De zaak betreft een geschil tussen aandeelhouders van IQS Group over de uitleg van bepalingen in de aandeelhoudersovereenkomst en de waardering van aandelen na beëindiging van een managementovereenkomst.
Eiser vordert een verklaring dat zij niet in verzuim is met haar verplichtingen uit de aandeelhoudersovereenkomst, terwijl gedaagden stellen dat zij niet heeft voldaan aan haar bijdrage aan het eigen vermogen. De rechtbank oordeelt dat het mediationbeding partijen niet belemmert in hun toegang tot de rechter en verklaart eiser ontvankelijk.
De rechtbank legt de bepalingen van artikel 4.2 van de aandeelhoudersovereenkomst uit volgens de taalkundige betekenis, waarbij iedere aandeelhouder gelijk dient bij te dragen aan het eigen vermogen, niet aan de omzet. Eiser is niet tekortgeschoten in haar verplichtingen. De peildatum voor de waardering van de aandelen wordt vastgesteld op 1 april 2023.
De vorderingen van gedaagden en IQS Group tot betaling wegens vermeende tekortkomingen worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank wijst een verzoek toe om een bindend adviseur te benoemen die de waarde van de aandelen vaststelt, waarbij de kosten gezamenlijk door de aandeelhouders worden gedragen.
De proceskosten worden toegerekend aan de verliezende partijen en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.