Eiseres is als middellijk bestuurder aansprakelijk gesteld voor een onbetaalde naheffingsaanslag omzetbelasting van de vennootschap over 2014. De ontvanger handhaafde de aansprakelijkstelling na bezwaar. De rechtbank beoordeelde de rechtsgeldigheid en hoogte van deze aansprakelijkstelling.
De rechtbank oordeelde dat de vennootschap ten tijde van de beschikking aansprakelijkstelling in gebreke was, omdat het uitstel van betaling was beëindigd en de naheffingsaanslag niet volledig was voldaan. De melding betalingsonmacht was niet rechtsgeldig omdat de naheffingsaanslag het gevolg was van opzet of grove schuld van de vennootschap, vastgesteld in een eerdere procedure.
Verder stelde de rechtbank vast dat eiseres kennelijk onbehoorlijk bestuur heeft gevoerd, omdat zij wist van de btw-fraude en heeft bewerkstelligd dat de belastingschuld onbetaald bleef. De rechtbank oordeelde dat de ontvanger het Covid-beleid niet heeft geschonden door de aansprakelijkstelling uit te voeren.
De rechtbank corrigeerde het bedrag van de aansprakelijkstelling naar beneden vanwege verrekeningen vóór de beschikkingsdatum en kende eiseres een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werden proceskosten en griffierechten aan eiseres toegewezen.