ECLI:NL:RBNHO:2026:9280

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
HAA 25/4974
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35, eerste lid, PWArt. 3:2 AwbArt. 7:12, eerste lid, AwbArt. 4:2, tweede lid, AwbArt. 8:72, vierde lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onvoldoende motivering en onderzoek bij afwijzing bijzondere bijstand verhuiskosten

Eiser diende een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor inrichtingskosten, verhuiskosten en dubbele huur na een onverwachte relatiebreuk en verhuizing met drie jonge kinderen. Zaffier wees de aanvraag af wegens het ontbreken van dringende redenen en onvoldoende bewijs van onhoudbare situatie.

De rechtbank oordeelt dat Zaffier onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de onveilige woonsituatie en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verhuizing niet noodzakelijk zou zijn. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom de schuldenproblematiek van eiser geen bijzondere omstandigheid vormt.

De rechtbank vernietigt het besluit en draagt Zaffier op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij ook de medische noodzaak en het schadevergoedingsverzoek betrokken moeten worden. Tevens wordt Zaffier veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van bijzondere bijstand wordt vernietigd met opdracht tot hernieuwde besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/4974

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Hoefs),
en

het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Zaffier

(gemachtigde: R. Visser).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand voor inrichtingskosten, verhuiskosten en dubbele huur. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank dit besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Zaffier het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd en onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor inrichtingskosten, verhuiskosten en dubbele huur. Zaffier heeft deze aanvraag met het besluit van 1 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is Zaffier bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Zaffier heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van Zaffier.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 31 maart 2025 heeft eiser een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor inrichtingskosten, verhuiskosten en dubbele huur. Op verzoek van Zaffier heeft eiser die aanvraag bij email van 22 april 2025 als volgt nader toegelicht.
Eiser verhuist omdat zijn relatie met zijn partner is stukgelopen en hij daardoor alleen de zorg draagt voor de drie jonge kinderen die hij met deze (ex) partner heeft. Met die kinderen woont hij op de vierde verdieping van een gebouw zonder lift. Dat maakt het dagelijks leven voor eiser erg zwaar, vooral met jonge kinderen, kinderwagens en boodschappen. Daarnaast woont eiser ver van zijn familie, terwijl hun hulp hard nodig is en eiser door de verhuizing dichter bij hen komt te wonen. De nieuwe woning is beter geschikt voor de situatie van eiser en zijn kinderen en helpt om de zorg voor de kinderen veiliger en beter te organiseren. Volgens eiser was de verhuizing niet voorzienbaar, omdat het stuklopen van zijn relatie onverwachts was. Hij realiseerde zich pas gaandeweg dat zijn woning op vierhoog zonder lift onpraktisch en belastend is voor een eenoudergezin. De noodzaak om te verhuizen werd duidelijker naarmate de situatie zwaarder werd. De stap om daadwerkelijk te verhuizen was geen gepland besluit, maar een reactie op omstandigheden die zich onverwacht en snel ontwikkelden. Omdat eiser leeft van een bijstandsuitkering is er voor hem geen financiële ruimte om geld opzij te zetten. Zijn inkomen dekt alleen de noodzakelijke kosten van levensonderhoud voor hemzelf en zijn drie jonge kinderen en heeft hij geen reservering kunnen maken oor de kosten van verhuizing. Ter staving van zijn aanvraag heeft eiser in de email ook een begroting van de verhuiskosten vermeld ten bedrage van € 7.059,28.
3.1 Bij besluit van 1 mei 2025 heeft Zaffier de aanvraag voor bijzondere bijstand afgewezen. De motivering voor deze afwijzing is dat geen sprake is van (zeer) dringende redenen of bijzondere individuele omstandigheden. De verhuizing heeft geen sociale en/of medische noodzaak en er is niet aangetoond dat er sprake is van een onhoudbare situatie. Het niet kunnen reserveren vanuit de bijstand voor duurzake gebruiksgoederen is geen reden voor toewijzing van de aanvraag, omdat in de bijstandsnorm een ruimte van circa 10% aanwezig is voor reservering voor die goederen. Het feit dat eiser al een schuld heeft is geen reden om niet voor die kosten te kunnen reserveren.
3.2 In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat Zaffier ten onrechte heeft nagelaten om een aanvullend onderzoek aan te vragen naar de medische noodzakelijkheid van de verhuizing. Verder heeft eiser de argumenten naar voren gebracht die ook in zijn voormelde email staan en heeft hij gewezen op de schulden die hij heeft aan het college in de vorm van verplichting tot terugbetaling van bijstand.
Tijdens de hoorzitting van 30 september 2025 heeft eiser zijn bezwaar mondeling verder toegelicht. Hij heeft daarbij onder meer naar voren gebracht dat de woning vanuit waaruit hij verhuist een balkon heeft ramen die zo laag zijn dat een kind ze kan open maken en dat dit zeer beangstigend is. Met zijn tweeën kun je toezicht op de kinderen delen, maar alleen is dat erg vermoeiend. Eiser had altijd angst om de veiligheid van de kinderen. Eiser heeft de verhuurder gevraagd voor deze onveilige situatie maatregelen te treffen, maar om vage redenen heeft de verhuurder dit afgewezen en de situatie in stand gelaten. Het feit dat er in het gebouw geen lift aanwezig was en de jongste steeds gedragen wilde worden omdat zij het niet redde de trappen op te lopen maakt het voor eiser zwaar, ook met boodschappen tillen. Ook heeft eiser erop gewezen dat hij ten tijde van de hoorzitting niet alleen een inhouding op zijn bijstandsuitkering had ter aflossing van een schuld aan het college, maar ook dat hij ook een betalingsregeling van € 200,- per maand had lopen ter aflossing van een schuld van € 4.070,- aan zijn energieleverancier.
3.3
Zaffier heeft het besluit van 1 oktober 2025 na bezwaar gehandhaafd. Zaffier legt daaraan het volgende ten grondslag. De argumenten die eiser heeft aangevoerd brengen geen objectieve noodzaak tot verhuizen met zich mee. De wens voor een geschiktere woning en steun vanuit de familiekring kwalificeert niet als een bijzondere omstandigheid waardoor er geen sprake is van kosten die uit bijzondere omstandigheden voortvloeien als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW. Ook is het niet met bewijsstukken onderbouwd dat reserveren feitelijk onmogelijk was. Uit het dossier blijkt uitsluitend van vordering wegens ten onrechte verstrekte bijstand. Andere schulden die reserveren onmogelijk zouden maken, zijn niet aangetoond. Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat reservering feitelijk onmogelijk was of dat dit in redelijkheid niet kan worden gevergd. Het betoog dat een medisch onderzoek had moeten plaatsvinden, kan volgens Zaffier niet slagen, nu geen medische verklaringen of stukken zijn overgelegd die een medische noodzaak voor verhuizing aantonen. Zonder dergelijke stukken bestond geen aanleiding om een medisch advies te vragen.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank overweegt als volgt en stelt het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) [1] moet bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Als aan die voorwaarde van ‘onvoldoende draagkracht’ is voldaan is het college bevoegd en verplicht de bijzondere bijstand dienovereenkomstig toe te kennen. Toegepast op deze zaak komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.
4.1.
Niet in geschil is dat de met de verhuizing van eiser gemoeide kosten zich voordoen.
Noodzakelijke kosten
4.2.
Eiser stelt zich op het standpunt dat de kosten noodzakelijk zijn vanwege twee redenen. Ten eerste is de woning onveilig voor de kinderen. Ten tweede is de woning vanwege de medische beperkingen van eiser ongeschikt. Ter staving van de tweede reden heeft eiser in beroep een op verzoek van het college opgestelde adviesrapportage van 22 juli 2024 van een arts van Argonaut overgelegd. Met die rapportage was verweerder bekend en daaruit blijkt volgens eiser dat er sprake is van medische problematiek waardoor eiser onder meer beperkt is ten aanzien van traplopen en tillen.
4.3 Ten aanzien van de door eiser aangevoerd redenen voor de noodzaak van de verhuizing stelt Zaffier zich in het verweerschrift op het standpunt dat dat de door eiser gestelde beweegredenen geen objectieve noodzaak tot verhuizen vormen en dat het persoonlijke afwegingen betreft waarvan de financiële gevolgen geacht worden binnen de eigen verantwoordelijkheid van eiser te vallen. Voor wat betreft de adviesrapportage van Argonaut, merkt verweerder op dat het een medisch belastbaarheidsonderzoek betreft waaruit niet volgt dat sprake was van een medische noodzaak tot verhuizing. Uit de rapportage blijkt volgens Zaffier niet dat eiser vanwege zijn medische situatie niet in staat was tot traplopen of het voeren van een huishouding in een oude woning.
4.4
Ingevolge artikel 4:2, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op aanvraag nodig zijn. Ingevolge artikel 3:2 van Pro de Awb vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Zaffier in de onderhavige procedure bij de primaire beoordeling van de aanvraag en wat in aanvulling daarop door eiser in bezwaar naar voren is gebracht onvoldoende onderzoek gedaan naar de feiten en omstandigheden waaronder eiser heeft verklaard zich genoodzaakt te voelen om op korte termijn samen met zijn drie jonge kinderen te verhuizen. Dat oordeel licht de rechtbank als volgt toe.
Eerder in deze uitspraak heeft de rechtbank verwoord welke redenen eiser voor zijn verhuizing heeft gegeven. Een van die redenen is dat er in de woning sprake is van een onveilige situatie voor de drie jonge kinderen van eiser. Zaffier heeft die situatie niet weersproken en heeft die situatie ook niet onderzocht, bijvoorbeeld door de situatie ter plekke te bekijken of daarvan foto’s of videobeelden te vragen van eiser. Dit terwijl de veiligheid van jonge kinderen naar het oordeel van de rechtbank een belang is dat zwaar kan wegen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een noodzaak tot verhuizing.
Voor wat betreft de door eiser gestelde medische noodzaak tot verhuizen overweegt de rechtbank dat eiser dit eerst in het bezwaarschrift van 30 juli 2025 in algemene zin naar voren heeft gebracht. De aard van zijn klachten heeft hij toen niet vermeld en ook heeft hij toen niet verwezen naar de eerst in beroep overgelegde rapportage van Argonaut. Uit het verslag van de hoorzitting van 30 september 2025 blijkt evenmin dat eiser daar over zijn medische klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen heeft gesproken. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er bij de primaire beoordeling van de aanvraag van eiser en in bezwaar geen verplichting rustte op Zaffier om onderzoek te (laten) verrichten naar de medische situatie van eiser. Dat Zaffier in die tijd al beschikte over de adviesrapportage van Argonaut van 22 juli 2024 is onvoldoende voor een ander oordeel.
De conclusie van het bovenstaande is dat Zaffier het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid voor wat betreft de gestelde noodzaak tot verhuizen vanwege een onveilige situatie en daarom het ontbreken van die noodzaak niet deugdelijk heeft gemotiveerd.
Bijzondere omstandigheden
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, omdat de verhuizing voor hem niet voorzienbaar was. Als gevolg van een onverwachte relatiebreuk en het vertrek van zijn partner is eiser nu alleen verantwoordelijk voor de zorg en opvoeding van zijn drie minderjarige kinderen. Doordat eiser niet op de verhuizing heeft kunnen anticiperen, was er geen ruimte om te reserveren. Uit het rapport van Zaffier blijkt dat eiser diverse schulden heeft bij Zaffier waarvoor maandelijks een bedrag op de uitkering wordt ingehouden. Gezien deze inhouden en de relatief hoge kosten die eiser heeft gezien zijn gezinssamenstelling was van reservering geen sprake.
5.1.
Zaffier stelt zich op het standpunt dat eiser wel had kunnen reserveren. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat eiser gedurende langere tijd het voornemen had om te verhuizen, omdat hij stond ingeschreven bij een woningsite. Daardoor was de verhuizing voorzienbaar. Ook kan schuldenproblematiek van eiser niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid die aanspraak geeft op bijzondere bijstand. Het enkele feit dat reservering feitelijk niet heeft plaatsgevonden, betekent niet dat er geen mogelijkheid bestond.
5.2.
Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Dit is vaste rechtspraak. [2] De bewijslast dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en de aanvrager niet voor de kosten heeft kunnen reserveren ligt op grond van die rechtspraak dus bij de aanvrager. De bijstand wordt in beginsel toereikend geacht om te kunnen reserveren. [3]
5.3.
Uitgangspunt is dat het ontbreken van reserveringsruimte in verband met schulden geen bijzondere omstandigheid is in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW, maar uitzonderingen daarop zijn mogelijk. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken overwogen. [4] Als een aanvrager van bijzondere bijstand voor de kosten van incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten, zoals duurzame gebruiksgoederen, stelt dat hij voor die kosten niet heeft kunnen reserveren door een gebrek aan reserveringsruimte in verband met schulden, zal hij dat aannemelijk moeten maken. Vervolgens moet de bijstandverlenende instantie beoordelen of dat een bijzondere omstandigheid oplevert in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. Hierbij kunnen onder meer de aard en het ontstaan van de schulden een rol spelen.
5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Zaffier onvoldoende gemotiveerd waarom er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank kan Zaffier niet volgen in de stelling dat de verhuizing voorzienbaar was. Het feit dat eiser ingeschreven staat bij een woningsite betekent niet dat hij van plan was om te verhuizen. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij ingeschreven staat, omdat het in de huidige woningmarkt lastig is om een woning te vinden. Hij staat ingeschreven voor het geval het ooit nodig zou moeten zijn om te verhuizen. Ook heeft eiser de verhuizing niet kunnen voorzien omdat zijn ex-partner van de één op andere dag is vertrokken. Eiser is door het vertrek van zijn ex-partner gedaald in inkomen waardoor niet onaannemelijk is dat hij niet tijdig heeft kunnen reserveren voor dat de gestelde noodzaak zich aandiende om te verhuizen. Ook heeft Zaffier onvoldoende gemotiveerd waarom de schuldenproblematiek van eiser, in samenhang gezien met de voormelde inkomensdaling, niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan in dit geval een uitzondering moet worden aangenomen als bedoeld in rechtsoverweging 5.3.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met artikel 3:2 en Pro 7:12, eerste lid van de Awb. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan Zaffier op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat onderzoek nog is om de gebreken te herstellen en naar verwachting een bestuurlijke lus geen efficiënte afdoening van deze zaak is.
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat Zaffier een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat het bezwaar weer openvalt, betekent dit ook dat Zaffier de door eiser gestelde, maar eerst in beroep onderbouwde medische noodzaak tot verhuizen bij de beoordeling dient te betrekken. De rechtbank geeft Zaffier in overweging daarover medisch advies in te winnen. Bij het nieuw te nemen besluit zal Zaffier ook het schadevergoedingsverzoek van eiser bij de beoordeling moeten betrekken. De rechtbank geeft Zaffier voor het verrichten van het nader onderzoek en het opnieuw beslissen op het bezwaar een termijn van twaalf weken.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is moet Zaffier het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Zaffier moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Deze vergoeding bedraag € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Voorts komen op grond van artikel 1, aanhef en onder d, van de Bpb, de reiskosten van eiser van € 3,36 voor het bezoeken van de zitting op 11 juni 2026 voor vergoeding in aanmerking. In totaal wordt € 1.871,36 toegekend.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 1 oktober 2025;
- draagt Zaffier op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat Zaffier het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt Zaffier tot betaling van € 1871,36 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Boerrigter, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2111.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3059 en van 27 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:870.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1097.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2263.