ECLI:NL:RBNHO:2026:8263

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
K/4102/12152146
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkgever aansprakelijk voor betaling loon ondanks ontbreken juiste werkvergunning

De werknemer, afkomstig uit Oeganda en in een asielprocedure, trad per 29 maart 2025 in dienst bij de werkgever als housekeeper. Hoewel aanvankelijk een tewerkstellingsvergunning (TWV) was aangevraagd door een ander bedrijf, besloot de werknemer bij de werkgever te gaan werken, die zelf later een TWV voor hem aanvroeg. De werknemer werkte in totaal 128 uur, maar werd na 1 mei 2025 niet meer opgeroepen.

De werknemer vorderde betaling van achterstallig salaris, vakantietoeslag en vakantie-uren over de periode van 29 maart tot en met 1 mei 2025. De werkgever voerde verweer met het argument dat de werknemer niet over de juiste werkvergunning beschikte en dat hij na ontslag zonder toestemming bleef werken.

De kantonrechter oordeelde dat de werkgever onvoldoende had onderbouwd dat de werknemer zonder toestemming werkte en dat het ontbreken van een juiste TWV niet aan de werknemer kan worden toegerekend. De verantwoordelijkheid voor het aanvragen en controleren van de vergunning ligt bij de werkgever. Er was geen sprake van misleiding door de werknemer. Daarom werd de loonvordering toegewezen, inclusief wettelijke verhoging en rente, en werd de werkgever veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon inclusief wettelijke verhoging en rente ondanks ontbreken juiste werkvergunning.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12152146 \ CV EXPL 26-1854
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. A. van Schaik,
tegen
de besloten vennootschap
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
verschenen bij haar directeur-eigenaar, [betrokkene].

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.
[eiser] komt uit Oeganda en doorloopt momenteel een asielprocedure in Nederland.
2.2.
[eiser] zou aanvankelijk in dienst treden bij [bedrijf]. [bedrijf] heeft in dat verband een tewerkstellingsvergunning (TWV) voor hem aangevraagd en op 11 maart 2025 verkregen.
2.3.
In de tussentijd heeft [eiser] besloten om niet bij [bedrijf], maar bij [gedaagde] in dienst te treden.
2.4.
[eiser] is per 29 maart 2025 door [gedaagde] als Housekeeper tewerkgesteld bij hotel Zuiderduin.
2.5.
Op 31 maart 2025 heeft ook [gedaagde] een TWV aangevraagd voor [eiser].
2.6.
Op 7 april 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] gevraagd om de door het UWV aan [bedrijf] afgegeven TWV in te (laten) trekken. [eiser] bevestigt dezelfde dag dat hij dat zal doen.
2.7.
Op 10 april 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 110,00 van [gedaagde] ontvangen.
2.8.
Op 15 april 2025 heeft het UWV de intrekking van de aan [bedrijf] afgegeven TWV bevestigd.
2.9.
Op 15 april 2025 hebben partijen een schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten. In de arbeidsovereenkomst staat dat [eiser] per 15 april 2025 voor bepaalde tijd (tot 1 februari 2026) bij [gedaagde] in dienst treedt als schoonmaker, tegen een salaris van € 14,56, exclusief 8% vakantietoeslag en 10% vakantie-uren. Zowel de vakantietoeslag als de vakantiedagen worden maandelijks bij het salaris uitgekeerd.
2.10.
Na 1 mei 2025 is [eiser] niet meer opgeroepen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.863,68 bruto aan achterstallig salaris over de periode van 29 maart 2025 tot en met 1 mei 2025, te vermeerderen met de vakantietoeslag, de vakantie-uren, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. [gedaagde] erkent dat [eiser] bij [gedaagde] in dienst was, maar voert aan dat [eiser] niet over de juiste werkvergunning beschikte. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [eiser] zonder toestemming en na zijn ontslag is doorgegaan met zijn werkzaamheden.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] moet worden veroordeeld tot betaling van het loon van [eiser]. De kantonrechter is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
4.2.
[eiser] heeft (onder verwijzing naar het overgelegde werkrooster van hotel Zuiderduin) voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in de periode van 31 maart 2025 tot 1 mei 2025 in totaal 128 uur bij hotel Zuiderduin heeft gewerkt. [eiser] staat in het overgelegde rooster van het hotel geregistreerd als uitzendkracht van [gedaagde]. [gedaagde] heeft haar verweer dat [eiser] deze arbeid zonder toestemming heeft verricht, onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat [eiser] in een reactie op een brief van (de gemachtigde van) [gedaagde] heeft geschreven dat het hem spijt hoe de situatie zich heeft ontwikkeld en dat hij door anderen aan de groepsapp en rooster-mailinglist is toegevoegd, is in dit verband onvoldoende. In diezelfde brief heeft [eiser] immers ook expliciet aangegeven dat hij ervan uitging dat hij de arbeid rechtmatig verrichtte. De kantonrechter gaat daarom aan de stellingen van [gedaagde] op dit punt voorbij. Ook het verweer van [gedaagde] dat zij [eiser] zou hebben ontslagen, heeft [eiser] gemotiveerd weersproken. Nu [gedaagde] haar verweer niet nader heeft onderbouwd, gaat de kantonrechter ook hieraan voorbij.
4.3.
De stelling van [gedaagde] dat [eiser] een werkvergunning van een ander bedrijf gebruikte om bij het hotel aan de slag te gaan, is evenmin voldoende om [gedaagde] van haar loonbetalingsplicht te ontheffen. Het valt onder de verantwoordelijkheid van [gedaagde] als werkgever om te controleren of een TWV nodig is en zorg te dragen voor het aanvragen en verkrijgen van deze vergunning. Dat betekent dat zelfs áls [eiser] zou hebben aangegeven dat hij reeds over een TWV beschikte, het op de weg van [gedaagde] had gelegen om te controleren of deze ook geldig was voor het verrichten van arbeid bij háár onderneming. Bovendien blijkt uit de door [eiser] overgelegde WhatsApp-correspondentie dat [gedaagde] in ieder geval op 7 april 2025 op de hoogte was van het feit dat [eiser] (nog) niet over een (juiste) TWV beschikte. Van enige vorm van misleiding door [eiser] is niet gebleken. Het ontbreken van een TWV staat op zichzelf niet aan het recht op loon in de weg. [1]
4.4.
De conclusie is dat de kantonrechter de loonvordering van [eiser] zal toewijzen. [gedaagde] is ook de wettelijke verhoging verschuldigd. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
4.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
Totaal
725,50
4.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 1.863,68 bruto aan achterstallig salaris over de periode van 29 maart 2025 tot en met 1 mei 2025, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 50%, en vervolgens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2025,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 149,19 bruto aan achterstallig vakantiegeld over de periode van 29 maart 2025 tot en met 1 mei 2025 vermeerderd met een wettelijke verhoging van 50%, en vervolgens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2025,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 186,36 bruto aan achterstallige vakantieuren over de periode van 29 maart 2025 tot en met 1 mei 2025vermeerderd met een wettelijke verhoging van 50%, en vervolgens te vermeerderen met de wettelijke rente over de wettelijke vanaf 15 mei 2025,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 725,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.vgl. HR, 27-03-1981, NJ 1981, 492