ECLI:NL:RBNHO:2026:8252

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
K/4102/12220627
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:626 BWArt. 7:655 BWArt. 6:96 BWArt. 28 lid 1 sub e Wet op de loonbelasting 1964Art. 27 juncto Art. 6 Wet op de loonbelasting 1964
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verstekvonnis loonvordering en nakoming werkgeversverplichtingen in arbeidsrelatie

De werknemer trad in 2021 in dienst bij Auto Service Haarlem B.V. en werkte vanaf 2025 onder verantwoordelijkheid van ABC Professional B.V. Hij ontving structureel minder dan het minimumloon en kreeg geen schriftelijke arbeidsovereenkomst, loonstroken of jaaropgave. Na ontbinding van ASH in 2025 zette hij zijn werkzaamheden voort, maar legde deze per 1 april 2026 neer vanwege het ontbreken van loonstroken, jaaropgave en aanmelding bij de Belastingdienst en het UWV.

De kantonrechter verleende verstek tegen ABC en oordeelde dat de loonvordering over januari 2025 tot en met maart 2026 gegrond is, inclusief vakantiegeld, wettelijke verhoging en rente. De opschorting van arbeid vanaf april 2026 werd echter onterecht geacht omdat er geen ernstige tekortkoming zoals niet-betaling van loon was. De vordering tot loonbetaling vanaf april 2026 werd daarom afgewezen.

Verder werd ABC veroordeeld om binnen vier weken correcte loonstroken, een jaaropgave, een schriftelijke arbeidsovereenkomst en een vakantiekaart te verstrekken, en om de werknemer met terugwerkende kracht aan te melden bij de Belastingdienst en het UWV. De vordering tot aanmelding bij een pensioenfonds werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs. Tot slot werd ABC veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

Uitkomst: Werkgever ABC wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, vakantiegeld, wettelijke verhoging, rente, nakoming administratieve verplichtingen en aanmelding bij instanties, terwijl opschorting arbeid vanaf april 2026 wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12220627 \ VV EXPL 26-61
Verstekvonnis in kort geding van 25 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. G. Bloem,
tegen
de besloten vennootschap,
ABC PROFESSIONAL B.V.,
te Haarlem,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ABC,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de betekende dagvaarding met producties;
- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Tegen ABC is verstek verleend. Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.
[eiser] is in 2021 in dienst getreden bij Auto Service Haarlem B.V. (hierna: ASH).
2.2.
[eiser] heeft zijn werkzaamheden na 31 december 2024 voortgezet onder de instructie en verantwoordelijkheid van ABC.
2.3.
[eiser] heeft vanaf januari 2025 tot en met maart 2026 een bedrag van € 1.750,00 netto per maand aan salaris van ABC ontvangen.
2.4.
De rechtspersoon ASH is per 11 juli 2025 ontbonden.
2.5.
Per 1 april 2026 heeft [eiser] zijn werkzaamheden voor ABC neergelegd.
2.6.
Bij sommatie van 22 april 2026 heeft [eiser] ABC verzocht om een afschrift van zijn schriftelijke arbeidsovereenkomst, alle loonstroken vanaf het moment dat ABC als werkgever is opgetreden, een jaaropgave over 2025 en een bewijs van aanmelding bij de Belastingdienst en het UWV. Ook heeft [eiser] geschreven dat hij zijn werkzaamheden met ingang van 1 april 2026 heeft opgeschort.

3.De vordering

3.1.
[eiser] vordert (samengevat) dat ABC veroordeeld wordt:
  • tot betaling van het achterstallig salaris over de periode vanaf januari 2025 tot en met april 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;
  • tot betaling van het salaris over de periode vanaf mei 2026 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd (inclusief vakantiegeld), te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente als ABC te laat betaalt;
  • tot betaling van het vakantiegeld over de periode juli 2025 tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente als ABC te laat betaalt;
  • tot afgifte van correcte loonstroken, de jaaropgave over 2025, een schriftelijke arbeidsovereenkomst en een vakantiekaart, op straffe van een dwangsom;
  • om [eiser] met terugwerkende kracht aan te melden bij het UWV, de Belastingdienst en (voor zover van toepassing) een aangesloten Pensionfonds of pensioenverzekeraar, op straffe van een dwangsom;
Daarnaast vordert [eiser] de kantonrechter om te bepalen dat [eiser] bevoegd is om de bedongen arbeid op te schorten totdat ABC alsnog (volledig) aan haar verplichtingen heeft voldaan. Dit alles met veroordeling van ABC in de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij structureel onder het minimumloon betaald heeft gekregen, nooit een schriftelijke arbeidsovereenkomst, loonstroken of een jaaropgave van ABC heeft ontvangen en niet staat aangemeld bij de Belastingdienst en/of het UWV. Deze omstandigheden hebben ertoe geleid dat [eiser] zijn werkzaamheden rechtsgeldig heeft opgeschort, zodat hij recht houdt op loon.

4.De beoordeling

Verstek
4.1.
ABC is in deze procedure niet verschenen. De dagvaarding is op de juiste manier aan haar betekend. Daarom is tegen ABC verstek verleend.
Spoedeisend belang
4.2.
De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eiser] daarbij een spoedeisend heeft. Dat is het geval, nu het hier gaat om een loonvordering die naar zijn aard spoedeisend is.
Loonvordering tot en met maart 2026
4.3.
[eiser] heeft in de periode van januari 2025 tot en met maart 2026 een netto salaris van € 1.750,00 per maand van ABC ontvangen. Volgens [eiser] heeft hij altijd 40 uur per week gewerkt. Omdat ABC niet is verschenen en (dus) geen verweer heeft gevoerd, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van [eiser]. Dat betekent dat [eiser] (gelet op het wettelijk vastgestelde minimum) structureel te weinig loon heeft ontvangen.
4.4.
[eiser] heeft pro-formaloonstroken overgelegd waaruit blijkt welk loon hij op basis van het minimumloon had moeten ontvangen. Deze berekeningen komen de kantonrechter niet onjuist of onredelijk voor, zodat deze tot uitgangspunt worden genomen bij de beoordeling van de loonvordering. Dit leidt tot de volgende uitkomst:
4.5.
Over januari 2025 tot en met december 2025 heeft [eiser] nog recht op een bedrag van € 6.063,98 netto aan achterstallig salaris. Dit bedrag is inclusief vakantiegeld tot en met juni 2025.
4.6.
Over januari 2026 tot en met maart 2026 heeft [eiser] nog recht op een bedrag van € 2.399,19 netto aan achterstallig salaris.
4.7.
Daarnaast heeft [eiser] over juli 2025 tot en met maart 2026 nog recht op een bedrag van € 1.810,02 bruto aan vakantiegeld.
4.8.
Aangezien [eiser] niet tijdig aan haar loonbetalingsverplichtingen heeft voldaan, is zij over de onder 4.5 t/m 4.7 genoemde bedragen ook de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente verschuldigd.
4.9.
Voor de vraag of ABC ook het loon (en vakantiegeld) vanaf april 2026 verschuldigd is, moet eerst worden beoordeeld of [eiser] zijn werk terecht heeft opgeschort. Daarover wordt als volgt overwogen.
Opschorting werkzaamheden en loonvordering vanaf april 2026
4.10.
Een werknemer mag zijn verplichting tot het verrichten van arbeid alleen opschorten als sprake is van een tekortkoming door de werkgever die opschorting rechtvaardigt. Of daarvan sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval.
4.11.
[eiser] heeft op de zitting toegelicht dat hij zijn werkzaamheden heeft neergelegd omdat de situatie waarin hij verkeerde ‘niet legaal’ was. Hij had aan het begin van het jaar geen jaaropgave van ABC ontvangen. Vervolgens heeft hij om loonstroken en een schriftelijke arbeidsovereenkomst verzocht, maar die heeft hij niet gekregen. Ook ontdekte hij dat hij niet was aangemeld bij de Belastingdienst en het UWV.
4.12.
De kantonrechter is van oordeel dat ABC daarmee in strijd heeft gehandeld met de op haar rustende wettelijke verplichtingen. Deze tekortkomingen leveren op zichzelf echter geen voldoende ernstige grond op om een opschorting van de arbeidsprestaties te rechtvaardigen. Daarbij is van belang dat de arbeid de kernprestatie van de werknemer vormt, zodat opschorting slechts aan de orde is bij een ernstige tekortkoming (zoals het langdurig uitblijven van loon). Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. [eiser] heeft zijn werkzaamheden per 1 april 2026 neergelegd. Er was op dat moment (nog) geen sprake van het niet-betalen van loon. [eiser] had kort daarvoor zijn loon over maart 2026 ontvangen en het loon over april 2026 was nog niet verschuldigd. Weliswaar kreeg hij te weinig betaald, maar dat was al vanaf de aanvang van de arbeidsovereenkomst het geval. Ook die tekortkoming rechtvaardigt geen (volledige) opschorting van de werkzaamheden.
4.13.
De conclusie is dat [eiser] zijn werkzaamheden ten onrechte heeft opgeschort. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen.
4.14.
Het voorgaande brengt mee dat [eiser] geen recht heeft op loon (en/of vakantiegeld) over de periode vanaf 1 april 2026. De vordering tot betaling van het loon zal daarom in zoverre worden afgewezen. Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat [eiser] op de zitting heeft meegedeeld dat hij sinds 25 mei 2026 een nieuwe baan heeft en dus niet meer beschikbaar is voor werkzaamheden bij ABC. Ook om die reden heeft hij vanaf die datum geen recht op loonbetaling door ABC.
Loonstroken en jaaropgave
4.15.
ABC heeft geen loonspecificaties en/of jaaropgave aan [eiser] verstrekt. Zij is daartoe wel verplicht. [1] De kantonrechter zal de vordering van [eiser] tot verstrekking van correcte loonstroken toewijzen voor de periode januari 2025 tot en met maart 2026 en de vordering voor het overige afwijzen. Daarnaast zal de kantonrechter de vordering tot verstrekking van de jaaropgave over 2025 toewijzen.
4.16.
ABC dient de loonstroken en jaaropgave binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd tot € 50,00 per dag dat ABC in gebreke blijft aan de betreffende veroordeling te voldoen, met een maximum van € 2.500,00 per veroordeling.
Schriftelijke arbeidsovereenkomst
4.17.
Bij aanvang van de werkzaamheden zijn partijen geen schriftelijke arbeidsovereenkomst overeengekomen. De werkgever is in een dergelijk geval verplicht om binnen een week na aanvang van de werkzaamheden aan de werknemer een schriftelijke of elektronische opgave te verstrekken van een groot aantal arbeidsvoorwaarden. [2] ABC heeft dat nagelaten, zodat zij hiertoe zal worden veroordeeld. ABC zal ook worden veroordeeld om een overzicht van de opgebouwde en opgenomen vakantie-uren aan [eiser] te verstrekken (ook wel: vakantiekaart).
4.18.
De schriftelijke arbeidsovereenkomst (althans het schriftelijke of elektronische overzicht van de in artikel 7:655 BW Pro lid 1 genoemde gegevens) en de vakantiekaart moeten binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan [eiser] worden verstrekt. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd tot € 50,00 per dag dat ABC met nakoming daarvan in gebreke blijft, met een maximum van € 2.500,00.
Aanmelding bij de Belastingdienst en het UWV
4.19.
ABC heeft [eiser] niet aangemeld bij de Belastingdienst, waardoor hij ook niet bekend is bij andere instanties die afhankelijk zijn van informatie van de Belastingdienst (zoals het UWV). Werkgevers zijn verplicht om hun werknemers na indiensttreding aan te melden bij de Belastingdienst, zodat loonaangifte kan worden gedaan over de gewerkte periodes en de werknemers aanspraak kunnen maken op (onder andere) werknemersverzekeringen. [3] ABC zal daarom veroordeeld worden om [eiser] binnen één week na betekening van dit vonnis alsnog met terugwerkende kracht aan te melden bij de Belastingdienst en het UWV. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen zoals gevorderd, met dien verstande dat deze wordt gemaximeerd op een bedrag van € 5.000,00.
Aanmelding bij een pensioenfonds of pensioenverzekeraar
4.20.
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de aanmelding van [eiser] bij een pensioenfonds of pensioenverzekeraar wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat op ABC een dergelijke verplichting rust en op welk pensioenfonds of -verzekeraar dit betrekking heeft.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.21.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom. De kantonrechter zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom. Daarom zal een bedrag van € 877,73 worden toegewezen.
Proceskosten
4.22.
ABC is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal ABC niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
Totaal
814,00

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt ABC tot betaling van € 6.063,98 netto aan achterstallig salaris over de periode van januari 2025 tot en met december 2025,
5.2.
veroordeelt ABC tot betaling van € 2.399,19 netto aan achterstallig salaris over de periode van januari 2026 tot en met maart 2026,
5.3.
veroordeelt ABC tot betaling van € 1.810,02 bruto aan vakantiegeld over de periode van juli 2025 tot en met maart 2026,
5.4.
veroordeelt ABC tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente over de veroordelingen zoals genoemd onder 5.1, 5.2 en 5.3,
5.5.
veroordeelt ABC tot betaling van € 877,73 aan buitengerechtelijke kosten,
5.6.
veroordeelt ABC om binnen vier weken na dagtekening van dit vonnis correcte loonstroken over de maanden januari 2025 tot en met maart 2026 aan [eiser] te verstrekken, op verbeurte van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat ABC niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 2.500,00,
5.7.
veroordeelt ABC om binnen vier weken na dagtekening van dit vonnis een jaaropgave over 2025 aan [eiser] te verstrekken, op verbeurte van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat ABC niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 2.500,00,
5.8.
veroordeelt ABC om binnen vier weken na dagtekening van dit vonnis een schriftelijke arbeidsovereenkomst die voldoet aan de wettelijke vereisten van artikel 7:655 BW Pro en een vakantiekaart aan [eiser] te verstrekken, op verbeurte van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat ABC niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 2.500,00,
5.9.
gelast ABC om binnen één week na betekening van dit vonnis [eiser] met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2025 aan te melden als werknemer bij het UWV en de Belastingdienst, op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat ABC niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 5.000,00,
5.10.
veroordeelt ABC in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.11.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.12.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Zie artikel 7:626 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 28 lid 1 sub e van Pro de Wet op de loonbelasting 1964.
2.Zie artikel 7:655 BW Pro.
3.Zie artikel 27 juncto Pro artikel 6 van Pro de Wet op de loonbelasting 1964.