Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Emmen, verweerder
de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister.
Procesverloop
Overwegingen
“
Op 17 december 2014 heeft u voor het motorrijtuig met het VIN [nummer] een aangifte BPM gedaan onder ABD nummer [nummer] . Bij controle van deze aangifte heb ik geconstateerd dat het door u aangegeven bedrag aan BPM lager is dan het bedrag van de verschuldigde BPM zoals dat door mij is vastgesteld.□ Bij de berekening van de verschuldigde BPM bent u uitgegaan van een taxatierapport. Het betreft hier echter een auto die binnen een half jaar weer is ingevoerd. Dit heeft tot gevolg dat alleen de forfaitaire afschrijvingsmethode gehanteerd mag worden.Artikel 10a(…)Volgens Forfataire Berekening.
Geschil en beoordeling
2.1. Voor het geval eisers grieven niet tot vernietiging van de naheffingsaanslag leiden, bepleit verweerder handhaving van de naheffingsaanslag op € 3.705, en vermindering van de belastingrente omdat deze bij uitspraak op bezwaar ten onrechte op € 39 gehandhaafd is.
2.2. Voor het geval eisers grieven niet tot algehele vernietiging van de naheffingsaanslag leiden, en ook verweerders beroep op interne compensatie niet slaagt, zijn partijen ter zitting overeengekomen dat de naheffingsaanslag verminderd dient te worden tot een bedrag van € 591, en dat de beschikking belastingrente verminderd dient te worden tot nihil.
Vooraf: omtrent de ontvankelijkheid van het bezwaar
Het HvJ EU heeft er voorts (rechtsoverweging 44) op gewezen dat wanneer een nationale regeling een termijn vaststelt voor de indiening van de opmerkingen van de belanghebbenden, de nationale rechter zich ervan dient te vergewissen of die termijn beantwoordt aan de specifieke situatie van de betrokken persoon of onderneming en hun, met inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel, de mogelijkheid heeft geboden om hun rechten van verdediging uit te oefenen.
V-N2015/34.6,
BNB2015/187, r.o. 2.4). Toegepast op de Nederlandse situatie kan het verdedigingsbeginsel dus in ieder geval aan de orde komen bij de heffing in het kader van de omzetbelasting en van de invoerrechten en dergelijke douaneheffingen. Anders dan deze heffingen is de Wet BPM op zichzelf beschouwd geen regeling die rechtstreeks uitvoering geeft aan het Unierecht (vgl. HR 10 juni 2016,
V-N2016/35.12 en HR 11 september 2015,
V-N2015/48.8). De rechtbank stelt evenwel vast dat in de onderhavige situatie sprake is van de (her)import van een auto uit België, een andere EU-lidstaat (zie 1.1). Ondanks dat de Wet BPM als zodanig een zuiver nationale regeling betreft, is de rechtbank daarom van oordeel dat bij de toepassing van deze wet in het onderhavige geval grensoverschrijdende aspecten een rol spelen. Anders dan in de situatie die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3270, waarin sprake was van een zowel feitelijk als juridisch zuiver nationale situatie in de sfeer van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, bevindt het opleggen van de naheffingsaanslag in de BPM aan eiser zich dus wèl binnen de werkingssfeer van het Unierecht. De rechtbank wijst er hierbij op, dat aan de betreffende naheffingsaanslag de bepaling van artikel 10a van de Wet BPM ten grondslag is gelegd, welke bepaling uitdrukkelijk ziet op gevallen waarin een auto eerder buiten Nederland is gebracht en later opnieuw de landsgrens passeert. Het lijdt wat de rechtbank betreft dan ook geen twijfel dat er sprake is van een grensoverschrijdende situatie, zodat het Unierecht van toepassing is (vgl. HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7393, alsmede Hof Arnhem-Leeuwarden 7 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4640, rechtsoverweging 4.4). Met het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag is aldus mede uitvoering gegeven aan het Unierecht, omdat de daarin besloten liggende verkeersvrijheden in het geding (kunnen) zijn, terwijl het bepaalde in artikel 110 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de nationale belastingheffing als zodanig regardeert.
V-N2015/34.6,
BNB2015/187 en Hoge Raad 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2980).
kunnenhebben. Het HvJ EU heeft in haar arrest van 3 juli 2014, C-129 en C130, ECLI:EU:C:2014:2041 (Kamino en Datema) namelijk overwogen:
“
80Bijgevolg leidt schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging slechts tot nietigverklaring van het betrokken besluit indien de procedure zonder deze schending een andere afloop had kunnen hebben.”.
V-N2015/41.11,
BNB2015/207, r.o. 2.7.4 en Hoge Raad 2 juni 2017,
V-N2017/30.3, r.o. 3.4.2).
Immateriële schadevergoeding
Volgens vaste rechtspraak is het recht op terugbetaling van belastingen die door een lidstaat in strijd met het recht van de Unie zijn geïnd, het gevolg en het complement van de rechten die de justitiabelen ontlenen aan de bepalingen van Unierecht die dergelijke belastingen verbieden. De lidstaat is dus in beginsel verplicht, in strijd met het recht van de Unie geïnde belastingen terug te betalen (arresten van 6 september 2011, Lady & Kid e.a., C‑398/09, Jurispr. blz. I-7375, punt 17, en 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C‑591/10, punt 24).
Proceskosten
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag;
- vernietigt de beschikking belastingrente;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 105;
- veroordeelt de Minister tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 895;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167 aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990 .