Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1961

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
24/3646
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WWArt. 36 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen gezagsverhouding tussen bestuurder STAK en vennootschap, geen WW-verzekering

Eiseres, enig en zelfstandig bestuurder van een STAK, diende een WW-uitkering aan na beëindiging van haar arbeidsovereenkomst bij een vennootschap. Het UWV concludeerde na onderzoek dat er geen gezagsverhouding bestond tussen eiseres en de vennootschap, waardoor zij niet als werknemer kon worden aangemerkt en niet verzekerd was voor de WW. Tevens werd vastgesteld dat eiseres haar inlichtingenplicht had geschonden door haar rol als bestuurder niet te melden.

De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat eiseres via haar positie als bestuurder van de STAK en haar invloed in de algemene vergadering van aandeelhouders feitelijk het gezag uitoefende, waardoor geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Eiseres slaagde er niet in dit tegenbewijs te leveren. De rechtbank verwierp haar beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en dringende redenen om terugvordering te voorkomen.

Hoewel het beroep gegrond werd verklaard vanwege een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, vernietigde de rechtbank dit besluit slechts gedeeltelijk en liet de rechtsgevolgen van de afwijzing en terugvordering van de WW-uitkering in stand. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen van de afwijzing en terugvordering van de WW-uitkering blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3646

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen

[naam 1 uit woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. O. Labordus),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

(gemachtigden: L. van Straaten en mr. D. de Jong).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit dat gaat over drie primaire besluiten van het Uwv. Deze besluiten hebben allemaal te maken met de conclusie van het Uwv dat eiseres geen recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) per 1 januari 2020. Volgens het Uwv was er geen sprake van een gezagsverhouding, waardoor er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Eiseres kan niet worden aangemerkt als werknemer en is dan ook niet verzekerd voor de WW, aldus het Uwv.
1.1.
In deze procedure gaat het om het beroep tegen de beslissing op
bezwaar van 24 juli 2024 waarin drie bezwaren ongegrond zijn verklaard, namelijk:
1. tegen het besluit van 18 december 2023 over de afwijzing van de WW-aanvraag
per 1 januari 2020;
2. tegen het besluit van 18 december 2023 waarin de ten onrechte verstrekte uitkering over de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2021 is teruggevorderd; en
3. tegen het besluit van 20 december 2023 over de invordering van de ten onrechte verstrekte uitkering ter hoogte van € 68.496,48 bruto, omdat achteraf is gebleken dat er vanaf 1 januari 2020 geen recht bestond op een WW-uitkering vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding.
1.2.
De gronden van het beroep zijn ingediend op 30 augustus 2024 en op 18 september 2025. Op 7 oktober 2024 en op 25 februari 2025 heeft het Uwv een verweerschrift ingediend.
1.3.
Op 25 september 2025 heeft het Uwv de rechtbank verzocht de behandeling van het beroep ter zitting uit te stellen tot een nader te bepalen datum. Er loopt namelijk ook een beroepszaak (LEE 25/660) van de partner van eiseres. Uit het handhavingsonderzoek dat heeft plaatsgevonden naar hem is informatie naar voren gekomen die steun geeft aan het besluit van eiseres. Het Uwv wil de relevante stukken inbrengen en een nader verweerschrift indienen.
1.4.
De rechtbank heeft dit verzoek om aanhouding afgewezen.
1.5.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft het beroep behandeld op 2 oktober 2025. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigden van het Uwv.
1.6.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en het vooronderzoek voortgezet. Afgesproken is dat het Uwv binnen twee weken de stukken zal overleggen die uit het handhavingsonderzoek naar de partner van eiseres naar voren zijn gekomen. Het Uwv zal een nader verweerschrift inbrengen. Eiseres zal vervolgens de gelegenheid krijgen om te reageren op deze stukken. Tevens is ter zitting de afspraak gemaakt dat het beroep van de partner van eiseres op dezelfde zitting zal worden behandeld door de meervoudige kamer, maar wel op een ander tijdstip.
1.7.
Op 15 oktober 2025 heeft het Uwv een nader verweerschrift en de stukken van de partner ingebracht. Op 18 november 2025 heeft eiseres hierop gereageerd.
1.8.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft de behandeling van het beroep voortgezet op de zitting van 8 december 2025. Hieraan hebben opnieuw deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigden van het Uwv. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Vanaf 1 augustus 2018 is eiseres op tijdelijke basis werkzaam geweest bij [bedrijf 1] B.V.. Dit bedrijf is door de dochter van eiseres opgericht. Blijkens een overzicht van wijzigingen van de Kamer van Koophandel is eiseres per 1 mei 2018 ook alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van de [stichting] (hierna: de STAK).
3. Op 1 januari 2019 is eiseres een arbeidsovereenkomst aangegaan met [bedrijf 2] B.V.. Blijkens de arbeidsovereenkomst (onder de handelsnaam [handelsnaam] B.V. opgemaakt, hierna: [afkorting handelsnaam] ) is zij voor de duur van twaalf maanden in dienst getreden in de functie van interim-manager voor 40 uur per week. Bij brief van 4 november 2019 is eiseres door [afkorting handelsnaam] - in de persoon van [naam 2] - aangezegd dat haar arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd.
4. Op 30 december 2019 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de WW. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij per 2 januari 2020 een uitkering aanvraagt na ontslag bij [afkorting handelsnaam] .
5. Bij besluit van 28 januari 2020 heeft het Uwv eiseres met ingang van 1 januari 2020 een WW-uitkering toegekend tot en met 31 december 2021.
6. Blijkens een interne melding van de divisie Handhaving van 25 september 2023 is er in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 1 januari 2020 sprake geweest van een vermoedelijke overtreding, namelijk een gefingeerd dienstverband van eiseres.
7. Naar aanleiding van deze melding heeft het Uwv een onderzoek opgestart. Eiseres is uitgenodigd voor een gesprek op 27 oktober 2023. Van dit gesprek is een verslag gemaakt.
8. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het onderzoeksrapport handhaving van 3 november 2023. De conclusie van dit onderzoek is dat eiseres arbeid heeft verricht voor [bedrijf 2] B.V. en dat zij loon heeft ontvangen vanuit dit dienstverband. Er is echter geen gezagsverhouding geweest tussen [bedrijf 2] B.V. en eiseres. Van een privaatrechtelijke dienstbetrekking was dus geen sprake. Feitelijk is [bedrijf 1] B.V. per 1 januari 2019 de bestuurder van [bedrijf 2] B.V.. De STAK is als financiële holding op 1 januari 2019 de bestuurder van [bedrijf 1] B.V.. Enig bestuurder van de STAK is eiseres; per 1 december 2017 is zij in functie en per 1 mei 2018 is zij alleen en zelfstandig bevoegd. Op grond van het aanwijzingsbesluit directeur-grootaandeelhouder 2016 is eiseres daarom aan te merken als directeur-grootaandeelhouder (DGA) ten tijde van haar ‘dienstbetrekking’ bij [bedrijf 2] B.V. per 1 januari 2019.
9. In het primaire besluit van 18 december 2023 heeft het Uwv beslist dat eiseres per 1 januari 2020 geen recht heeft op een WW-uitkering. Uit onderzoek is gebleken dat er geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiseres en [bedrijf 2] B.V.. Niet kan worden gesproken van een gezagsverhouding tussen [bedrijf 2] B.V. en eiseres. Zij heeft geen verzekeringsplichtige arbeid verricht bij [bedrijf 2] B.V. waardoor zij niet wordt aangemerkt als werknemer.
10. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum heeft het Uwv beslist dat eiseres
€ 68.496,48 bruto teveel aan uitkering heeft ontvangen en dat zij dit terug moet betalen.
11. Bij besluit van 20 december 2023 is het Uwv overgegaan tot invordering van de ten onrechte verstrekte uitkering ter hoogte van € 68.496,48 bruto.
12. Eiseres is het niet eens met de besluiten en heeft bezwaar ingesteld.
Het bestreden besluit
13. In het besluit op bezwaar heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv rekent eiseres aan dat zij op het aanvraagformulier-WW geen informatie heeft verstrekt over haar rol als bestuurder in de STAK. Het Uwv vindt het niet voorstelbaar dat eiseres zich niet bewust is geweest van haar positie. Er is sprake van onjuiste en onvolledige informatieverstrekking door eiseres. De WW-uitkering is toegekend op basis van informatie die zij zelf ten behoeve van haar WW-aanvraag heeft verschaft. Het Uwv wist niet eerder dan in 2023 dat er wellicht geen sprake was van een verzekeringsplicht. Na onderzoek is gebleken dat er op onjuiste wijze loonaangifte is gedaan door de vennootschap die onder het gezag en de aansturing stond van eiseres. Ook heeft eiseres ten onrechte op het aanvraagformulier aangegeven dat er sprake is geweest van een dienstbetrekking. Hoewel zij een arbeidsovereenkomst had gesloten met [afkorting handelsnaam] beschikte zij zelf over alle aandelen van deze vennootschap. Eiseres had dus het feitelijke gezag over deze vennootschap en was bevoegd om hieraan sturing en leiding te geven. De aandelen van deze vennootschap zijn namelijk in het bezit van [bedrijf 1] B.V. en deze aandelen zijn weer in eigendom van de STAK, waarvan eiseres de enig bestuurder is. Eiseres stelt verder dat zij verantwoording schuldig was aan [naam 3] en [naam 2] , aangesteld als statutair-bestuurder van [bedrijf 2] B.V.. Zij had echter via de STAK het volledige gezag over deze vennootschap. Eiseres was in de positie om hen te ontslaan. Omdat achteraf is gebleken van onjuiste en onvolledige informatieverstrekking door eiseres, is het Uwv van mening dat de WW-uitkering met terugwerkende kracht kon worden ingetrokken per 1 januari 2020. Het Uwv is verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Dat de terugvordering financiële gevolgen heeft voor eiseres en impact op haar heeft is duidelijk. Dat is volgens het Uwv echter onvoldoende om vanwege dringende redenen af te zien van terugvordering.
Het standpunt van verweerder in het aanvullend verweer
14. In het aanvullend verweer neemt het Uwv het standpunt in dat de DGA-regeling niet van toepassing is op eiseres. Toetsing aan die regeling kan pas als er arbeidsrechtelijk gezien sprake is van een dienstbetrekking en de werknemer is aangesteld als statutair bestuurder. Hiervan is geen sprake. Verder stelt het Uwv zich op het standpunt dat het element werkgeversgezag ontbreekt. Eiseres kan namelijk invloed uitoefenen op de bedrijfsvoering van [afkorting handelsnaam] . Per 1 mei 2018 is zij namelijk alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder van de STAK. Daarnaast heeft zij via [bedrijf 1] B.V. een doorslaggevende stem in de algemene vergadering van aandeelhouders (ava) van [afkorting handelsnaam] . Nu de gezagsverhouding ontbreekt, is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst. Eiseres kan dan ook niet worden aangemerkt als werknemer en zij is niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Het Uwv vindt dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden door geen inzicht te geven in haar positie binnen de B.V.. Ten onrechte is de WW-uitkering aan eiseres verstrekt. Het Uwv is gehouden de uitkering te herzien en verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Er zijn ten slotte volgens het Uwv onvoldoende aanknopingspunten om dringende redenen aan te nemen.
Het standpunt van eiseres
15. Eiseres is het niet eens met het standpunt van het Uwv. Op wat zij aanvoert ter onderbouwing van haar standpunt wordt in het hiernavolgende ingegaan.
Toetsingskader
Bewijslastverdeling bij de intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen
16. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [1] gaat het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in deze procedure mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond tussen eiseres en [afkorting handelsnaam] . Als op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiseres ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de werknemersverzekeringen heeft vervuld, dan ligt het op haar weg om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. De bewijslast ligt kortom bij het Uwv, maar het is niet zo dat het moet aantonen dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijk dienstverband. Het aannemelijk maken volstaat.
Wanneer is iemand verzekerd voor werknemersverzekeringen?
17. Om aanspraak te maken op uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen is vereist dat een betrokkene kan worden aangemerkt als werknemer. Daartoe is vereist dat in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaamheden zijn verricht. Naar vaste rechtspraak van de CRvB [2] moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Voor de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet de vraag worden beantwoord welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtshouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Waar het om gaat is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst.
18. Uit vaste rechtspraak [3] volgt verder dat de kwalificatie die partijen zelf aan hun rechtsverhouding hebben gegeven niet doorslaggevend is. Dit betekent echter niet dat de door partijen zelf aan hun rechtsverhouding gegeven kwalificatie geheel zonder belang is. Deze kwalificatie kan immers een indicatie vormen voor wat partijen bij het aangaan van hun rechtsbetrekking voor ogen heeft gestaan en dit is een element dat, in onderling verband met de overige relevante elementen, moet worden bezien.
19. Maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding is volgens vaste rechtspraak of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de wederpartij en dat laatstgenoemde bevoegd is opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. Niet van doorslaggevende betekenis is of van die bevoegdheid ook daadwerkelijk gebruik is gemaakt.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat het in deze zaak over?
20. De zaak spitst zich toe op de vraag of eiseres was verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Daarbij is haar rol als enig en zelfstandig bestuurder van de STAK per 1 mei 2018 van belang.
21. Niet in geschil is dat er in het geval van eiseres sprake was van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid en het betalen van loon. Partijen zijn verdeeld over de vraag of bij de werkzaamheden van eiseres sprake was van een gezagsverhouding (derde vereiste). Verder is in geschil of eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden, of sprake is van strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, en of sprake is van dringende redenen om van intrekking en terugvordering van de uitbetaalde uitkering af te zien.
Is er sprake van strijd met de goede procesorde?
22. Over de op 15 oktober 2025 door het Uwv aangeleverde stukken stelt eiseres zich op het standpunt dat inbreng hiervan in strijd is met de goede procesorde. De stukken zijn afkomstig uit het dossier van haar partner en waren al sinds 2023 bekend bij het Uwv. Het is onzorgvuldig om deze stukken pas in dit stadium van de procedure over te leggen. Eiseres verzoekt de stukken buiten beschouwing te laten.
22.1.
De rechtbank ziet geen reden om de ingebrachte stukken buiten beschouwing te laten vanwege strijd met de goede procesorde. Zij acht allereerst van belang dat eiseres adequaat heeft kunnen reageren op deze stukken. Daarnaast zijn deze stukken naar het oordeel van de rechtbank van belang voor de beoordeling van het beroep van eiseres. De stukken geven immers - voor een deel - een beschrijving van de dagelijkse praktijk binnen [afkorting handelsnaam] en zijn dus van belang voor de vraag of bij de werkzaamheden van eiseres sprake was van een gezagsverhouding.
22.2.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat het Uwv in het aanvullend verweer zijn standpunt heeft gewijzigd in die zin dat het niet langer vindt dat eiseres als DGA wordt aangemerkt en er daarom geen gezagsverhouding aanwezig is. De DGA-regeling geldt immers pas als de werknemer is aangesteld als statutair bestuurder. Daarvan is - zoals eiseres ook al eerder heeft betoogd in bezwaar en het Uwv in het aanvullend verweerschrift opmerkt - geen sprake. Het Uwv neemt echter nog steeds het standpunt in dat eiseres in de periode in geding niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding, maar dan op andere gronden. Dit gewijzigd standpunt leidt voor het Uwv echter niet tot een andere uitkomst. Nu het Uwv in de beroepsprocedure zijn standpunt heeft gewijzigd, kent het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Dit besluit moet daarom worden vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Zij is namelijk van oordeel dat het Uwv op deze nieuwe grondslag de herziening van de verstrekte WW-uitkering terecht heeft gehandhaafd. De rechtbank beoordeelt dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Is de formulering van het primaire besluit onjuist?
23. Eiseres is van mening dat de formulering van het primaire besluit vragen oproept. In dat besluit wordt immers aangegeven dat er geen recht bestaat op een WW-uitkering en dat eiseres per 1 januari 2020 geen uitkering krijgt. De uitkering is echter wel in een eerder stadium toegekend. Het Uwv gaat er kennelijk nog steeds vanuit dat er geen sprake is geweest van een toekenning. In dat geval kan volgens eiseres ook niet worden teruggevorderd.
23.1.
De rechtbank stelt vast dat in de primaire beslissing van 18 december 2023 wordt aangegeven dat uit nieuwe informatie is gebleken dat eiseres niet kan worden beschouwd als werknemer. Daarom - aldus de beslissing - vervalt de brief van 28 januari 2020 en ontvangt eiseres de nieuwe beslissing van 18 december 2023. Hoewel in het besluit van 18 december 2023 staat vermeld dat de beslissing van 28 januari 2020
vervalt, kan de rechtbank het Uwv volgen in de stelling dat het heeft beoogd het besluit van 28 januari 2020 te herzien met het besluit van 18 december 2023. In het herziene besluit heeft het Uwv daarom een ander standpunt kunnen innemen en daaraan ook de nodige consequenties kunnen verbinden voor het recht op een WW-uitkering.
Heeft het UWV terecht geconcludeerd dat er geen sprake was van een gezagsverhouding tussen eiseres en de werkgever?
24. Eiseres heeft aangevoerd dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking is geweest tussen haar en [afkorting handelsnaam] . De rol van eiseres als bestuurder van de STAK had geen invloed op de bedrijfsvoering van [afkorting handelsnaam] . De feitelijke leiding en aansturing bij [afkorting handelsnaam] lagen bij [naam 3] en [naam 2] . Eiseres voerde haar werkzaamheden uit in opdracht van deze leidinggevenden en moest verantwoording aan hen afleggen. Zij had enkel een uitvoerende rol. Op verzoek van de oprichter en oud-bestuurder van de STAK, [naam 4] , heeft eiseres incidenteel handelingen verricht in de hoedanigheid van bestuurder van de STAK. Haar rol was formeel, zonder feitelijke invloed op het beleid of de dagelijkse gang van zaken bij [afkorting handelsnaam] . Eiseres wijst in dit verband op jurisprudentie. [4]
24.1.
De rechtbank stelt vast dat [naam 4] sinds 23 december 2015 de functie van bestuurder bekleedt en hij alleen en zelfstandig bevoegd is. Tevens is onweersproken dat eiseres per 1 december 2017 in functie is getreden als bestuurder van de STAK en per 1 mei 2018 alleen en zelfstandig bevoegd is. Tot slot is onweersproken dat de STAK vanaf 23 december 2015 alle aandelen van [bedrijf 1] B.V. in haar bezit heeft waarmee zij in de ava van [bedrijf 1] B.V. het stemrecht kan uitoefenen. Op hetzelfde moment dat de STAK wordt opgericht en deze de aandelen van [bedrijf 1] B.V. verwerft, worden door [afkorting handelsnaam] 900 nieuwe aandelen geplaatst [5] die in bezit komen van [bedrijf 1] B.V.
24.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv vanwege de positie van eiseres in de ava voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen sprake is geweest van werkgeversgezag tussen eiseres en [afkorting handelsnaam] . Via [bedrijf 1] B.V. heeft eiseres immers een doorslaggevende stem in de ava van [afkorting handelsnaam] , is zij in staat geweest controle uit te oefenen over het bestuur van [afkorting handelsnaam] en heeft zij belangrijke beslissingen kunnen nemen zoals het wijzigen van statuten, het vaststellen van de jaarrekening, het benoemen en ontslaan van bestuurders en het goedkeuren van de winstrekening. De ava is verantwoordelijk voor de inrichting, het beleid en de strategie van een vennootschap. Het bestuur van de vennootschap is verantwoording schuldig aan de ava. In een dergelijke situatie is het niet voorstelbaar dat eiseres door het aangaan van een arbeidsovereenkomst met [afkorting handelsnaam] onder werkgeversgezag komt te staan.
24.3.
Behalve dat eiseres via de ava van [afkorting handelsnaam] haar invloed kon aanwenden, was zij per 1 mei 2018 alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder van de STAK. Ook langs die weg was eiseres in staat invloed uit te oefenen op de bedrijfsvoering van [afkorting handelsnaam] , hetgeen het ook niet aannemelijk maakt dat zij onder gezagsverhouding stond bij [afkorting handelsnaam] . Omdat niet is voldaan aan het vereiste van een gezagsverhouding, is geen sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en kan eiseres niet worden aangemerkt als werknemer van [afkorting handelsnaam] .
24.4.
Eiseres heeft een beroep gedaan op de uitspraak van de CRvB van 10 maart 2022 [6] waarin wordt verwezen naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad van onder meer 22 maart 2013. [7] Uitgegaan dient te worden van een ‘formele benadering’ die wordt gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon een gezagsverhouding bestaat. Of materieel sprake is van een gezagsverhouding is bij die beoordeling niet relevant.
24.5.
Anders dan eiseres heeft betoogd, volgt uit de uitspraak van de Hoge Raad niet dat zij op grond van een formele gezagsverhouding met [afkorting handelsnaam] als werknemer kan worden aangemerkt. Eiseres oefende het feitelijke gezag zelf immers uit via de ava en vanwege haar rol als alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder van de STAK per 1 mei 2018.
24.6.
Zoals hiervoor is overwogen, is het vervolgens aan eiseres om met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat de informatie van het Uwv niet juist is. Dit heeft zij echter niet gedaan. Eiseres heeft aangevoerd dat zij ten tijde van haar dienstverband viel onder het gezag en de verantwoordelijkheid van de vervoersmanagers [naam 3] en [naam 2] . De feitelijke leiding en aansturing lagen bij hen. Haar rol als bestuurder van de STAK had volgens haar geen invloed op de bedrijfsvoering bij [afkorting handelsnaam] .
24.7.
Dit betoog slaagt niet. De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat eiseres geen bemoeienis had kunnen hebben met de bedrijfsvoering en dat zij verantwoording moest afleggen aan deze vervoersmanagers. De rechtbank volgt eiseres allereerst niet in de stelling dat de vervoersmanagers ten tijde van haar dienstverband waren aangesteld als gevolmachtigden. [naam 3] was ten tijde van het dienstverband van eiseres tot 1 juni 2019 gevolmachtigd. Echter ook gedurende deze periode bleef [bedrijf 1] B.V. voor (ten minste) 90% aandeelhouder van [afkorting handelsnaam] . Als aandeelhouder en alleen zelfstandig bevoegd kon [bedrijf 1] B.V. zeggenschap uitoefenen, invloed uitoefenen op belangrijke besluiten en gebruik maken van het stemrecht in de ava. Daarnaast blijft een gevolmachtigde vanuit zijn positie ondergeschikt aan het bestuur van [afkorting handelsnaam] en daarmee is hij dus indirect ondergeschikt aan eiseres. [naam 2] is pas per 2 januari 2020, dus na afloop van het dienstverband van eiseres, als bestuurder/gevolmachtigde aangesteld.
24.8.
De rechtbank is verder van oordeel dat uit de in het dossier aanwezige stukken blijkt dat eiseres handelingen heeft verricht als bestuurder van de STAK. Zo blijkt uit een akte van levering van 8 januari 2018 dat het bestuur van de STAK betrokken is geweest bij de koop van een pand aan de Bolder 70 te Drachten, het bedrijfspand van [afkorting handelsnaam] . Het pand werd door [afkorting handelsnaam] verkocht aan [bedrijf 1] B.V. en beide partijen werden kennelijk indirect vertegenwoordigd door eiseres. Uit een leveringsakte van 1 juli 2022 blijkt vervolgens de verkoop van ditzelfde pand van [bedrijf 1] B.V. aan een zekere Taekema. Eiseres handelt als bestuurder van de STAK, die handelt als zelfstandig bevoegd bestuurder van [bedrijf 1] B.V.. Hoewel deze handelingen niet hebben plaatsgevonden ten tijde van het dienstverband met [afkorting handelsnaam] of tijdens de looptijd van de WW, tonen deze wel aan dat eiseres niet alleen op papier bestuurder was van de STAK. Zij verrichtte ook in de praktijk handelingen als bestuurder. De rechtbank wijst ook op het door eiseres ondertekende document aangifte loonbelasting juli 2020. Dit document doet vermoeden dat eiseres na de einddatum van de in de polisadministratie geregistreerde arbeidsverhouding en dus tijdens de WW-periode optrad als ondernemer van [afkorting handelsnaam] , althans dat zij nog steeds bemoeienis had met [afkorting handelsnaam] . Het Uwv heeft daarom terecht het standpunt ingenomen dat eiseres niet enkel een papieren rol heeft vervuld als bestuurder binnen de STAK. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er dan ook niet in geslaagd voldoende tegenbewijs te leveren voor haar stelling dat zij onder het gezag stond van [naam 3] en [naam 2] .
24.9.
Omdat niet is voldaan aan het vereiste van een gezagsverhouding, is geen sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Eiseres kan dan ook niet worden aangemerkt als verzekerd voor de werknemersverzekeringen.
Is er sprake van schending van de inlichtingenplicht?
25. Eiseres heeft aangevoerd dat zij in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeerde dat zij bij [afkorting handelsnaam] werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. Zij had geen enkele bemoeienis met de bedrijfsvoering. Eiseres heeft de vraag of zij andere werkzaamheden heeft verricht met “nee” beantwoord, omdat er geen sprake was van (noemenswaardige) andere werkzaamheden. Dat zij als bestuurder van de STAK stond ingeschreven, maakte niet dat zij in dat kader werkzaamheden verrichtte. Het was eiseres niet duidelijk dat zij van deze functie melding had moeten maken. Verder geeft zij aan dat er meerdere contactmomenten zijn geweest met het Werkbedrijf van het Uwv en dat medewerkers van het Werkbedrijf op de hoogte waren van haar functie als bestuurder. Tijdens een gesprek bij het Werkbedrijf op 24 september 2020 heeft eiseres aangegeven dat zij als bestuurder van de STAK stond ingeschreven, maar toen is geconcludeerd dat dat niet bruikbaar was in een poging aan het werk te komen. Tijdens een gesprek op 26 november 2021 heeft eiseres uitgelegd wat voor bedrijf [bedrijf 1] B.V. is. Ook de relatie met [afkorting handelsnaam] en de STAK is aan de orde gekomen. Het zijn van bestuurder in de STAK is toen niet als probleem aangemerkt.
25.1.
Op grond van artikel 25, eerste lid, van de WW is de werknemer verplicht aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.
25.2.
Niet in geschil is dat eiseres bij haar aanvraag op 30 december 2019 niet uit eigen beweging heeft gemeld dat zij de rol van bestuurder vervult binnen de STAK. Naar het oordeel van de rechtbank had het eiseres echter redelijkerwijs duidelijk kunnen en moeten zijn dat haar positie als bestuurder van de STAK van belang was voor de vaststelling van haar recht op de genoemde werknemersuitkering. Zij had daar melding van moeten maken. Zeker nu eiseres tijdens het gesprek in het kader van het handhavingsonderzoek heeft uitgelegd dat [bedrijf 1] B.V. grootaandeelhouder was in [afkorting handelsnaam] en dat zij via de STAK enig aandeelhouder en alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder was van [bedrijf 1] B.V.. Uit de verslagen van de contactmomenten met het Werkbedrijf blijkt dat het bedrijf van de dochter van eiseres wel ter sprake is gekomen - onder meer op 21 september 2021 - maar uit die contactmomenten blijkt niet dat eiseres heeft gesproken over de STAK. Ook blijkt niet dat zij toen heeft gesproken over de verhouding tussen de STAK, [bedrijf 1] B.V. en [afkorting handelsnaam] . Zij schrijft in het bericht aan de adviseur werk over verschillende onbezoldigde vrijwilligersbanen, maar de bestuurdersfunctie bij de STAK wordt door haar niet genoemd. Het Uwv heeft terecht niet aannemelijk gevonden dat tijdens deze contactmomenten met het Werkbedrijf uitvoerig is gesproken over deze constructie of dat eiseres hierover nader bevraagd had moeten worden door de adviseurs werk. Die gesprekken waren er namelijk alleen op gericht om haar zo snel mogelijk weer aan een baan helpen. Op basis van de toen door eiseres verstrekte informatie was er geen aanleiding te veronderstellen dat zij mogelijk geen werknemer was en dus niet verzekerd was voor de WW. Het Uwv heeft het terecht niet aannemelijk gevonden dat eiseres ten tijde van haar aanvraag niet op de hoogte was van deze constructie. Van haar mocht bovendien worden verwacht dat zij bekend was met de voorwaarden in de sociale zekerheidswetgeving om verzekerd te zijn voor de werknemersverzekeringen, omdat zij zelf ook werkzaam was in het personeelsmanagement en naar soortgelijke functies solliciteerde. Als er bij eiseres al twijfel over bestond of zij verzekerd was voor de werknemersverzekeringen, lag het op haar weg om dit na te vragen bij het Uwv.
25.3.
Gelet op de rol die zij vervulde binnen [afkorting handelsnaam] - waarbij de rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 24.7. - valt verder niet in te zien waarom eiseres in de veronderstelling verkeerde dat zij enkel op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam was en geen melding heeft gemaakt van haar functie als bestuurder van de STAK.
25.4.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres de inlichtingen-plicht heeft geschonden. Die schending heeft ertoe geleid dat over de periode vanaf 1 januari 2020 tot en met 31 december 2021 een WW-uitkering is verstrekt, terwijl zij daar geen recht op had. Het Uwv was dan ook gehouden tot herziening en terugvordering van de WW-uitkering.
Is het rechtszekerheidsbeginsel geschonden?
26. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB [8] is intrekking van een uitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dit beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan gevallen waarin het toekennen of ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij wel de juiste feiten had gekend. Van dit laatste is in het geval van eiseres sprake, waarbij de rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen.
De uitkering is aan eiseres toegekend in de veronderstelling dat zij werknemer was.
Wanneer later blijkt dat dit niet het geval is geweest, is het Uwv in beginsel gehouden de uitkeringen te herzien of in te trekken. Dit is ook het geval als de toekenningsbesluiten formele rechtskracht hebben verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank is het rechtzekerheidsbeginsel dan ook niet geschonden door het Uwv.
Is de onverschuldigd betaalde uitkering terecht teruggevorderd? Is sprake van dringende redenen om af te zien van intrekking en terugvordering?
27. Eiseres voert aan dat het Uwv van terugvordering dient af te zien wegens dringende redenen. Zij verwijst in dit verband naar een uitspraak van de CRvB. [9] Volgens eiseres heeft het Uwv niet getoetst of er sprake is van dringende redenen waardoor van terugvordering moet worden afgezien. Als ten tijde van de aanvraag door het Uwv meer onderzoek was verricht, waaruit de conclusie zou zijn getrokken dat er geen sprake was van verzekeringsplichtige arbeid, dan was volgens eiseres in ieder geval voorkomen dat er sprake zou zijn van een aanzienlijke terugvordering.
27.1.
Gelet op artikel 36, zesde lid, van de WW heeft het Uwv de verplichting om teveel betaalde uitkering terug te vorderen, tenzij dringende redenen aanwezig zijn. Deze kunnen het Uwv reden geven om van gehele of gedeeltelijke terugvordering af te zien.
27.2.
De rechtbank overweegt dat de CRvB het begrip dringende reden voortaan als een open norm ziet waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de intrekking en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. [10] De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres op dringende redenen niet kan slagen. Zoals het Uwv terecht heeft gesteld, moest eiseres zich ervan bewust zijn geweest dat geen sprake was van een dienstbetrekking. Zij had in ieder geval kunnen weten dat zij als bestuurder van de STAK niet als verzekerde kon worden aangemerkt. De overige aangevoerde omstandigheden, waaronder de stelling dat de terugvordering financiële gevolgen heeft en mentaal veel impact heeft op eiseres, heeft zij niet nader onderbouwd met concrete gegevens. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de terugvordering ontoelaatbare of onevenredige sociale of financiële gevolgen heeft voor eiseres. Daarbij is het inherent aan de terugvordering dat deze negatieve financiële gevolgen heeft.
27.3.
Ook is de rechtbank niet van oordeel dat het eigen aandeel van het Uwv dusdanig is dat van terugvordering moet worden afgezien of dat het terugvorderingsbedrag moet worden gematigd. In het verweerschrift en op de zitting heeft het Uwv toegelicht dat er geen reden was om in een eerder stadium onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van het WW-recht. De gesprekken die eiseres met het Werkbedrijf heeft gevoerd, nog los van wat daar is besproken, hadden een ander doel, namelijk het vinden van werk en gingen niet over de rechtmatigheid van de aan haar verstrekte uitkering. Toen het Uwv op 25 september 2023 een interne melding van handhaving ontving, is direct een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van het WW-recht en is eiseres uitgenodigd voor een gesprek. Dit gesprek heeft op 27 oktober 2023 plaatsgevonden. Vervolgens is bij besluit van 18 december 2023 het recht op WW afgewezen. De terugvordering is dan ook niet ontstaan of opgelopen door toedoen van het Uwv. Dat bij de WW-aanvraag geen concreet duidelijk signaal was om onderzoek te doen naar de aard van de arbeidsrelatie tussen eiseres en [afkorting handelsnaam] betekent niet dat het Uwv niet de bevoegdheid heeft om op een later moment alsnog een onderzoek te doen. De rechtbank komt - alles overziend - tot de conclusie dat het Uwv zich terecht op het standpunt stelt dat niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering van de onterecht ontvangen WW-uitkering moet worden afgezien.
28. Uit voorgaande overwegingen blijkt dat het Uwv op juiste gronden de WW-uitkering heeft afgewezen en teruggevorderd.

Conclusie en gevolgen

29. Het beroep zal gegrond worden verklaard, omdat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek heeft. Dat besluit wordt vernietigd, voor zover het Uwv daarbij het recht op WW-uitkering heeft afgewezen, omdat eiseres als DGA werd aangemerkt en er om die reden geen gezagsverhouding aanwezig was. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter in stand laten, nu de afwijzing terecht op de in het aanvullend verweer genoemde grondslag is gehandhaafd.
30. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding voor haar proceskosten.
30.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Eiseres heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde. Deze gemachtigde heeft vier proceshandelingen verricht: het instellen van beroep, zij heeft tweemaal aan de zitting deelgenomen en zij heeft nadere gronden ingediend naar aanleiding van het aanvullend verweerschrift. De eerste drie proceshandelingen leveren elk een punt op met een waarde van € 934,- en wegingsfactor 1. Ten aanzien van de nadere gronden ingediend naar aanleiding van het aanvullend verweerschrift ziet de rechtbank aanleiding om hier de wegingsfactor 0,5 toe te passen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding voor de vier proceshandelingen bedraagt dan in totaal € 3.269,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit, voor zover het Uwv daarbij het recht op uitkering heeft herzien, omdat eiseres als DGA wordt aangemerkt;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten tot een bedrag van € 3.269.-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga en mr. A.S. Broere, leden, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 17 mei 2018, ECLILNL:CRVB:2018:1479.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 23 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:156 en 12 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:335.
3.Zie HR 25 maart 2011 en ECLI:NL:CRVB:2015:1649.
5.Zie het certificeringsdocument van 23 december 2015, het document afgifte aandelen van 23 december 2015 en het aandeelhoudersregister van [handelsnaam] B.V.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1194.
9.Uitspraak van de CRvB van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.