Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Vanaf 1 augustus 2018 is eiseres op tijdelijke basis werkzaam geweest bij [bedrijf 1] B.V.. Dit bedrijf is door de dochter van eiseres opgericht. Blijkens een overzicht van wijzigingen van de Kamer van Koophandel is eiseres per 1 mei 2018 ook alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van de [stichting] (hierna: de STAK).
3. Op 1 januari 2019 is eiseres een arbeidsovereenkomst aangegaan met [bedrijf 2] B.V.. Blijkens de arbeidsovereenkomst (onder de handelsnaam [handelsnaam] B.V. opgemaakt, hierna: [afkorting handelsnaam] ) is zij voor de duur van twaalf maanden in dienst getreden in de functie van interim-manager voor 40 uur per week. Bij brief van 4 november 2019 is eiseres door [afkorting handelsnaam] - in de persoon van [naam 2] - aangezegd dat haar arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd.
4. Op 30 december 2019 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de WW. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij per 2 januari 2020 een uitkering aanvraagt na ontslag bij [afkorting handelsnaam] .
5. Bij besluit van 28 januari 2020 heeft het Uwv eiseres met ingang van 1 januari 2020 een WW-uitkering toegekend tot en met 31 december 2021.
6. Blijkens een interne melding van de divisie Handhaving van 25 september 2023 is er in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 1 januari 2020 sprake geweest van een vermoedelijke overtreding, namelijk een gefingeerd dienstverband van eiseres.
7. Naar aanleiding van deze melding heeft het Uwv een onderzoek opgestart. Eiseres is uitgenodigd voor een gesprek op 27 oktober 2023. Van dit gesprek is een verslag gemaakt.
8. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het onderzoeksrapport handhaving van 3 november 2023. De conclusie van dit onderzoek is dat eiseres arbeid heeft verricht voor [bedrijf 2] B.V. en dat zij loon heeft ontvangen vanuit dit dienstverband. Er is echter geen gezagsverhouding geweest tussen [bedrijf 2] B.V. en eiseres. Van een privaatrechtelijke dienstbetrekking was dus geen sprake. Feitelijk is [bedrijf 1] B.V. per 1 januari 2019 de bestuurder van [bedrijf 2] B.V.. De STAK is als financiële holding op 1 januari 2019 de bestuurder van [bedrijf 1] B.V.. Enig bestuurder van de STAK is eiseres; per 1 december 2017 is zij in functie en per 1 mei 2018 is zij alleen en zelfstandig bevoegd. Op grond van het aanwijzingsbesluit directeur-grootaandeelhouder 2016 is eiseres daarom aan te merken als directeur-grootaandeelhouder (DGA) ten tijde van haar ‘dienstbetrekking’ bij [bedrijf 2] B.V. per 1 januari 2019.
9. In het primaire besluit van 18 december 2023 heeft het Uwv beslist dat eiseres per 1 januari 2020 geen recht heeft op een WW-uitkering. Uit onderzoek is gebleken dat er geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiseres en [bedrijf 2] B.V.. Niet kan worden gesproken van een gezagsverhouding tussen [bedrijf 2] B.V. en eiseres. Zij heeft geen verzekeringsplichtige arbeid verricht bij [bedrijf 2] B.V. waardoor zij niet wordt aangemerkt als werknemer.
10. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum heeft het Uwv beslist dat eiseres
€ 68.496,48 bruto teveel aan uitkering heeft ontvangen en dat zij dit terug moet betalen.
11. Bij besluit van 20 december 2023 is het Uwv overgegaan tot invordering van de ten onrechte verstrekte uitkering ter hoogte van € 68.496,48 bruto.
12. Eiseres is het niet eens met de besluiten en heeft bezwaar ingesteld.
13. In het besluit op bezwaar heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv rekent eiseres aan dat zij op het aanvraagformulier-WW geen informatie heeft verstrekt over haar rol als bestuurder in de STAK. Het Uwv vindt het niet voorstelbaar dat eiseres zich niet bewust is geweest van haar positie. Er is sprake van onjuiste en onvolledige informatieverstrekking door eiseres. De WW-uitkering is toegekend op basis van informatie die zij zelf ten behoeve van haar WW-aanvraag heeft verschaft. Het Uwv wist niet eerder dan in 2023 dat er wellicht geen sprake was van een verzekeringsplicht. Na onderzoek is gebleken dat er op onjuiste wijze loonaangifte is gedaan door de vennootschap die onder het gezag en de aansturing stond van eiseres. Ook heeft eiseres ten onrechte op het aanvraagformulier aangegeven dat er sprake is geweest van een dienstbetrekking. Hoewel zij een arbeidsovereenkomst had gesloten met [afkorting handelsnaam] beschikte zij zelf over alle aandelen van deze vennootschap. Eiseres had dus het feitelijke gezag over deze vennootschap en was bevoegd om hieraan sturing en leiding te geven. De aandelen van deze vennootschap zijn namelijk in het bezit van [bedrijf 1] B.V. en deze aandelen zijn weer in eigendom van de STAK, waarvan eiseres de enig bestuurder is. Eiseres stelt verder dat zij verantwoording schuldig was aan [naam 3] en [naam 2] , aangesteld als statutair-bestuurder van [bedrijf 2] B.V.. Zij had echter via de STAK het volledige gezag over deze vennootschap. Eiseres was in de positie om hen te ontslaan. Omdat achteraf is gebleken van onjuiste en onvolledige informatieverstrekking door eiseres, is het Uwv van mening dat de WW-uitkering met terugwerkende kracht kon worden ingetrokken per 1 januari 2020. Het Uwv is verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Dat de terugvordering financiële gevolgen heeft voor eiseres en impact op haar heeft is duidelijk. Dat is volgens het Uwv echter onvoldoende om vanwege dringende redenen af te zien van terugvordering.
Het standpunt van verweerder in het aanvullend verweer
14. In het aanvullend verweer neemt het Uwv het standpunt in dat de DGA-regeling niet van toepassing is op eiseres. Toetsing aan die regeling kan pas als er arbeidsrechtelijk gezien sprake is van een dienstbetrekking en de werknemer is aangesteld als statutair bestuurder. Hiervan is geen sprake. Verder stelt het Uwv zich op het standpunt dat het element werkgeversgezag ontbreekt. Eiseres kan namelijk invloed uitoefenen op de bedrijfsvoering van [afkorting handelsnaam] . Per 1 mei 2018 is zij namelijk alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder van de STAK. Daarnaast heeft zij via [bedrijf 1] B.V. een doorslaggevende stem in de algemene vergadering van aandeelhouders (ava) van [afkorting handelsnaam] . Nu de gezagsverhouding ontbreekt, is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst. Eiseres kan dan ook niet worden aangemerkt als werknemer en zij is niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Het Uwv vindt dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden door geen inzicht te geven in haar positie binnen de B.V.. Ten onrechte is de WW-uitkering aan eiseres verstrekt. Het Uwv is gehouden de uitkering te herzien en verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Er zijn ten slotte volgens het Uwv onvoldoende aanknopingspunten om dringende redenen aan te nemen.
Het standpunt van eiseres
15. Eiseres is het niet eens met het standpunt van het Uwv. Op wat zij aanvoert ter onderbouwing van haar standpunt wordt in het hiernavolgende ingegaan.
Bewijslastverdeling bij de intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen
16. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)gaat het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in deze procedure mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond tussen eiseres en [afkorting handelsnaam] . Als op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiseres ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de werknemersverzekeringen heeft vervuld, dan ligt het op haar weg om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. De bewijslast ligt kortom bij het Uwv, maar het is niet zo dat het moet aantonen dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijk dienstverband. Het aannemelijk maken volstaat.
Wanneer is iemand verzekerd voor werknemersverzekeringen?
17. Om aanspraak te maken op uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen is vereist dat een betrokkene kan worden aangemerkt als werknemer. Daartoe is vereist dat in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaamheden zijn verricht. Naar vaste rechtspraak van de CRvBmoet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Voor de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet de vraag worden beantwoord welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtshouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Waar het om gaat is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst.
18. Uit vaste rechtspraakvolgt verder dat de kwalificatie die partijen zelf aan hun rechtsverhouding hebben gegeven niet doorslaggevend is. Dit betekent echter niet dat de door partijen zelf aan hun rechtsverhouding gegeven kwalificatie geheel zonder belang is. Deze kwalificatie kan immers een indicatie vormen voor wat partijen bij het aangaan van hun rechtsbetrekking voor ogen heeft gestaan en dit is een element dat, in onderling verband met de overige relevante elementen, moet worden bezien.
19. Maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding is volgens vaste rechtspraak of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de wederpartij en dat laatstgenoemde bevoegd is opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. Niet van doorslaggevende betekenis is of van die bevoegdheid ook daadwerkelijk gebruik is gemaakt.