ECLI:NL:RBNNE:2025:5206

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
LEE 24/2899
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Revisievergunning voor uitbreiding van onderzoekscentrum ‘De Dairy Campus’ in Leeuwarden met betrekking tot geurbeoordeling en natuurvergunning

Op 4 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tussen Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Stichting Mobilisation for the Environment tegen het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân. De zaak betreft een revisievergunning voor de uitbreiding van het onderzoekscentrum ‘De Dairy Campus’ in Leeuwarden. Eiseressen zijn van mening dat de verleende vergunning onterecht is, omdat deze niet voldoet aan de vereisten van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet natuurbescherming (Wnb). De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd of het project significante effecten kan hebben op een Natura-2000-gebied en of een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) benodigd is. De rechtbank vernietigt het besluit van het college voor zover het gaat om de vvgb, maar laat de vergunning verder in stand. Eiseressen krijgen gelijk in hun beroep, maar de juridische situatie verandert niet. De rechtbank concludeert dat de vergunninghouder op 16 juni 2025 alsnog een aanvraag voor een natuurvergunning heeft ingediend, waardoor het college niet langer verplicht is om te besluiten over de vvgb. De rechtbank wijst erop dat de uitspraak op dit punt in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. De rechtbank veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseressen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/2899

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen

Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., uit NijmegenStichting Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen

gezamenlijk: eiseressen
(gemachtigde: S.R. van Uffelen),
en

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân, het college

(gemachtigden: mr. M. van Duin, I. Wulffelé, H. Stapert en L. van der Stege).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Stichting Wageningen Researchuit Wageningen, de vergunninghouder
(gemachtigden: [persoon] en N. la Crois).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de revisievergunning voor het uitbreiden van een onderzoekscentrum op het perceel Boksumerdyk 11 in Leeuwarden. Eiseressen zijn het niet eens met die vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat een deel van de vergunning een gebrek bevat. De vergunning wordt vernietigd voor zover het college daarin heeft besloten dat er geen verklaring van geen bedenkingen benodigd is voor het project, dan wel dat geen natuurvergunning hoeft te worden aangevraagd. Eiseressen krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. De vernietiging betekent echter niet dat de juridische situatie wijzigt. De rechtbank volstaat met een kale vernietiging van het bestreden besluit op dit punt en de vaststelling dat deze uitspraak op dit punt in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van dat besluit. De vergunning blijft verder in stand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 16 mei 2024 tot verlening van een revisievergunning. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseressen, de gemachtigden van het college en de gemachtigden van de vergunninghouder.

Beoordeling door de rechtbank

Welk recht is van toepassing op deze zaak?
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
3.1.
De aanvraag om een revisievergunning is in dit geval ingediend op 9 maart 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, het Besluit omgevingsrecht (Bor), de Wet milieubeheer (Wm), het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat zijn de vaststaande feiten en omstandigheden van deze zaak?
5. De vergunninghouder drijft op het perceel Boksumerdyk 11 in Leeuwarden (het perceel) een centrum waar instellingen rondom onderzoek, innovatie, onderwijs en praktijkleren en bedrijfsleven elkaar ontmoeten en met elkaar samenwerken. Het centrum staat bekend als ‘De Dairy Campus’ (het onderzoekscentrum). Het onderzoekscentrum heeft een omvang van 575 melkkoeien en 146 stuks jongvee, inclusief trainings- en onderwijsfaciliteiten. Ook is er op het perceel een co-vergistingsinstallatie aanwezig.
6. Op grond van het bestemmingsplan “Leeuwarden – Dairy Campus en omgeving” is het perceel bestemd voor ‘Agrarisch – Onderzoek en onderwijs’, Waarde – Cultuurhistorie 1’ en ‘Verkeer – Verblijfsgebied’, met meerdere functieaanduidingen en gebiedsaanduidingen.
7. Voor het onderzoekscentrum is op 27 juni 2006 een revisievergunning verleend. Voor de co-vergistingsinstallatie is op 11 november 2008 een milieuvergunning verleend. Verder is op 23 februari 2015 een milieuveranderingsvergunning verleend en hebben diverse milieu neutrale wijzigingen plaatsgevonden.
8. Op 18 november 2016 is op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 een vergunning voor het onderzoekscentrum en de co-vergistingsinstallatie verleend.
9. Op 6 januari 2021 heeft het college een mer-beoordelingsbesluit genomen naar aanleiding van het voornemen van de vergunninghouder om het onderzoekscentrum uit te breiden (het mer-beoordelingsbesluit). Het college heeft besloten dat er geen milieueffectrapportage (mer) nodig is.
10. Op 9 maart 2021 heeft de vergunninghouder een aanvraag ingediend voor verlening van een revisievergunning vanwege uitbreiding van het onderzoekscentrum. De uitbreiding houdt in:
  • dat het aantal stuks jongvee van 146 stuks naar 411 stuks gaat,
  • dat de vergistingsinstallatie en de capaciteit van de vergistingsinstallatie worden gewijzigd,
  • dat digestaat wordt gescheiden,
  • dat dunne fractie van digestaat wordt opgeslagen in een mestzak,
  • en dat sprake zal zijn van proefnemingen.
Ook heeft de vergunninghouder verzocht om de vergunningssituatie te actualiseren. Bij de aanvraag is onder meer een beschrijving van de uitbreiding door DLV Advies en een geuronderzoek van G&O Consult van 21 oktober 2021 gevoegd.
Zijn er stukken in strijd met een goede procesorde ingediend?
11. De rechtbank stelt vast dat op 16 juni 2025 namens de vergunninghouder per
e-mail meerdere aanvullende stukken bij de rechtbank zijn ingediend. Uit het betreffende
e-mailbericht volgt dat namens de vergunninghouder op 16 juni 2025 een aanvraag voor verlening van een natuurvergunning is ingediend bij het college. De aanvullende stukken horen bij die aanvraag. De rechtbank overweegt dat de bij het e-mailbericht gevoegde aanvullende stukken in strijd met de goede procesorde zijn ingediend, gelet op de aard en omvang van die stukken en de beperkte voorbereidingstijd voorafgaand aan de zitting voor alle partijen en voor de rechtbank. De rechtbank laat de aanvullende stukken bij dat
e-mailbericht daarom verder buiten beschouwing. Deze beslissing is op de zitting met partijen besproken.
12. De rechtbank stelt vast dat de Omgevingsdienst Fryslân (FUMO) op 17 juni 2025 namens het college een aanvullend stuk bij de rechtbank heeft ingediend. De rechtbank overweegt dat dit stuk in strijd met de goede procesorde is ingediend, gelet op de aard van dat stuk en de beperkte voorbereidingstijd voorafgaand aan de zitting voor alle partijen en voor de rechtbank. De rechtbank laat dat stuk daarom verder buiten beschouwing. Het stuk is teruggestuurd aan de FUMO. Deze beslissing is op de zitting met partijen besproken.
Welke beroepsgronden zijn er ingetrokken?
13. De rechtbank stelt vast dat eiseressen op de zitting de beroepsgrond over voorschrift 7.1.1. van het bestreden besluit hebben ingetrokken. Ook hebben eiseressen op de zitting de beroepsgrond over het effectbereik rondom de projectlocatie genoemd in het mer-beoordelingsbesluit ingetrokken, omdat voldoende duidelijk is dat in dat besluit op dat punt sprake is van een kennelijke verschrijving door het college. De rechtbank laat die beroepsgronden daarom verder buiten beschouwing.
Is het mer-beoordelingsbesluit deugdelijk gemotiveerd?
14. Eiseressen betogen dat het mer-beoordelingsbesluit niet op goede gronden is genomen en dat er ten onrechte geen mer is opgesteld. Volgens eiseressen ontbreekt er een vergelijking tussen de beoogde geursituatie en de eerder vergunde geursituatie. Ook is er ten onrechte geen rekening gehouden met de cumulatie van de geur van de veehouderijactiviteiten en de geur van de co-vergistingsinstallatie en aanverwante activiteiten. Eiseressen vinden het onbegrijpelijk dat in het mer-beoordelingsbesluit staat dat er in de directe omgeving geen andere initiatieven bekend zijn waarvan de milieueffecten meegenomen zouden moeten worden. Zo is er sprake van een initiatief voor een grote vergistingsinstallatie op ongeveer 1,8 kilometer afstand, zijn er plannen voor een insectenkwekerij nabij die installatie en zijn er de plannen voor een vergister van bermgras in dezelfde omgeving. Verder stellen eiseressen dat het onwaarschijnlijk is dat geen enkel bestaand en vergund bedrijf op bedrijventerrein ‘De Zwette’ geurrelevant is. Dit lijkt niet onderzocht te zijn. Ook achten eiseressen het bereik van het effect onjuist beoordeeld, omdat inzichtelijk moet worden gemaakt wat de aanzienlijke gevolgen zijn. Daarnaast voeren eiseressen aan dat bij het onderzoekscentrum veel geurrelevante activiteiten niet inpandig en met geurreducerende technieken plaatsvinden. Hierdoor kan niet zonder nadere onderbouwing worden gesteld dat geureffecten doeltreffend worden verminderd door keuze van technieken, aldus eiseressen.
14.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de geurveroorzakende activiteiten zijn uitgewerkt in de mer-aanmeldingsnotitie en in het geuronderzoek van G&O Consult. De informatie bij de aanvraag is getoetst aan de Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019 (de beleidsregels). [1] In artikel 2, tweede lid, van de beleidsregels staat dat het college de beleidsregels niet hanteert in geval van aanvragen met betrekking tot veehouderijen. Volgens het college gelden voor veehouderijen afzonderlijke regels in de Wgv. Voor de onderhavige veehouderij gelden afstandsgrenzen van 50 meter en 100 meter voor en geurgevoelig object, respectievelijk gelegen buiten en binnen de bebouwde kom, tot het dierenverblijf. Hier is de afstand tot de dichtstbijzijnde woning ongeveer 350 meter, waardoor de invloed van het dierenverblijf op geurgevoelige objecten beperkt wordt geacht.
14.1.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat in het mer-beoordelingsbesluit rekening is gehouden met cumulatie van geur. De conclusie is dat het hinderniveau van de inrichting (als geheel) naar verwachting aanvaardbaar is ter plaatse van de omliggende geurgevoelige objecten. Het geuraspect vormt geen aanleiding om bij de vergunningaanvraag een mer op te stellen.
14.1.2.
Ten aanzien van het bedrijf op 1,8 kilometer afstand van deze inrichting, gelegen aan de Sinnewei, voert het college aan dat zowel de datum van indiening van de aanmeldnotitie voor dat bedrijf als het mer-beoordelingsbesluit van die vergistingsinstallatie van latere datum zijn dan het onderhavige mer-beoordelingsbesluit. Uit het geuronderzoek voor dat betreffende bedrijf blijkt dat de geurcontouren van de vergistingsinstallatie van dat bedrijf en de geurcontouren van het onderzoekscentrum niet overlappen. Er is om die reden geen sprake van cumulatie.
Ten aanzien van de insectenkwekerij stelt het college zich op het standpunt dat niet bekend is op welke inrichting eiseressen doelen. Hierdoor kan het college deze stelling van eiseressen niet nagaan. Het initiatief van de bermgrasvergister is volgens het college van later datum dan het mer-beoordelingsbesluit. Uit het geuronderzoek voor die bermgrasvergister blijkt dat de geurcontouren van die vergistingsinstallatie en de geurcontouren van het onderzoekscentrum niet overlappen. Er is om die reden geen sprake van cumulatie.
Ten aanzien van de voormalige runderslachterij aan [adres 1] stelt het college zich op het standpunt dat het bedrijf vegetarische voedingsmiddelen gaat produceren. Er kan sprake zijn van cumulatie van geur door de twee aangevraagde garingslijnen van dat bedrijf met de geuremissie van de co-vergistingsinstallatie van het onderzoekscentrum. Die mogelijke cumulatie is naar aanleiding van deze beroepsprocedure alsnog beoordeeld. Het college heeft geconcludeerd dat er geen onaanvaardbare gevolgen voor omwonenden te verwachten zijn, gelet op de vrij lage geuremissies vanuit het onderzoekscentrum, de afstanden tot kwetsbare objecten en berekende geureffecten vanuit het bedrijf aan de [adres 1]. Volgens het college is er geen reden om te twijfelen aan de conclusie in het geuronderzoek van 21 oktober 2021 dat er in de voorliggende situatie geen sprake is van meerdere geurbronnen van inrichtingen van derden en dat cumulatie van geur daarmee niet aan de orde is. Diverse activiteiten zijn hier planologisch toegestaan. In het mer-beoordelingsbesluit is geur globaal beoordeeld en de definitieve toetsing is in het kader van de vergunningaanvraag gedaan. Er is daarom geen mer nodig, aldus het college.
15. De rechtbank volgt eiseressen in het betoog dat het mer-beoordelingsbesluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Zij overweegt daartoe als volgt.
15.1.
Uit het mer-beoordelingsbesluit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het college acht heeft geslagen op de geldende geurnormen in de Wgv en in het Activiteitenbesluit en op de feiten en omstandigheden van dit geval. In dat besluit is vastgesteld dat er geen geurgevoelige objecten zijn gelegen binnen de afstanden genoemd in dat wettelijk kader in relatie tot de beoogde uitbreiding van het onderzoekscentrum. Daarbij is vastgesteld dat de meest dichtbij gelegen gebouwen kantoorgebouwen zijn. Eiseressen hebben deze vaststellingen niet onderbouwd bestreden.
15.2.
Verder volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het geuronderzoek van G&O Consult van 21 oktober 2021 dat bij dat geuronderzoek rekening is gehouden met de aard van de omgeving en de in de omgeving gelegen bebouwing. Zo is acht geslagen op het nog in ontwikkeling zijnde bedrijventerrein ‘De Zwette V’ en zijn voor dat gebied de geurcontouren inzichtelijk gemaakt. Eiseressen hebben niet bestreden dat het bedrijventerrein nog in ontwikkeling was op het moment dat het mer-beoordelingsbesluit werd genomen. Ontwikkelingen die zich na dat moment op dat terrein hebben voorgedaan, kon het college logischerwijs niet betrekken in dat beoordelingsbesluit.
15.3.
De rechtbank overweegt dat eerst in deze beroepsprocedure duidelijk is geworden dat het college (de verwachtte geurimmissies afkomstig van de garingslijnen van) het bedrijf aan [adres 1] niet heeft betrokken bij de mer-beoordeling. Dat had naar het oordeel van de rechtbank wel gemoeten, omdat het college al in januari 2020 van dat bedrijf een melding op grond van het Activiteitenbesluit met geuronderzoek had ontvangen. Ook betrekt de rechtbank bij haar beoordeling dat sprake kan zijn van geurcumulatie met de geurimmissie van de co-vergistingsinstallatie van het onderzoekscentrum. Het besluit is in zoverre onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Het betoog van eiseressen slaagt.
15.4.
In deze gebreken ziet de rechtbank echter geen aanleiding om het mer-beoordelingsbesluit te vernietigen. Het college heeft immers onbetwist gemotiveerd dat met die geurcumulatie geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geurimmissie bij de nabijgelegen woningen of andere geurgevoelige objecten. Hoewel eiseressen daartoe op zitting in de gelegenheid zijn gesteld, hebben zij dat standpunt van het college niet concreet en onderbouwd bestreden. Daarmee is aannemelijk dat het college terecht tot het oordeel is gekomen dat geen mer hoefde te worden opgesteld. Aangezien eiseressen daarom door deze schending van de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet zijn benadeeld, zal de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb het mer-beoordelingsbesluit in stand laten.
Zijn de Best Beschikbare Technieken toegepast voor geur?
16. Eiseressen betogen dat niet de Best Beschikbare Technieken (BBT) worden toegepast. Bij activiteiten van de omvang zoals vergund in de nabijheid van geurgevoelige objecten zijn volgens eiseressen (meer) BBT-maatregelen nodig om geur te beperken. Uit de vergunning blijkt echter niet dat een luchtwasser is voorgeschreven.
Uit het geuronderzoek van 2 maart 2021 blijkt volgens hen dat op meerdere punten niet wordt voldaan aan BBT. Zo:
is er geen voorziening voor reiniging van verdringingslucht bij het lossen van drijfmest;
vindt het lossen en de opslag van vaste co-producten en vaste mest (o.a. kippenmest) en het overslaan ervan naar het invoersysteem van de vergister niet inpandig met geurreducerende maatregelen plaats;
wordt digestaat niet inpandig gescheiden, wordt de dikke fractie digestaat in een sleufsilo opgeslagen en dus buiten gelost en geladen. Dat terwijl het BBT is om inpandig met geurreiniging digestaat te scheiden en de dikke fractie op te slaan en op te laden;
is er geen voorziening voor geurreiniging voor de verdringingslucht bij het laden van vrachtwagens met (vloeibaar) digestaat of dunne fractie van digestaat;
vindt de drogestofinvoer plaats met gebruik van een open container.
16.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat bij de toetsing en vergunningverlening is aangesloten bij het Activiteitenbesluit en is uitgegaan van het geuronderzoek van 21 oktober 2021.
16.1.1.
In reactie op de door eiseressen aangevoerde punten stelt het college dat:
het een fluctuerende bron betreft, die 167 uren per jaar mag plaatsvinden en die vooral invloed heeft op de hogere percentielwaarden. De hogere percentielwaarden laten geen afwijkende verwachtingspatroon zien ten opzichte van de in het geurbeleid gestelde richtwaarden voor die percentielwaarden;
het gebruik van sleufsilo’s is beoordeeld als een gelijkwaardig en veelgebruikt alternatief voor inpandige opslag in een landelijke agrarische omgeving. Omdat er geen vrije ruimte zit tussen het opgeslagen co-vergistingsproduct en het afdekkingskleed, komt de geur alleen vrij aan het beperkte oppervlak waar de co-vergistingsmaterialen uit de sleufsilo worden gehaald en tijdens het transport van dat relatief kleine hoeveelheid co-vergistingsproduct. Het college acht afzuiging en nabehandeling daarmee niet mogelijk. De emissie die nog wel plaatsvindt door het lossen, de opslag en het transport van de co-vergistingsmaterialen en vaste mest is worstcase uitgewerkt en opgenomen in het geuronderzoek;
volgens de aanvraag wordt een gesloten mestscheider gebruikt bij de digestaatverwerking. Dit is beoordeeld als een gelijkwaardig alternatief voor het inpandige uitvoeren van deze scheidingsactiviteit. De emissie die nog wel plaats kan vinden voor de digestaatverwerking is uitgewerkt en opgenomen in het geuronderzoek;
er is geen voorziening voor geurreiniging voor de verdringingslucht bij het laden van vrachtwagens met (vloeibaar) digestaat of dunne fractie van digestaat. Die emissie is uitgewerkt en opgenomen in het geuronderzoek;
de wijze waarop de drogestofinvoer plaatsvindt is een gebruikelijke werkwijze die met behulp van op een agrarisch bedrijf aanwezige werktuigen kan worden uitgevoerd. De open container geeft een relatief lage emissie. Die emissie is uitgewerkt en opgenomen in het geuronderzoek.
16.1.2.
Ten aanzien van het afblazen van ongezuiverd vergistingsgas stelt het college zich op het standpunt dat de vergunninghouder in de beschrijving van de biogasinstallatie aangeeft dat als de overdruk niet geautomatiseerd of handmatig onder controle kan worden gekregen, het ruwe biogas zal worden afgeblazen via een mobiele affakkelinstallatie. Volgens het college zijn de emissies vastgelegd in de bestreden vergunning en is er een geurbeheersplan voorgeschreven conform BBT 10 en BBT 12 van de BREF Afvalbehandeling. Het college stelt zich op het standpunt dat deze voorschriften afdoende zijn om onaanvaardbare geurhinder te voorkomen en dat daarmee het geheel aan installaties en voorzieningen conform BBT is.
17. De rechtbank is van oordeel dat eiseressen niet kunnen worden gevolgd in hun betoog dat in dit geval geen sprake is van BBT. Zij overweegt daartoe als volgt.
17.1.
Uit het bestreden besluit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het college bij de beoordeling van de aanvraag acht heeft geslagen op de BBT-notitie van DLV Advies over mestvergisting en afvalverwerking. Die notitie is als bijlage 15 bij het bestreden besluit gevoegd. In die notitie zijn de hier relevante BBT opgesomd, waarna per onderdeel is aangegeven in hoeverre het onderhavige project voldoet aan BBT. In die notitie is onder meer ingegaan op de opslag van en handelingen met drijfmest en co-substraten binnen de (co-)vergistingsinstallatie van het onderzoekscentrum. Ook is ingegaan op de luchtemissiebehandeling. Daarbij is vastgesteld dat sprake is van een gesloten installatie met zeer beperkte emissie, waardoor een behandeling van die emissies niet noodzakelijk is. Verder is daarin vastgesteld dat alle opslagen, met uitzondering van de sleufsilo’s, gesloten zijn uitgevoerd. Alleen bij het vullen van de silo’s kan als gevolg van verdringingslucht een kortstondige emissie optreden, maar die stromen zijn zeer beperkt. Vastgesteld is dat de sleufsilo’s worden afgedekt indien sprake is van geuremitterende vaste co-substraten. Het toepassen van nageschakelde technieken en procesgeïntegreerde technieken ter bestrijding van luchtverontreiniging is niet noodzakelijk geacht.
17.2.
Verder heeft het college bij de beoordeling van de aanvraag acht geslagen op het geuronderzoek van oktober 2021. In dat onderzoek is het potentieel van de geuremitterende processen van de inrichting besproken en is een emissieschatting gegeven. Vastgesteld is dat in het kader van “good housekeeping” processen als intern transport en op- en overslag van de diverse (co-)producten in gesloten systemen of ruimten plaatsvindt, dan wel dat de geuremissie ervan niet relevant is. Bij die schatting zijn de activiteiten en processen van het lossen van vloeibare mest, het lossen van co-producten, de opslag van co-producten, het vullen van de vergister, de WKK-installatie, de digestaatverwerking, de opslag van dikke fractie en de afvoer van digeststaat/dunne fractie betrokken.
17.3.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseressen met de verwijzing naar het geuronderzoek van maart 2021 en de daaruit door hen getrokken conclusies, de vaststellingen in de BBT-notitie en de bevindingen in het geuronderzoek van oktober 2021 onvoldoende bestreden. De rechtbank acht daarvoor van belang dat het geuronderzoek van maart 2021 is achterhaald door het onderzoek van oktober 2021. Op basis van de BBT-notitie en laatstgenoemd geuronderzoek heeft het college naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat een reinigingsvoorziening van verdringingslucht bij het lossen van drijfmest niet noodzakelijk is om aan BBT te voldoen. Wat het lossen, de opslag en het overslaan van vaste co-producten en vaste mest betreft, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank acht mogen slaan op de conclusie in het geuronderzoek dat die handelen/processen in gesloten systemen of ruimten plaatsvinden, dan wel dat de geuremissie daarvan niet relevant is. De enkele stelling van eiseressen dat die handelingen/processen alleen inpandig met geurreducerende maatregelen moeten plaatsvinden, doet geen afbreuk aan die conclusie.
17.4.
Op basis van de BBT-notitie en het geuronderzoek heeft het college naar het oordeel van de rechtbank mogen concluderen dat het feit dat er in dit geval sprake zal zijn van enige emissies, niet betekent dat niet aan BBT wordt voldaan. De kanttekeningen van eiseressen daarover leiden niet tot een ander oordeel.
18. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de geurbeoordeling voldoende zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd?
19. Eiseressen betogen dat de geurbeoordeling niet zorgvuldig is uitgevoerd. Volgens eiseressen is er sprake van tegenstrijdigheden en onduidelijkheden in het bestreden besluit met betrekking tot verwijzing naar de geuronderzoeken. Zo is bij de vergunning het onderzoek van 2 maart 2021 ter inzage gelegd, terwijl in de vergunning zelf wordt verwezen naar een onderzoek van 21 oktober 2021. Daarnaast voeren eiseressen aan dat ten onrechte de onzekerheidsfactor in het bestreden besluit is toegepast om de maximale geuremissie vast te stellen. Die factor dient om aan waarden te toetsen. Ook stellen eiseressen dat het college de beleidsregels niet op juiste wijze heeft toegepast. Het onderzoek van 2 maart 2021 maakt niet duidelijk welke bronnen nieuw zijn. Evenmin wordt hier in de vergunning op ingegaan. Eiseressen menen dat de hele inrichting als nieuwe bron kan worden aangemerkt vanwege de vergroting van de capaciteit. Eiseressen wijzen erop dat een aantal geurbronnen ten onrechte niet zijn meegenomen in de beoordeling, nu bepaalde processen vooral buiten plaatsvinden.
19.1.
Het college voert aan dat voor de samenstelling van de voorschriften en overwegingen van de bestreden vergunning is uitgegaan van het geuronderzoek van 21 oktober 2021, zoals dat luidde na intrekking van de LNG-activiteit. In de vergunning is abusievelijk aangegeven dat het geuronderzoek onderdeel uitmaakt van de vergunning. Volgens het college is in dat geuronderzoek geen onzekerheidsfactor toegepast. Anders dan eiseressen stellen, krijgt de vergunninghouder geen geurrechten cadeau. In dit geval is de gehele co-vergistingsinstallatie met bijbehorende op- en overslag als nieuwe bron getoetst aan de beleidsregels. Geconcludeerd is dat er sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau ter plaatse van geurgevoelige objecten. Door de gehele co-vergistingsinstallatie als nieuwe bron te beschouwen, heeft juist een strenge toetsing plaatsgevonden. Volgens het college is voldoende gemotiveerd dat er geen sprake zal zijn van een onaanvaardbaar geurhinderniveau. Daarnaast is in het geuronderzoek en het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom de geuremissie per sleufsilo niet relevant is, aldus het college.
20. De rechtbank is van oordeel dat eiseressen niet kunnen worden gevolgd in hun betoog over de geurbeoordeling. Uit het bestreden besluit volgt dat het college bij die beoordeling acht heeft geslagen op het geuronderzoek van oktober 2021. Eiseressen hebben niet aannemelijk gemaakt dat bij dat onderzoek geurbronnen over het hoofd zijn gezien, dan wel dat sprake is van tegenstrijdigheden in dat onderzoek. Op basis van de onderzochte geurbronnen is in het geuronderzoek geconcludeerd dat ter plaatse van de meest nabijgelegen geurgevoelige bestemmingen aan de richtwaarden genoemd in de beleidsregels en aan de grenswaarden kan worden voldaan. Er is daarom geconcludeerd dat er vanwege de voorgenomen ontwikkeling geen onaanvaardbare geurhinder te verwachten is. Uit het geuronderzoek volgt niet dat een onzekerheidsfactor is toegepast. Eiseressen hebben dat niet gemotiveerd bestreden. Verder betrekt de rechtbank bij haar beoordeling dat aan de hier bestreden vergunning doelvoorschriften zijn verbonden, gericht op het niet overschrijden van bepaalde waarden per geurbron. Eiseressen hebben ontoereikend onderbouwd dat die voorschriften, in het licht van het beoogde project en het geuronderzoek, onvoldoende zouden zijn om onaanvaardbare geurhinder te voorkomen.
20. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de uitbreiding van het onderzoekscentrum in strijd met het bestemmingsplan?
22. Eiseressen betogen dat het gebruik van de co-mestvergistingsinstallatie in strijd is met het bestemmingsplan nu de inkomsten en winst uit die vergisting niet als ondergeschikt aan de veehouderij zijn aan te merken. Volgens eiseressen is vergisting en verwerking van 25.000 ton mest en 25.000 ton co-producten per jaar niet in overeenstemming met
artikel 4.3, aanhef en onder j, van de regels van het bestemmingsplan (de planregels).
22.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de aangevraagde vergunning in overeenstemming met het bestemmingsplan is. De vergistingsinstallatie maakt onderdeel uit van de inrichting, zoals opgenomen en beschreven in de activiteiten in de vergunning. Volgens het college kan daarmee worden betoogd dat het gebruik van de installatie ten dienste is van de bedrijfseigen agrarische activiteiten. Er wordt bovendien mest vergist die is geproduceerd binnen het eigen bedrijf. De vergisting houdt dus ook verband met de bedrijfseigen activiteiten, aldus het college.
23. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de beoogde uitbreiding van het onderzoekscentrum niet in strijd is met de planregels. In dit geval is voldoende aannemelijk dat het gebruik van de co-vergistingsinstallatie van het onderzoekscentrum verband houdt met de bedrijfseigen agrarische activiteiten van dat centrum. Voldoende aannemelijk is dat de vergunninghouder in hoofdzaak mest van de eigen locatie zal gebruiken om die installatie te voeden. Daar komt bij dat een deel van de vergiste mest wordt uitgereden over de grond behorende bij het onderzoekscentrum. De stelling van eiseressen over inkomsten en winst uit die installatie maakt het hiervoor genoemde gebruik van de installatie, dat verband houdt met die bedrijfseigen agrarische activiteiten van het centrum, niet anders.
23. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Moest een verklaring van geen bedenkingen worden gevraagd?
25. Eiseressen betogen dat er een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) ontbreekt voor het onderdeel gebiedsbescherming. Onderhavige vergunning had niet verleend kunnen worden in verband met de te grote toename van de stikstofemissies en het daardoor veroorzaakte risico voor Natura 2000-gebieden. Er is geheel geen onderzoek gedaan naar de noodzaak om een vvgb te verkrijgen. Dat terwijl er sprake is van een toename aan mestverwerking ten opzichte van de oude situatie waarin 6.000 m³ aan mest werd verwerkt. De conclusie dat er geen sprake is van significante effecten ten opzichte van de referentiesituatie is niet onderbouwd. Zo ontbreken AERIUS-berekeningen. Daar komt bij dat er een uitbreiding van de stikstofemissies met meer dan 1.000 kg zal plaatsvinden. Ook is de vergunning van 18 november 2016, verleend op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, een PAS-vergunning. Daarmee salderen is niet mogelijk omdat die vergunning evident onwettig is, aldus eiseressen. [2]
25.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het onderhavige project gelijk is aan het project dat in 2016 is vergund en dat daarom geen vvgb noodzakelijk is. Uit de aanvraag volgt dat alleen de verkeersbewegingen zijn gewijzigd. Verder gelden de AERIUS-berekeningen van 18 november 2016. De toename in co-producten is toen al beoordeeld. Op basis van die gegevens kan met zekerheid worden vastgesteld dat de beoogde situatie ten opzichte van de referentiesituatie niet leidt tot significante effecten op Natura 2000-gebieden en dat er geen vergunningplicht is op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). De toename van de ammoniak-/stikstofemissie waar eiseressen op doelen, is het gevolg van de toename van het aantal dieren dat binnen de inrichting mag worden gehouden. Als gevolg van die toename neemt de ammoniakemissie toe met 1.166 kg per jaar. Het college heeft de aanvraag getoetst aan de Wet ammoniak en veehouderij en geconcludeerd dat de emissie vanuit de dierenverblijven geen reden vormt om de vergunning te weigeren. Daarbij acht het college van belang dat de onderhavige vergunning niet ziet op een toename in dierenaantallen en van stikstofdepositie ten opzichte van de vergunning van 18 november 2016. Ook is er sprake van een gesloten systeem. Significante negatieve gevolgen op de natuur zijn daardoor op voorhand uit te sluiten. Er geldt daarom voor dit project geen aanhaakplicht, aldus het college. [3]
26. De rechtbank is van oordeel dat het college in dit geval in het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd of het onderhavige project mogelijk significante effecten zou kunnen hebben op een Natura-2000-gebied, en of een vvgb benodigd is voor het project dan wel dat een natuurvergunning moest worden aangevraagd. Het gedeelte van het bestreden besluit dat gaat over de natuurtoestemming moet daarom worden vernietigd. Zij overweegt daartoe als volgt.
26.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat als voor een activiteit naast een omgevingsvergunning voor bouwen en milieu als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en e, van de Wabo ook een vergunning in het kader van de Wnb nodig is, de aanvrager kan kiezen of hij deze trajecten afzonderlijk of gecoördineerd wil doorlopen. Alleen als er op het moment van het besluit over de aanvraag om omgevingsvergunning nog geen Wnb-vergunning is gevraagd of verleend, bestaat op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa, aanhef en onder a, van het Bor de verplichting om tegelijkertijd voor die activiteit een natuurtoestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo aan te vragen. Ook is het uitgangspunt dat het project waarvoor de natuurvergunning is verleend hetzelfde moet zijn als dat waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, om te verzekeren dat er sprake is van een voortgezet project, zodat significante effecten op een nabijgelegen Natura-2000-gebied zijn uitgesloten. [4]
Verder volgt uit vaste rechtspraak van de ABRvS dat de gevolgen die zijn toe te rekenen aan het vergunde project bij intern salderen met een natuurvergunning mogen worden ingezet als referentiesituatie, en geldt daarbij niet de voorwaarde dat de vergunde activiteit feitelijk aanwezig is. Relevant is of de gevolgen die zijn toe te rekenen aan de vergunde activiteit aanwezig waren of konden zijn. Dat is het geval als het project alsnog kan worden gerealiseerd en in gebruik kan worden genomen op basis van de natuurvergunning waaraan de referentiesituatie wordt ontleend. [5]
26.2.
Partijen zijn het erover eens dat met het besluit van 18 november 2016 een natuurvergunning aan het onderzoekscentrum is verleend voor mestverwerking in de co-vergistingsinstallatie voor in totaal 6.000 m³ aan mest. Partijen zijn het er ook over eens dat die installatie een maximale verwerkingscapaciteit heeft van 50.000 m³ en dat met het onderhavige project wordt beoogd om die maximale capaciteit te gaan benutten. Daarmee staat vast dat het onderhavige project niet hetzelfde project is als waarvoor op 18 november 2016 een natuurvergunning is verleend. Er is daarom geen sprake van een voortgezet project. Het college had op het moment van het nemen van het bestreden besluit moeten beoordelen of door het onderhavige project mogelijk significante effecten op het nabijgelegen Natura-2000-gebied niet waren uitgesloten. In dat geval had een vvgb moeten worden gevraagd, dan wel een natuurvergunning moeten worden aangevraagd. Nu het college dat niet heeft geconcludeerd, is de hier bestreden omgevingsvergunning in strijd met de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa, aanhef en onder a, van het Bor en artikel 3:46 van de Awb genomen. Deze beroepsgrond slaagt.
27. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het college daarin heeft besloten dat er geen vvgb benodigd is voor het project, dan wel dat geen natuurvergunning hoeft te worden aangevraagd. Omdat de vergunninghouder op 16 juni 2025 alsnog een aanvraag voor verlening van een natuurvergunning voor het onderhavige project bij het college heeft ingediend, is het college niet langer gehouden om te besluiten over de vraag of wel of geen vvgb voor het project benodigd is. De nieuwe aanvraag waarborgt bovendien dat het college – in een afzonderlijk besluit waartegen belanghebbenden kunnen opkomen – zal beoordelen of het onderhavige project op grond van de Wnb met interne saldering kan worden toegestaan. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, of om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank volstaat met een kale vernietiging van het bestreden besluit op dit punt en de vaststelling dat deze uitspraak op dit punt in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

28. Het beroep is gegrond gelet op wat hiervoor in overweging 26. en verder is overwogen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij is overwogen dat geen vvgb noodzakelijk is, dan wel dat geen natuurvergunning hoeft te worden aangevraagd. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak op dit punt in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. De vergunning blijft verder in stand.
28.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht van € 371,- aan eiseressen vergoeden en krijgen eiseressen ook een vergoeding van hun proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseressen een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 16 mei 2024 voor zover daarin is beslist dat geen verklaring van geen bedenkingen noodzakelijk is, dan wel dat geen natuurvergunning hoeft te worden aangevraagd;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eiseressen moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseressen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, voorzitter, en mr. A.W.C.M. van Emmerik en mr. M.S. van den Berg, leden, in aanwezigheid van mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
De voorzitter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)
Artikel 4
1. De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object bedraagt:
a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de afstand of de geuremissiefactor voor pelsdieren vastgesteld bij ministeriële regeling.
3. Indien de afstand, bedoeld in het eerste of tweede lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, wordt een omgevingsvergunning, in afwijking van die leden, niet geweigerd indien de afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object dat binnen de in het eerste of tweede lid bedoelde afstand is gelegen, niet afneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt.
Artikel 5
1. Onverminderd de artikelen 3 en 4 bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object:
a. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
b. ten minste 25 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
2. Indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, wordt een omgevingsvergunning, in afwijking van het eerste lid, niet geweigerd indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, niet afneemt en:
a. de geurbelasting op het geurgevoelige object dat binnen de in het eerste lid genoemde afstand is gelegen, en het aantal dieren van één of meer diercategorieën, niet toenemen, of
b. de in artikel 4 bedoelde afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object dat binnen de in het eerste lid genoemde afstand is gelegen, niet afneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt.
Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit)
Artikel 2.7a
1. Indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige objecten voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt.
2. Het bevoegd gezag kan, indien het redelijk vermoeden bestaat dat niet aan het eerste lid wordt voldaan, besluiten dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd. Een geuronderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065.
3. Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder wordt ten minste rekening gehouden met de volgende aspecten:
a. de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;
b. de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten;
c. de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende inrichting;
d. de historie van de betreffende inrichting en het klachtenpatroon met betrekking geurhinder;
e. de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting, en
f. de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting.
[…]
Artikel 2.14
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:
[…]
c. neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:
1° dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het
mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten
worden toegepast.
Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019 (beleidsregels)
Artikel 2
1. Deze beleidsregels zijn van toepassing bij besluitvorming op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit, bedoeld in artikel 2.1, aanhef en eerste lid, onder e en/of i, van de Wabo, dan wel bij het wijzigen van voorschriften, verbonden aan een vergunning, of bij het stellen van maatwerkvoorschriften, bedoeld in artikel 2.7a, vierde lid, van het Activiteitenbesluit, waarbij een aanvaardbaar geurhinderniveau wordt vastgesteld en die valt onder de bevoegdheid van Gedeputeerde Staten.
2. In afwijking van het eerste lid, hanteren Gedeputeerde Staten deze beleidsregels niet in geval van aanvragen met betrekking tot veehouderijen. Op die aanvragen is de Wet geurhinder en veehouderij of het Activiteitenbesluit van toepassing.
Bestemmingsplan “Leeuwarden – Dairy Campus en omgeving”

Artikel 4 Agrarisch – Onderzoek en onderwijs

Artikel 4.3
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:
[…]
j. het gebruik van een biomassa-/mestvergistingsinstallatie anders dan ten dienste van of verband houdend met de bedrijfseigen agrarische activiteiten.

Voetnoten

1.https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR629180/3.
2.Eiseressen verwijzen naar de uitspraken van deze rechtbank van 14 juni 2023 (ECLI:NL:RBNNE:2023:2350) en van 26 juni 2024 (ECLI:NL:RBNNE:2024:2521).
3.Het college verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 november 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2627) en de uitspraak van deze rechtbank van 13 januari 2022 (ECLI:NL:RBNNE:2022:146).
4.Zie de uitspraak van de ABRvS van 23 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1332.
5.Zie de twee uitspraken van de ABRvS van 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4909 en ECLI:NL:RVS:2024:4923).