Arts en Zorg verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een huisarts op grond van verwijtbaar handelen wegens vermeende verduistering van vergoedingen en een verstoorde arbeidsrelatie.
De werknemer erkende de ontvangst van vergoedingen maar betwistte opzettelijk wederrechtelijk handelen en stelde dat zij deze vergoedingen mocht behouden op basis van eerdere afspraken met de rechtsvoorganger van Arts en Zorg. De kantonrechter constateerde dat het beleid omtrent deze vergoedingen niet schriftelijk was vastgelegd en onvoldoende duidelijk was gecommuniceerd.
De kantonrechter oordeelde dat onvoldoende bewijs was geleverd voor verwijtbaar handelen en dat de non-actiefstelling en ontbindingsverzoek disproportioneel waren. Ook werd de verstoorde arbeidsrelatie niet aannemelijk gemaakt.
Het verzoek tot ontbinding werd daarom afgewezen. Het verzoek tot wedertewerkstelling werd toegewezen omdat geen zwaarwegend belang van de werkgever was gesteld om dit te weigeren. Proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten.