Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen
Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., uit NijmegenStichting Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân, het college
Stichting Wageningen Researchuit Wageningen, de vergunninghouder
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
- dat het aantal stuks jongvee van 146 stuks naar 411 stuks gaat,
- dat de vergistingsinstallatie en de capaciteit van de vergistingsinstallatie worden gewijzigd,
- dat digestaat wordt gescheiden,
- dat dunne fractie van digestaat wordt opgeslagen in een mestzak,
- en dat sprake zal zijn van proefnemingen.
e-mail meerdere aanvullende stukken bij de rechtbank zijn ingediend. Uit het betreffende
e-mailbericht volgt dat namens de vergunninghouder op 16 juni 2025 een aanvraag voor verlening van een natuurvergunning is ingediend bij het college. De aanvullende stukken horen bij die aanvraag. De rechtbank overweegt dat de bij het e-mailbericht gevoegde aanvullende stukken in strijd met de goede procesorde zijn ingediend, gelet op de aard en omvang van die stukken en de beperkte voorbereidingstijd voorafgaand aan de zitting voor alle partijen en voor de rechtbank. De rechtbank laat de aanvullende stukken bij dat
e-mailbericht daarom verder buiten beschouwing. Deze beslissing is op de zitting met partijen besproken.
Ten aanzien van de insectenkwekerij stelt het college zich op het standpunt dat niet bekend is op welke inrichting eiseressen doelen. Hierdoor kan het college deze stelling van eiseressen niet nagaan. Het initiatief van de bermgrasvergister is volgens het college van later datum dan het mer-beoordelingsbesluit. Uit het geuronderzoek voor die bermgrasvergister blijkt dat de geurcontouren van die vergistingsinstallatie en de geurcontouren van het onderzoekscentrum niet overlappen. Er is om die reden geen sprake van cumulatie.
Ten aanzien van de voormalige runderslachterij aan [adres 1] stelt het college zich op het standpunt dat het bedrijf vegetarische voedingsmiddelen gaat produceren. Er kan sprake zijn van cumulatie van geur door de twee aangevraagde garingslijnen van dat bedrijf met de geuremissie van de co-vergistingsinstallatie van het onderzoekscentrum. Die mogelijke cumulatie is naar aanleiding van deze beroepsprocedure alsnog beoordeeld. Het college heeft geconcludeerd dat er geen onaanvaardbare gevolgen voor omwonenden te verwachten zijn, gelet op de vrij lage geuremissies vanuit het onderzoekscentrum, de afstanden tot kwetsbare objecten en berekende geureffecten vanuit het bedrijf aan de [adres 1]. Volgens het college is er geen reden om te twijfelen aan de conclusie in het geuronderzoek van 21 oktober 2021 dat er in de voorliggende situatie geen sprake is van meerdere geurbronnen van inrichtingen van derden en dat cumulatie van geur daarmee niet aan de orde is. Diverse activiteiten zijn hier planologisch toegestaan. In het mer-beoordelingsbesluit is geur globaal beoordeeld en de definitieve toetsing is in het kader van de vergunningaanvraag gedaan. Er is daarom geen mer nodig, aldus het college.
Uit het geuronderzoek van 2 maart 2021 blijkt volgens hen dat op meerdere punten niet wordt voldaan aan BBT. Zo:
artikel 4.3, aanhef en onder j, van de regels van het bestemmingsplan (de planregels).
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 mei 2024 voor zover daarin is beslist dat geen verklaring van geen bedenkingen noodzakelijk is, dan wel dat geen natuurvergunning hoeft te worden aangevraagd;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eiseressen moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseressen.
de uitspraak te ondertekenen.
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
1. De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object bedraagt:
1. Onverminderd de artikelen 3 en 4 bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object:
1. Indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige objecten voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt.
2. Het bevoegd gezag kan, indien het redelijk vermoeden bestaat dat niet aan het eerste lid wordt voldaan, besluiten dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd. Een geuronderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065.
3. Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder wordt ten minste rekening gehouden met de volgende aspecten:
[…]
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:
[…]
1. Deze beleidsregels zijn van toepassing bij besluitvorming op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit, bedoeld in artikel 2.1, aanhef en eerste lid, onder e en/of i, van de Wabo, dan wel bij het wijzigen van voorschriften, verbonden aan een vergunning, of bij het stellen van maatwerkvoorschriften, bedoeld in artikel 2.7a, vierde lid, van het Activiteitenbesluit, waarbij een aanvaardbaar geurhinderniveau wordt vastgesteld en die valt onder de bevoegdheid van Gedeputeerde Staten.
Artikel 4 Agrarisch – Onderzoek en onderwijs
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: