kopieerapparaat, waarbij [verzoeker] de uitgang van het kantoor (dus) blokkeerde.
3.9.
[betrokkene 1] heeft vervolgens consistent verklaard dat [verzoeker] vrijwel direct hard tegen haar begon te schreeuwen, waarop zij [verzoeker] meermaals heeft verzocht het kantoor uit te gaan. [verzoeker] gaf daar volgens [betrokkene 1] geen gehoor aan, waarna [betrokkene 1], zoals zij zelf verklaart, een ‘zwaaiende beweging richting de deur maakte’, waarbij zij [verzoeker] bovenarm heeft geschampt. [betrokkene 1] heeft (steeds) verklaard dat [verzoeker] [betrokkene 1] in reactie daarop een klap/stomp op haar oor en wang gaf en de impact daarvan zodanig was dat [betrokkene 1] achterover viel op het bureau, met het genoemde letsel tot gevolg.
3.10.
De twee getuigen die bij het incident aanwezig waren, [betrokkene 4] (een op dat moment bij [verweerder] werkzame ZZP’er) en [betrokkene 5] (een Servische vrachtwagenchauffeur die op dat moment bij [betrokkene 1] aan de balie stond om een certificaat te halen) verklaren daarover respectievelijk:
“Ik ben uit de wc’s gekomen en kwam op geschreeuw af. [verzoeker] staan t/o [betrokkene 1]. Ze stonden achter de balie in een kleine ruimte. Ik hoorde [betrokkene 1] hard zeggen dat hij uit het kantoor moest gaan. [verzoeker] ging niet weg. Ze stonden te dicht bij elkaar. Ik zag dat [verzoeker] nog dichterbij kwam en haalde hij uit naar [betrokkene 1]. [betrokkene 1] weerde af en viel tegen het buro.”
en
“Op een gegeven moment sloeg de medewerker de betreffende vrouw op haar keel terwijl ze dicht bij elkaar stonden, en daar was ook een andere vrouw bij die daar aanwezig was en de ruimte aan het schoonmaken was.
3.11.
De kantonrechter stelt vast dat beide getuigen, anders dan [verzoeker] stelt, het verhaal van [betrokkene 1] op essentiële punten onderschrijven. De verklaring van [betrokkene 1] is daardoor niet alleen intern consistent, maar door de getuigenverklaringen is de verklaring van [betrokkene 1] ook extern consistent. Dit geldt temeer omdat het onder 3.6 opgenomen huisartsenbericht, zowel wat betreft het verhaal dat [betrokkene 1] heeft verteld (onder ‘S’) en het in het bericht opgelopen objectief waargenomen letsel (‘O’) (zie r.o. 3.6) correspondeert met hetgeen die [betrokkene 1] al direct na het incident heeft gerapporteerd.
3.12.
[verzoeker] stelt dat er minder gewicht aan de verklaringen van [betrokkene 1] moet toekomen, omdat zij een gekleurd en aangezet beeld van [verzoeker] als agressor schetst. Dit blijkt volgens [verzoeker] onder meer uit het feit dat [betrokkene 1] ten onrechte heeft verklaard dat [verzoeker] na het gesprek in de kantine en voorafgaand aan de confrontatie in haar kantoor nogmaals een discussie met [betrokkene 1] heeft willen uitlokken bij de toiletten. Dat de gestelde ‘tweede confrontatie’ niet zou hebben plaatsgevonden, kan op basis van de afgelegde verklaringen, anders dan [verzoeker] betoogt, echter niet worden vastgesteld. Zowel [betrokkene 3] als [betrokkene 2] verklaren namelijk dat zij niet weten wat er is gebeurd nadat [verzoeker] en [betrokkene 1] de kantine hadden verlaten, zodat dit verder in het midden zal worden gelaten, temeer omdat de kantonrechter het voor de verdere inhoudelijke beoordeling niet van wezenlijk belang acht.
3.13.
[verzoeker] betoogt verder dat aan de geschreven verklaring van [betrokkene 4] geen gewicht kan worden toegekend, omdat de verklaring door [verweerder] is opgesteld en (dus) niet van [betrokkene 4] hand is. De kantonrechter gaat ook aan dit verweer voorbij. Daarbij zal in het midden worden gelaten of de verklaring door [betrokkene 4] of [betrokkene 6] (werkzaam bij [verweerder]) is ‘geschreven’, nu dit (ook) niet kan worden vastgesteld. Van belang daarvoor is dat niet in geschil is dat [betrokkene 4] en [verweerder] de verklaring gezamenlijk hebben opgesteld en [betrokkene 4] haar handtekening onder de verklaring heeft gezet, hetgeen zij ook expliciet heeft verklaard tijdens haar getuigenverhoor, waarmee [betrokkene 4] naar het oordeel van de kantonrechter heeft erkend achter de inhoud van de verklaring te staan. Dat [betrokkene 4] tijdens het getuigenverhoor niet nader heeft willen verklaren doet er niet aan af dat de verklaring van [betrokkene 4], zoals [verweerder] terecht aanvoert, (nog steeds) dwingende bewijskracht heeft in de zin van artikel 157 lid 2 Rv Pro. Dat [betrokkene 4] op een oneigenlijke manier onder druk is gesteld om te verklaring op te stellen, dan wel te ondertekenen, is onvoldoende gemotiveerd gesteld, noch gebleken, zodat de verklaring ook in zoverre als dwingend bewijs kan dienen voor de stellingen van [verweerder]. Daar komt bij dat [verzoeker] zich in zijn akte na getuigenverhoor ter onderbouwing van zijn stellingen zélf ook beroept op de schriftelijke verklaring van [betrokkene 4], zodat tot slot ook in zoverre geen grond bestaat die verklaring buiten beschouwing te laten.
3.14.
[verzoeker] wijst er voorts op dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij [verzoeker] op zijn rechter bovenarm heeft geraakt, hetgeen gelet op het feit dat [betrokkene 1] zelf heeft verklaard dat zij rechtshandig is niet logisch is. [verzoeker] stelt dat het daarom aannemelijk is dat [betrokkene 1] [verzoeker] uit haar kantoor heeft willen duwen, zoals [verzoeker] het ook heeft ervaren en steeds heeft verklaard. De kantonrechter overweegt hierover het volgende.
3.15.
De kantonrechter acht het gezien de situatie in haar kantoor alleszins begrijpelijk dat [betrokkene 1] [verzoeker] vanwege haar hachelijke situatie uit de ruimte wilde hebben, hetgeen zij zelf ook heeft verklaard en (in ieder geval) [betrokkene 4] ook heeft waargenomen. De kantonrechter gaat ervan uit dat [betrokkene 1], zoals zij zelf heeft verklaard, [verzoeker] tijdens het wijzen naar de deur inderdaad heeft geschampt. Daartegenover is echter vastgesteld dat [verzoeker], al dan niet in reactie daarop – de getuigen hebben dit ‘schampen’ immers niet waargenomen – heeft ‘uitgehaald’ naar [betrokkene 1] waardoor [betrokkene 1] letsel heeft opgelopen. Dat dit letsel, zoals [verzoeker] betoogt, ook op andere manieren kan zijn ontstaan, bijvoorbeeld doordat [betrokkene 1] haar evenwicht zou zijn verloren, acht de kantonrechter niet aannemelijk. Omdat niet valt in te zien hoe de reactie van [verzoeker] op welke manier dan ook een proportionele reactie was op het al dan niet schampen van zijn bovenarm door [betrokkene 1], heeft [verzoeker] de grenzen van het betamelijke ernstig overschreden. Voldoende bewezen is dat [verzoeker] [betrokkene 1] heeft geslagen, met letsel tot gevolg, en [verweerder] had op grond daarvan een dringende reden om tot ontslag op staande voet over te gaan.
3.16.
De kantonrechter stelt bovendien vast dat hieruit volgt dat [verzoeker] in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij [betrokkene 1] niet heeft geslagen, zodat ook de tweede dringende reden die [verweerder] aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd in rechte is komen vast te staan.
3.17.
De kantonrechter concludeert dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.
geen vernietiging van het ontslag
3.18.
Uit artikel 7:681 lid Pro 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW Pro. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zal het verzoek van [verzoeker] om vernietiging van dat ontslag worden afgewezen. Er is immers geen sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW Pro, zodat er ook geen grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW Pro.
de vorderingen van [verweerder]
3.19.
Gezien de conclusie onder 3.17, liggen de vorderingen sub II tot en met IV van [verzoeker] voor afwijzing gereed. De door [verzoeker] gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen, omdat het ontslag terecht is gegeven. [verweerder] is om die reden niet gehouden tot loon(door)betaling en/of wedertewerkstelling van [verzoeker].
transitievergoeding
3.20.
[verzoeker] heeft subsidiair verzocht om betaling van een transitievergoeding, omdat er geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan zijn zijde. Voor het geval de kantonrechter oordeelt dat er (wel) sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verzoeker], verzoekt [verzoeker] om toekenning van de transitievergoeding onder toepassing van ‘het luizengaatje’ van artikel 7:673 lid 8 BW Pro. [verweerder] heeft bestreden dat [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding omdat deze niet is verschuldigd indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.
3.21.
Hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, omdat daarvoor een dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt echter niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid (WWZ) blijkt dat voormelde uitzonderingsgrond een beperkte reikwijdte heeft en terughoudend moet worden toegepast. De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen kwijtraken in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidende handelen of nalaten van de werknemer niet slechts als verwijtbaar, maar als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Van deze uitzondering is in dit geval sprake omdat de ernstige verwijtbaarheid ligt besloten in de gedraging – het slaan van een collega – die tot het ontslag heeft geleid. [verzoeker] heeft ook niet (onderbouwd) gesteld waarom, als de kantonrechter zal oordelen dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven vanwege een dringende reden, zijn handelen niet als ernstig verwijtbaar zou moeten worden aangemerkt. De vordering wordt daarom afgewezen.
proceskosten
3.22.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker], omdat hij ongelijk krijgt. Daarbij wordt [verzoeker] ook veroordeeld tot betaling van € 144,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [verweerder] worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking.
de voorwaardelijke tegenverzoeken
3.23.
Hiervoor is geoordeeld dat het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt afgewezen. Dat betekent dat de voorwaarde waaronder [verweerder] het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft gedaan, niet is vervuld. Het verzoek hoeft daarom niet te worden beoordeeld en er hoeft ook niet op te worden beslist.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de verzoeken van [verzoeker] af,
4.2.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verweerder] tot en met vandaag vaststelt op € 865,00 aan salaris gemachtigde en
€ 144,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [verweerder] worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot de dag van volledige betaling;
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
het tegenverzoek
4.4.
verstaat dat de voorwaarde waaronder het verzoek is ingediend niet is vervuld.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.A. Charbon en in haar afwezigheid door mr. P.J. Jansen in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.