ECLI:NL:RBNNE:2026:2702

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
25/5393
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 BpbArt. 2 BpbArt. 8:36 AwbArt. 1 WtisArt. 3 Wtis
Verwijzingen
22 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding WOZ-taxatierapport vastgesteld op basis van redelijke tijdsbesteding en uurtarief

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Westerkwartier over de proceskostenvergoeding voor een WOZ-taxatierapport. Het rapport, opgesteld door Woning Waarderingsmeesters B.V. onder verantwoordelijkheid van een geregistreerd WOZ-taxateur, werd door eiser overgelegd in de bezwaarfase. De heffingsambtenaar betwistte dat het rapport een deskundigenverslag is en stelde dat de kwaliteit onvoldoende is, met een vergoeding van slechts €10,69 als passend.

De rechtbank oordeelt dat het rapport wel degelijk een deskundigenverslag is, ondanks dat het deels geautomatiseerd is en door medewerkers zonder bijzondere taxatieopleiding wordt vervaardigd onder supervisie van een deskundige. Inhoudelijke verschillen tussen het rapport en de heffingsambtenaar zijn volgens de rechtbank normale verschillen van inzicht en maken het rapport niet waardeloos.

De rechtbank weegt jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en rechtbank Noord-Holland, die een redelijke tijdsbesteding van circa 40 minuten per rapport aannemen. Het uurtarief wordt vastgesteld op €59 exclusief btw, een marktconform tarief met indexatie ten opzichte van eerdere richtlijnen. De vergoeding wordt berekend als 40 minuten maal €59 plus 21% btw, totaal €47,60. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de eerdere kostenvergoeding en stelt de vergoeding vast op €209,36 inclusief proceskosten en griffierecht. Tevens wordt de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor het WOZ-taxatierapport vast op €47,60 en verklaart het beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/5393

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Westerkwartier, de heffingsambtenaar

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 november 2025.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak aan [adres] per 1 januari 2024 voor het belastingjaar 2025 vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser in de uitspraak op bezwaar gegrond verklaard en de waarde verlaagd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van de heffingsambtenaar deelgenomen. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank vooraf laten weten dat eiser niet op de zitting aanwezig of vertegenwoordigd zal zijn.

Feiten

2.1.
In de bezwaarfase heeft eiseres een “Niet-inpandige woningtaxatie” overgelegd (het rapport). Het Nieuwe WOZ-bureau B.V. (HNWB) heeft opdracht verstrekt tot het opstellen van het rapport, dat afkomstig is van Woning Waarderingsmeesters B.V. (Waarderingsmeesters). Op pagina 1 en pagina 7 is een handtekening geplaatst die afwijkt van de handtekening van de gemachtigde van eiseres. Volgens het rapport is deze handtekening van de heer [naam 3] , de (eind)verantwoordelijk taxateur.
2.2.
Het rapport vermeldt onder meer het volgende:

“Verantwoording

Alle rapporten van Woning Waarderingsmeesters vallen onder de verantwoordelijkheid van de heer [naam 3] , die tevens zorg draagt voor de ondertekening ervan. De heer [naam 3] is als gekwalificeerd WOZ-taxateur geregistreerd in het openbare LVLB-register en voldoet aan de eisen van zowel de Waarderingskamer als SVMNIVO. Meerdere WOZ-taxateurs hebben onder zijn
verantwoordelijkheid bijgedragen aan dit rapport. Zij hebben de interne opleiding ‘WOZ-taxateur niet-inpandige woningtaxaties’ met goed resultaat afgerond. De opleiding bestaat uit vijf modules met eindtoetsen, waarbij 85% van de vragen goed beantwoord moet worden. Om de opleiding te beginnen is minimaal een diploma “Basistheorie Vastgoeddeskundige” of vergelijkbare studie- of werkervaring vereist.
Er is uitgebreid onderzoek verricht op basis van informatie van de opdrachtgever en diverse openbare en niet-openbare bronnen. Hierbij is gebruikgemaakt van onder meer: Kadaster, BAG, RVO, BRK, CBS, Google Streetview, Google Maps, Satellietbeelden, Topotijdreis, Rijkswaterstaat, Funda, NVM, Brainbay, VBO, Huislijn, Huispedia en een exclusieve vastgoed database voor taxateurs en makelaars met verkoop- en transactiegegevens sinds 2019, inclusief historische
verkoopbrochures met bijbehorende foto’s en teksten.
Gebruikers van het taxatierapport kunnen op verzoek de niet-openbare brongegevens inzien op het kantoor van Woning Waarderingsmeesters. Daarnaast kunnen zij zich aanmelden voor een demonstratie en snuffelstage om de gehanteerde werkwijze te controleren.

Taxatiemethodiek

De taxatie is uitgevoerd volgens de vergelijkingsmethode, conform artikel 17, lid 2 van de Wet WOZ. Hierbij is het object vergeleken met recente verkopen van vergelijkbare woningen. Bij deze vergelijking is rekening gehouden met relevante verschillen in primaire en secundaire kenmerken.
De waarderingsinstructies van de Waarderingskamer dienen als basis voor de beoordeling van de secundaire objectkenmerken en zijn te raadplegen via de volgende link:
https://waarderingskamer.nl/voor-gemeenten/gegevensbeheer/secundaire-objectkenmerken.
Kort en bondig beschreven vindt de beoordeling plaats op basis van de volgende factoren:
Kwaliteit De bouwkwaliteit, gebruikte materialen, isolatiewaarde en het energielabel.
Onderhoud Zowel buiten (zoals kozijnen) als binnen (veroudering of modernisering).
Uitstraling De visuele aantrekkelijkheid en charme van de woning van buitenaf.
Doelmatigheid De geschiktheid van de woning voor normaal woongebruik.
Voorzieningen Leeftijd, kwaliteit en luxe van keuken, badkamer en verwarmingsinstallatie.
Ligging De situatie en kwaliteit van de directe omgeving binnen het waardegebied.”
2.3.
Onder de kop ‘Taxatiewerkwijze’ wordt in zeven stappen kort toegelicht hoe de taxatie tot stand komt. De eerste vijf stappen bestaan uit het beoordelen van de marktsituatie, het selecteren van de drie best vergelijkbare referentieobjecten, het indexeren van de transactieprijzen van die referentieobjecten naar de waardepeildatum, het uitsplitsen van de gerealiseerde verkoopwaarde van elk referentieobject naar waardeonderdelen en het toekennen van KOUDVL-factoren aan de referentieobjecten, waarna de gerealiseerde prijzen per eenheid worden gecorrigeerd alsof de referentieobjecten zich in gemiddelde staat zouden bevinden. In stap 6 wordt de waarde van het getaxeerde object (de woning waar het om gaat) naar gemiddelde staat berekend en in stap 7 worden de KOUDVL-factoren van het getaxeerde object beoordeeld en wordt de gemiddelde prijs per eenheid naar de werkelijke toestand van het getaxeerde object gecorrigeerd. Vervolgens wordt de waarde van het getaxeerde object verkregen door de waarde van de woning, de grond en de bijgebouwen bij elkaar op te tellen. Daarna wordt op basis van de gevolgde stappen een taxatiematrix opgesteld waarin de verkregen gegevens zijn verwerkt.
2.4.
Bij het rapport is een factuur (“Specificatie”) gevoegd die de volgende gegevens bevat:

Omschrijving
Uren
Uurtarief (€)
Bedrag (€)
WOZ taxatie: Niet-inpandige woningtaxatie
2,0
59,00
€ 118,00
Bedrag
€ 118,00
Totaal btw 21%
€ 24,78
Totaal (EUR)
€ 142,78
2.5.
Eiser heeft HNWB gemachtigd om deze procedure namens hem te voeren.

Toepasselijke wet- en regelgeving

3.1.
In artikel 1, aanhef en onder b, en artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is het volgende bepaald:

“Artikel 1

Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk Pro een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:
(…)
b.kosten van een getuige of deskundige die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht.”

“Artikel 2

1Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld:
(…)
b.ten aanzien van de kosten als bedoeld in artikel 1, onderdeel b: op de vergoeding die ingevolge artikel 8:36, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht is verschuldigd; indien de kosten zijn gemaakt in bezwaar of administratief beroep wordt deze vergoeding vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken;”
3.2.
Artikel 8:36, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt:

De partij die een getuige of deskundige heeft meegebracht of opgeroepen, dan wel aan wie een verslag van een deskundige is uitgebracht, is aan deze een vergoeding verschuldigd. Het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde is van overeenkomstige toepassing.”
3.3.
In artikel 1, eerste lid en in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet tarieven in strafzaken (Wtis) (tekst 2025) is het volgende bepaald:

“Artikel 1

1Op de voet van het bij en krachtens deze wet bepaalde worden vergoedingen toegekend voor werkzaamheden, voor tijdverzuim alsmede voor daarmede verband houdende noodzakelijke kosten, en voor gemaakte reis- en verblijfkosten, voor zover voortvloeiende uit een verzoek of opdracht van de justitie, ten behoeve van:
a.strafzaken, hieronder begrepen zaken betreffende overtredingen waarvan de burgerlijke rechter kennis neemt;
b.zaken waarin het openbaar ministerie optreedt ter uitvoering van de wet en waarvan de burgerlijke rechter kennis neemt.

“Artikel 3

1Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden tarieven vastgesteld voor vergoedingen voor:
a.werkzaamheden ingevolge verzoeken en opdrachten als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid;
3.4.
.4. Artikel 6, aanhef, en artikel 9, eerste lid, van het Besluit tarieven in strafzaken (Btis) (tekst 2025) luiden als volgt:

“Artikel 6

Voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, waarvoor geen speciaal tarief is bepaald, geldt, naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn, een tarief van ten hoogste € 162,63 per uur, (…)

“Artikel 9

1Voor de vaststelling van de uurvergoeding als bedoeld in de artikelen 2, 3, 6, 7 en 8 geldt een gedeelte van een uur gelijk aan een half uur of korter, als een half uur, en een gedeelte langer dan een half uur als een heel uur.

Beoordeling door de rechtbank

Vooraf
4. Beide partijen zijn bekend met de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:259. Ook mag verondersteld worden dat zij bekend zijn met de gerechtsoverstijgende uitspraken zoals die van rechtbank Noord-Holland van 3 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2304. De rechtbank stelt vast dat in die zaken dezelfde gemachtigde als belangenbehartiger optreedt en dat de taxatierapporten waar het in die uitspraken over gaat, ook zijn opgesteld door Waarderingsmeesters. Daarom zal de rechtbank in deze zaak voor zover nodig mede uitgaan van de feitelijkheden zoals die in de beide hiervoor genoemde uitspraken zijn te vinden.
5. Niet in geschil is dat eiser geen recht heeft op vooraftrek van in rekening gebrachte omzetbelasting.
6. Tussen partijen is alleen de in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding voor het rapport in geschil. De toegekende proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand is niet in geschil.
Standpunten van partijen
7. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar een bedrag van € 10,69 als vergoeding voor het taxatierapport heeft toegekend.
7.1.
De gemachtigde van eiser stelt zich primair op het standpunt dat de vergoeding € 142,78 moet bedragen, overeenkomstig de specificatie in het taxatierapport (2 x € 59 + btw). Subsidiair stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat de vergoeding € 111,57 zou moeten zijn, wat overeenkomt met een half uur vermenigvuldigd met het maximumtarief uit artikel 6 van Pro het Btis (uitgaande van het huidige, in 2026 geldende maximumtarief van € 184,42). Meer subsidiair wijst de gemachtigde van eiser op een door hem uitgevoerd marktonderzoek naar de kosten van woningtaxaties, waaruit volgt dat het laagste nog marktconforme tarief voor een niet-inpandige taxatie € 95 bedraagt.
8. In de beroepsfase heeft de heffingsambtenaar zijn stellingen als volgt aangescherpt.
8.1.
Primair is de heffingsambtenaar van oordeel dat er geen sprake is van een rapport afkomstig van een
deskundigein de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb.
8.2.
Subsidiair stelt de heffingsambtenaar dat de kwaliteit van het rapport volstrekt onder de maat is en daarom niet als een
verslagin de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb kan worden aangemerkt.
8.3.
Meer subsidiair stelt de heffingsambtenaar dat een vergoeding van € 10,69 voldoende is, gebaseerd op een tijdsbesteding van 10 minuten vermenigvuldigd met het uurtarief uit de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties (de richtlijn) [1] van € 53,00, vermeerderd met btw. De heffingsambtenaar wijst hierbij op de veelheid aan jurisprudentie waarin kort gezegd is geoordeeld dat een vergoeding van € 10,69 volstaat wanneer het, zoals ook in dit geval, om een automatisch gegenereerd rapport gaat.
Is sprake van een deskundigenverslag?
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat wél sprake is van een verslag van een deskundige, beide in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. Het enkele feit dat de naam van de opsteller ontbreekt, maakt niet dat geen sprake is van een deskundigenverslag in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. De rechtbank wijst erop dat het rapport afkomstig is van Waarderingsmeesters en onder die vlag wel moet zijn opgesteld door een persoon die voldoende deskundigheid bezit om dat te doen. In het rapport is onder ‘Verantwoording’ toegelicht hoe het zit (zie 2.2): het rapport is onder de verantwoordelijkheid van de heer [naam 3] , een geregistreerd WOZ-taxateur, opgesteld en door hem ondertekend. De stelling van de heffingsambtenaar dat er geen exacte deskundige in het rapport is genoemd, mist naar het oordeel van de rechtbank dan ook feitelijke grondslag. Het rapport mag zijn gegenereerd en geredigeerd door een medewerker die onder zijn verantwoordelijkheid werkt, maar dat feit op zich ontneemt aan het rapport niet de status van een deskundigenrapport. Los daarvan is het niet zo dat alleen iemand met bepaalde diploma’s of opleidingen deskundige kan zijn in de zin van het Bpb. De rechtbank gaat dus uit van een verslag afkomstig van een
deskundige.
9.2.
Het verslag is volgens de heffingsambtenaar kwalitatief ernstig onder de maat. Ter onderbouwing van die stelling heeft de heffingsambtenaar gewezen op verschillende inhoudelijke onjuistheden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze “onjuistheden” echter geenszins van dien aard dat het om een in wezen waardeloos rapport zou gaan. Integendeel. De gemachtigde heeft terecht opgemerkt dat het hier gaat om inhoudelijke verschillen van inzicht, die ook wel in matrices van de heffingsambtenaar zijn te ontdekken, maar hoe dan ook een zinvol aanknopingspunt vormen om objectkenmerken, KOUDV-factoren en andere aspecten van het te waarderen object vast te stellen. Verder merkt de rechtbank op dat de heffingsambtenaar op onderdelen wijst op vermeende “incorrecte beoordelingen”, terwijl die bij nadere bestudering niet meer of anders blijken te zijn dan een opvatting of inschatting die afwijkt van de opvatting of inschatting van de heffingsambtenaar. Ook dat zijn dus verschillen van inzicht, niets meer en niets minder. Als deze gedachtegang van de heffingsambtenaar zou worden doorgetrokken, zou elk rapport dat inhoudelijk afwijkt van de matrix van de heffingsambtenaar reeds om die reden direct in de prullenbak kunnen verdwijnen, hoe zeer dat rapport ook deugdelijk gemotiveerd is en ongeacht het antwoord op de vraag of en in welke mate die afwijkingen verdedigbaar zijn . Het spreekt voor zich dat de rechtbank deze gedachtegang niet volgt.
10.2.
Het verslag is volgens de heffingsambtenaar kwalitatief ernstig onder de maat. Ter onderbouwing van die stelling heeft de heffingsambtenaar gewezen op verschillende
Uitspraken gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en rechtbank Noord-Holland
10. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn uitspraak van 20 januari 2026 [2] onder meer geoordeeld dat een gemiddeld aan het taxatierapport bestede tijd van (afgerond) twee uur niet aannemelijk is. Naar zijn oordeel houdt het voor een medewerker of freelancer van Waarderingsmeesters met 20 minuten per taxatierapport wel op, waarbij het gerechtshof nog 5 minuten heeft opgeteld voor de controle door de (eind)verantwoordelijk taxateur. Met toepassing van artikel 9, eerste lid, van het Btis heeft het gerechtshof deze 25 minuten vervolgens afgerond op een half uur en dit half uur vermenigvuldigd met het uurtarief van € 59 dat door Waarderingsmeesters is gehanteerd, resulterend in een vergoeding van € 35,70 inclusief btw.
11. Rechtbank Noord-Holland heeft in haar uitspraak van 3 maart 2026 [3] geoordeeld dat een tijdsbesteding van twee uur aan het ‘taxatierapport’ niet te rijmen valt met wat de inventarisatie van de door de gemachtigde ingediende, vergelijkbare documenten bij een groot aantal andere gemeenten had opgeleverd. Rechtbank Noord-Holland oordeelde dat het document de uitkomsten van een softwaremodel bevatten en dat niet aannemelijk is dat menselijke deskundigheid (in traditionele zin) te pas is gekomen aan het opstellen van het document (maar alleen aan het ontwikkelen van het softwaremodel). De redelijke vergoeding voor de kosten van het document heeft rechtbank Noord-Holland vervolgens op € 15 bepaald.
Beoordelingskader deskundigenkosten
12.1.
De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 26 september 2025 [4] ten aanzien van de vergoeding van de kosten van een taxatierapport in rechtsoverweging 4.2 als volgt heeft geoordeeld:

Bij de beoordeling (…) moet worden vooropgesteld dat geen aanleiding bestaat voor toekenning van een proceskostenvergoeding aan een partij, voor zover het gaat om een post ter zake waarvan door die partij geen kosten zijn of worden gemaakt (vgl. HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0464, rechtsoverweging 3.2.). Indien, zoals in dit geval, een deskundige als bedoeld in artikel 1, letter b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) in een bestuursrechtelijke procedure aan de belanghebbende of aan diens gemachtigde een verslag heeft uitgebracht met het oog op die procedure, dient de rechter in beginsel ervan uit te gaan dat daaraan voor die belanghebbende kosten zijn verbonden. Voor een uitzondering op dit beginsel is slechts plaats indien het bestuursorgaan het tegendeel stelt en, in geval van betwisting, aannemelijk maakt (vgl. HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531, rechtsoverweging 3.3.2.). De omstandigheid dat de deskundige voor het taxatierapport een factuur heeft gestuurd aan de gemachtigde, volstaat daarvoor niet.”
12.2.
De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak de opdracht tot het opstellen van het rapport door de gemachtigde van eiser is gegeven en dat de heffingsambtenaar niet heeft gesteld dat er geen kosten aan het rapport zijn verbonden. Daarom is de uitzondering op de hoofdregel niet van toepassing. Dat betekent dat de rechtbank er bij haar beoordeling van uitgaat dat sprake is van een deskundige in de zin van het Bpb die een verslag heeft uitgebracht waaraan voor de belanghebbende kosten zijn verbonden.
12.3.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank uitsluitend beslissen over de
hoogtevan de te vergoeden kosten van het rapport.
13. Bij de toekenning van een vergoeding voor de kosten van een deskundige gaat het om de kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft gemaakt. Voor de hoogte van de kosten wordt in artikel 1, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 2, eerste lid, onder b, van het Bpb en met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb verwezen naar de Wtis en het Btis (zie hiervoor onder ‘Toepasselijke wet- en regelgeving’). Dat betekent dat voor 2025 de kosten tot maximaal € 162,63 per uur worden vergoed, waarbij gedeelten van een uur naar boven worden afgerond naar het eerstvolgende half uur. Uit met name artikel 6 van Pro het Btis vloeit voort dat de besluitgever van het Bpb voor het bepalen van de deskundigenvergoeding heeft willen aansluiten bij de formule ‘tijdsbesteding x uurtarief’.
13.1.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de gestelde tijdsbesteding en het gehanteerde uurtarief in deze zaak (volgens het primaire standpunt van de gemachtigde: 2 uur à € 59 exclusief btw) beoordelen. Dat past immers binnen het stelsel dat de besluitgever voor ogen stond.
14. De gemachtigde heeft nog opgemerkt dat ook bij deze aanpak verschillende invalshoeken mogelijk zijn. Het ene uiterste is dat alle denkbare tijd die is besteed aan de uiteindelijke totstandkoming van het rapport wordt meegerekend tegen een relatief laag uurtarief. Het andere uiterste is dat alleen de directe ‘harde’ taxatiewerkzaamheden worden beprijsd (die van de taxateur zelf), welke dus specifieke deskundigheid vergen, maar dan tegen een relatief hoog uurtarief (waarin de dekking voor alle andere werkzaamheden is verdisconteerd).
14.1.
De rechtbank gaat uit van een benadering die aansluit bij het hiervoor (zie onder 13) toegelichte stelsel dat de besluitgever voor ogen heeft gehad. De rechtbank zal de feitelijke tijdsbesteding aan de werkzaamheden die leiden tot het opleveren van het rapport in aanmerking nemen tegen het tarief dat zij hieronder toelicht. Hierbij merkt de rechtbank op dat beide aspecten (de tijdsbesteding en het uurtarief) voorwerp zijn van bewijslevering, waarvoor de reguliere regels van bewijslastverdeling gelden.
Tijdsbesteding
15. Uit de uitspraken van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 januari 2026 en van rechtbank Noord-Holland van 3 maart 2026 is voor wat betreft de totstandkoming van het rapport een aantal zaken duidelijk geworden. De rechtbank vat hieronder samen wat valt af te leiden uit de inhoud van die uitspraken en uit wat op de daaraan voorafgaande zittingen aan de orde is geweest.
15.1.
Het rapport bevat de output van een op zichzelf geautomatiseerd proces dat is ontwikkeld door Waarderingsmeesters. Het gaat dus niet enkel om een geautomatiseerde screening om te kijken of de vastgestelde WOZ-waarde mogelijk te hoog is. Het rapport vormt de weerslag van fase 2 en wordt alleen geproduceerd als uit fase 1 (de eerste screening) blijkt dat er een relevant verschil zit tussen de vastgestelde waarde en de waarde die uit de screening rolt. Kennelijk wordt in dat geval het model ten volle ingezet, wat resulteert in een rapport als het onderhavige.
15.2.
De demonstratievideo waarnaar eiser verwijst (te vinden op de website van Waarderingsmeesters: woningwaarderingsmeesters.nl/methodiek) werpt een blik op hoe een taxatierapport van Waarderingsmeesters wordt opgesteld. Te zien en te horen is hoe aan de hand van de beschikbare gegevens referentieobjecten worden gekozen, de primaire objectkenmerken in relatie tot het te waarderen object worden beoordeeld, verkoopbrochures van de referentieobjecten worden bekeken en aan de hand van de foto’s in die brochures KOUDV-factoren worden toegekend, naar de ligging wordt gekeken en mogelijke bijzonderheden met betrekking tot het te waarderen object worden meegenomen. De rechtbank gaat ervan uit dat de taxatierapporten wordt gegenereerd door medewerkers zonder bijzondere taxatievaardigheden of -opleiding. Uit de video maakt de rechtbank verder op dat deze bedoeld lijkt te zijn om nieuwe medewerkers te leren hoe een taxatierapport kan worden vervaardigd. Uit de hiervoor gegeven omschrijving komt naar voren dat het niet enkel en alleen gaat om een druk op de knop. Een mens van vlees en bloed kijkt naar het scherm, maakt bepaalde keuzes, bekijkt plattegronden, bekijkt de staat van de referentieobjecten en het voorzieningenniveau. Daarmee staat voor de rechtbank in ieder geval vast dat er werk wordt gedaan door mensen die nadenken over aspecten die op zichzelf voor de WOZ-waardering relevante zijn. Daarvoor gebruiken zij als basis de output van een geautomatiseerd model. De gehele video duurt ruim anderhalf uur. De rechtbank schat op basis van deze video in dat iemand die goed is ingevoerd in dit proces ongeveer 12 rapporten op een (werk)dag kan produceren (rekening houdend met pauzes en onvermijdelijke werkonderbrekingen). Dat is dus ongeveer 40 minuten (bruto) per rapport.
15.3.
Anders dan gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn uitspraak van 20 januari 2026 ziet de rechtbank geen aanleiding om het bepaalde in artikel 9 Btis Pro toe te passen en af te ronden op een heel uur. De rechtbank ziet die bepaling namelijk als geschreven voor de situatie waarin een deskundige eenmalig een tailor made advies uitbrengt in de betreffende zaak, waarvan het vervaardigen doorgaans meerdere, zo niet vele uren in beslag neemt. In die situaties gaat het dan om een eindafronding. Daarvan is in dit geval geen sprake omdat de tijdsbesteding in absolute zin reeds onder een heel uur blijft. Bovendien betreft het hier, oneerbiedig gezegd, massaproductie. Het gevolg van de onverkorte toepassing van artikel 9 Btis Pro in gevallen als het onderhavige zou ertoe leiden dat de gemachtigde elke keer het voordeel van de afronding ten deel zou vallen, welk voordeel in relatieve zin de helft van de werkelijke tijdsbesteding beslaat. Dat is naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden niet meer redelijk.
15.4.
De rechtbank gaat, het voorgaande in overweging nemende, ervan uit dat een (werkelijke) tijdsbesteding van 40 minuten redelijk moet worden geacht.
Tarief
16. De rechtbank merkt op dat in artikel 6 van Pro het Btis een maximumtarief is vastgesteld van € 162,63 per uur (tarief 2025). Het criterium voor de precieze hoogte van het in aanmerking te nemen tarief is gekoppeld aan het antwoord op de vraag in hoeverre de werkzaamheden van bijzondere of wetenschappelijke aard zijn. De gemachtigde heeft als onderdeel van zijn primaire standpunt gevraagd een uurtarief te hanteren van € 59 exclusief btw. Dat ligt dus op zichzelf al aanzienlijk lager dan het maximumtarief. De heffingsambtenaar heeft op de zitting vastgehouden aan het tarief van € 53 exclusief btw uit de ingetrokken richtlijn (zie 9). Het tarief uit de richtlijn is dus in zoverre (wat de hoogte betreft) niet in geschil. In een eerder stadium heeft eiser zelf ook gevraagd om tegen dat tarief te vergoeden.
16.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is – zeker nu deze richtlijn niet (meer) geldt – enige indexatie wel op zijn plaats. Het tarief van € 53 is voor het laatst vastgesteld in 2018, sindsdien waren (ruim) zes jaren verstreken [5] . Zo bezien is het uurtarief van € 59 per uur niet onredelijk. Ook al is de richtlijn naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2025 [6] ingetrokken, dat laat onverlet dat destijds een uurtarief van € 53 voor woningtaxaties zonder meer als redelijk werd beschouwd. Anders gezegd: de bodem van het uurtarief is wat de rechtbank betreft € 53 vóór indexering en met enige indexering is € 59 dan niet gek. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding om op grond van een eigen inschatting van het al dan niet wetenschappelijke of bijzondere karakter van de werkzaamheden van een lager tarief uit te gaan. De rechtbank acht namelijk aannemelijk dat een dergelijk tarief het gangbare markttarief is voor min of meer gespecialiseerd werk.
16.2.
De gemachtigde van eiser heeft als onderdeel van een van zijn (meer) subsidiaire standpunten het maximale uurtarief van artikel 6 van Pro het Btis bepleit. De rechtbank volgt dit standpunt niet, omdat uit artikel 6 volgt Pro dat dit maximumtarief geldt voor werkzaamheden van het hoogst denkbare wetenschappelijke niveau of van de hoogst bijzondere aard denkbaar. Dan gaat het dus echt om uitzonderingsgevallen, deskundigen waar er bij wijze van spreken maar een handjevol van zijn te vinden. De gemachtigde heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat daarvan in het geval van zijn taxateur sprake is.
17.1.
De gemachtigde van eiser heeft aanvullend (uiterst) subsidiair verdedigd dat het tarief overeen zou moeten komen met het markttarief voor soortgelijke taxaties. De gemachtigde van eiser baseert zijn stellingen op zijn uitleg van de strekking van artikel 6 van Pro het Btis, welke strekking hij afleidt uit de totstandkomingsgeschiedenis daarvan (marktwerking mogelijk maken). De gemachtigde leidt verder uit het stelsel van bepalingen uit het Bpb af dat de bedoeling van de besluitgever is geweest dat een rechtzoekende ook daadwerkelijk een deskundige in de arm moet kunnen nemen voor zijn zaak, en dat als hij die zaak wint, hij dan ook de werkelijke kosten van die deskundige (binnen de in het besluit genoemde grenzen en normeringen) vergoed krijgt. Op zich is dat laatste naar het oordeel van de rechtbank juist.
17.2.
De gemachtigde leest in de Nota van Toelichting [7] bij het Btis af dat er, door een maximumtarief op te nemen, ruimte is voor marktwerking, en dat om die reden eveneens is afgezien van het opnemen van een minimumtarief. Daaraan verbindt de gemachtigde vervolgens de conclusie dat de vergoeding altijd ten minste het marktconforme bedrag moet zijn. Dit kan volgens de rechtbank echter niet uit de bedoelde passage worden afgeleid. De rechtbank leest die passage zo, dat de besluitgever heeft bedoeld om in beginsel de werkelijke kosten te willen vergoeden, die evenwel in het ene geval hoger kunnen liggen dan in het andere geval. De tarieven voor bepaalde soorten deskundigheid mogen dus onderling verschillen, al naar gelang de aard van de deskundigheid, maar ook kunnen tarieven verschillen doordat er meer of minder aanbieders zijn. Dát is wat de rechtbank in dit verband begrijpt onder marktwerking. Het is niet zo dat er staat: zoek maar in de markt naar wat een reëel tarief is, en dan wordt dat per definitie vergoed. Het gaat nog steeds om de
werkelijkekosten.
18. De rechtbank zal de vergoeding voor het rapport vaststellen op € 47,60 (40/60 x € 59 + 21% btw). De kostenvergoeding voor de bezwaarfase komt daarmee in totaal op € 209,36 (2 x € 80,88 + € 47,60).

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal de uitspraak op bezwaar vernietigen voor zover deze ziet op de toegekende kostenvergoeding. Overeenkomstig wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, stelt zij die vergoeding voor de bezwaarfase vast op € 209,60. Dat betekent dat de heffingsambtenaar voor de bezwaarfase een nabetaling moet doen van € 36,91 (€ 209,36 - € 172,45).
Griffierecht
20. Omdat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, zal zij bepalen dat de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht vergoedt.
Proceskostenvergoeding
21. De rechtbank zal de heffingsambtenaar in de door eiser gemaakte proceskosten veroordelen.
21.1.
De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op basis van het Bpb vast op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 934, met toepassing van een wegingsfactor 1,0.
21.2.
Partijen zijn overeengekomen dat de onderhavige zaak samen met de zaken met nummers LEE 25/810 en LEE 25/824 leidend is voor nog eens 29 andere zaken die gaan over het belastingjaar 2024. In die zaken speelt tussen partijen exact hetzelfde geschilpunt. Het gaat hier dus in totaal om 32 zaken, die ook 32 maal bepaalde individuele werkzaamheden met zich mee hebben gebracht. De rechtbank zal daarom de factor voor samenhang van 1,5 in aanmerking nemen.
De wegingsfactor stelt de rechtbank op 1,0. Weliswaar was in beroep alleen de kostenvergoeding voor de bezwaarfase in geschil, maar juist op dit gebied hebben diverse rechtsontwikkelingen plaatsgevonden, zoals in deze uitspraak (en in de stukken van partijen) besproken. Ten slotte zou rechtstreekse en individuele toepassing van de Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm om dezelfde reden (geen materieelrechtelijk geschil) leiden tot toepassing van een vermenigvuldigingsfactor 0,1. De proceskostenvergoeding zou daarmee uitkomen op in totaal € 140,10 (€ 934 x 1 punt x 1,5 samenhang x 1,0 gewicht x 0,1 Wet herwaardering). Dit bedrag acht de rechtbank niet redelijk, in het licht van de omstandigheid dat er in 32 zaken een geschil ter beoordeling is voorgelegd. De rechtbank zal daarom afwijken van deze berekening, maar wel zo dicht mogelijk bij het Bpb blijven om recht te doen aan het doel daarvan: een tegemoetkoming geven in de proceskosten. Zodoende komt de rechtbank op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase van € 934 (€ 934 x 1 punt x 1,5 samenhang x 1,0 gewicht x 0,667) voor alle 32 zaken gezamenlijk.
21.3.
Uit praktisch oogpunt heeft de rechtbank de heffingsambtenaar alleen in de zaak met nummer LEE 25/810 veroordeeld tot het betalen van de (volledige) proceskostenvergoeding voor alle 32 zaken. In alle andere zaken, waaronder dus deze, volstaat de rechtbank met een verwijzing naar het oordeel in die zaak.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, uitsluitend voor zover deze ziet op de toegekende kostenvergoeding;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- stelt de kostenvergoeding in de bezwaarfase vast op (in totaal) € 209,36.
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 53 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van D.A. van der Beek, griffier.
griffier rechter
Uitgesproken in het openbaar op: 7 juli 2026.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie
4.ECLI:NL:HR:2025:1251. In die zaak was ook sprake van een taxatierapport dat was ingebracht door een gemachtigde. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch had overwogen dat de factuur was gericht aan de gemachtigde en dat niet was gebleken dat de kosten drukten op de belastingplichtige.