ECLI:NL:RBNNE:2016:632

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
18 februari 2016
Publicatiedatum
18 februari 2016
Zaaknummer
4741896 AR VERZ 16-8
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:672 BWArt. 7:671b lid 8 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding met beëindigingsvergoeding

De werkgever heeft bij de kantonrechter verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, waarbij herplaatsing niet meer mogelijk is. De werknemer erkende de verstoorde relatie en zag ook geen mogelijkheden tot herplaatsing.

Partijen waren het eens over de redelijke grond voor ontbinding en over de ontbindingsdatum van 1 mei 2016, waarbij de opzegtermijn in acht wordt genomen. Tevens is overeengekomen dat de werknemer een beëindigingsvergoeding van €12.500 bruto ontvangt, waarin de transitievergoeding is inbegrepen. Deze afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst die aan het vonnis is gehecht.

De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst ontbonden wordt per 1 mei 2016, veroordeelde de werkgever tot betaling van de overeengekomen vergoeding en bepaalde dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen, met uitzondering van de eigen bijdrage van de werknemer die door de werkgever wordt vergoed. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 mei 2016 met betaling van een beëindigingsvergoeding van €12.500 bruto.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Groningen
zaak-/rolnummer.: 4741896 / AR VERZ 16-8
beschikking van de kantonrechter ex artikel 7:671b lid 1 BW d.d. 18 februari 2016
Storteboom Kornhorn B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te (9864 PG) Kornhorn, Provincialeweg 70,
verzoekster,
gemachtigde: mr. J.M. Frons, advocaat te Assen,
tegen
[werknemer],
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
verweerder,
gemachtigde: mr. M.J. Blokzijl, advocaat te Groningen.
Partijen zullen hierna de werkgever en de werknemer worden genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
De werkgever heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, ingekomen ter griffie op 13 januari 2016. De werknemer heeft 1 februari 2016 een verweerschrift ingediend.
1.2.
Op 11 februari 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft de werkgever bij brief van 19 januari 2016 nog een stuk toegezonden.

2.De beoordeling

2.1.
De werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden ingevolge artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Aan dit verzoek legt de werkgever ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – een verstoorde arbeidsverhouding en dat herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk is.
2.2.
De werknemer heeft erkend dat inmiddels sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook de werknemer ziet geen mogelijkheden meer voor herplaatsing.
2.3.
Nu de werknemer heeft erkend dat de arbeidsverhouding verstoord is, en partijen het erover eens zijn dat die verstoring onherstelbaar is en herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk moet worden geacht, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid Pro 3, onderdeel g, BW, en is er geen mogelijkheid tot herplaatsing van de werknemer.
2.4.
Partijen zijn het er over eens dat bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2016 de opzegtermijn als bedoeld in artikel 7:672 BW Pro in acht wordt genomen, zodat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onder a BW zal worden ontbonden per 1 mei 2016.
2.5.
Partijen zijn -blijkens bijgevoegde vaststellingsovereenkomst- overeengekomen dat de werknemer aanspraak heeft op een beëindigingsvergoeding van € 12.500,00 bruto, waarin de transitievergoeding wordt geacht te zijn inbegrepen. Partijen zijn voorts overeengekomen dat de werkgever bij vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding.
De vaststellingsovereenkomst zal aan dit vonnis worden gehecht.
2.6.
De werkgever heeft bovendien ter zitting aangegeven af te zien van de bevoegdheid om het verzoek in te trekken.
2.7.
Gezien de uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen, met dien verstande dat werkgever aan werknemer de eigen bijdrage van € 660,00 zal vergoeden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 mei 2016;
3.2.
veroordeelt de werkgever om aan de werknemer te betalen een beëindigingsvergoeding van € 12.500,00 bruto, zoals omschreven in de aangehechte vaststellingsovereenkomst;
3.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, met dien verstande dat werkgever aan werknemer de eigen bijdrage van € 660,00 zal vergoeden;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gewezen door mr. E.J. Oostdijk, kantonrechter, en op 18 februari 2016 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.
typ: mdh