ECLI:NL:RBNNE:2026:2703

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
25/652
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 1 Besluit proceskosten bestuursrechtArtikel 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArtikel 8:36 Algemene wet bestuursrechtArtikel 1 Wet tarieven in strafzakenArtikel 3 Wet tarieven in strafzaken
Verwijzingen
21 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding voor WOZ-taxatierapport vastgesteld op basis van redelijke tijdsbesteding en uurtarief

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar inzake de proceskostenvergoeding voor een WOZ-taxatierapport. Het rapport, opgesteld door Woning Waarderingsmeesters B.V., kwalificeert als een deskundigenverslag. De heffingsambtenaar had een vergoeding van slechts € 10,69 toegekend, gebaseerd op een tijdsbesteding van 10 minuten en een uurtarief van € 53 exclusief btw.

De rechtbank overweegt dat het rapport niet louter geautomatiseerd is, maar tot stand komt door medewerkers die diverse gegevens beoordelen en verwerken, wat een redelijke tijdsbesteding van circa 40 minuten per rapport rechtvaardigt. Het gehanteerde uurtarief van € 59 exclusief btw wordt als redelijk beoordeeld, mede gelet op indexatie sinds de laatste richtlijn uit 2018.

De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze de proceskostenvergoeding betreft en stelt de vergoeding voor de bezwaarfase vast op € 209,36. Tevens veroordeelt zij de heffingsambtenaar tot vergoeding van het betaalde griffierecht en een proceskostenvergoeding van € 467 voor de beroepsfase, welke geldt voor twaalf soortgelijke zaken. De uitspraak is leidend voor deze zaken en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor het WOZ-taxatierapport vast op € 209,36 en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van griffierecht en proceskosten in beroep.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/652

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Westerveld, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 6 januari 2025.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak aan [adres] per 1 januari 2023 voor het belastingjaar 2024 vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser in de uitspraak op bezwaar gegrond verklaard en de waarde verlaagd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.
1.5.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Feiten

2.1.
In de bezwaarfase heeft eiser een “Taxatierapport ter controle van de vastgestelde WOZ-waarde” overgelegd (“Kantoor-taxatie”, het rapport). Het Nieuwe WOZ-bureau B.V. (HNWB) heeft opdracht verstrekt tot het opstellen van het rapport, dat afkomstig is van Woning Waarderingsmeesters B.V. (Waarderingsmeesters) en is ondertekend door [naam] als verantwoordelijk taxateur.
2.2.
Het rapport vermeldt onder meer het volgende:

1. Inleiding
Dit taxatieverslag is het resultaat van het onderzoek naar de juistheid van de WOZ-waarde. Voorafgaand aan deze taxatie heeft er eerst een WOZ-check plaatsgevonden; er is door middel van een geautomatiseerde modelwaarde analyse op basis van de doorgegeven informatie een advies uitgebracht om nader onderzoek te verrichten. De opdrachtgever heeft naar aanleiding van dit advies gevraagd om de juistheid van de WOZ-waarde te controleren door deze woning te taxeren op de waardepeildatum 01-01-2023.
(…)
3.
3. Werkwijze
Deze taxatie is tot stand gekomen door het vergelijken van de getaxeerde woning met een groep van referentiewoningen. Dit wordt ook wel de referentievergelijkingsmethode genoemd. Deze methode wordt, in verschillende varianten, ook voorgeschreven door de Waarderingskamer, het NWWI en het NRVT. De door ons gehanteerde werkwijze is als volgt:
De primaire en secundaire kenmerken van de getaxeerde woning worden beoordeeld,
gecontroleerd en vastgesteld. Vervolgens worden vergelijkbare recent verkochte woningen in de directe omgeving geanalyseerd door de taxateur, vervolgens worden enkele hiervan in een referentietabel geplaatst. Naar aanleiding van de analyse maakt de taxateur een modelwoning die gelijk is aan het getaxeerde object maar alsof deze in gemiddelde staat zou zijn. Hierna worden de correcties van het getaxeerde object toegepast om tot de getaxeerde waarde te komen in de werkelijke staat. Op deze manier komt er een waarde tot stand naar aanleiding van een vergelijking met een groep aan referenties.
4. Gebruikte bronnen
Voor de totstandkoming van dit rapport heb ik diverse openbare en exclusieve bronnen geraadpleegd, dit betreft onder andere: een database van historische verkoopbrochures, diverse makelaars- en woningwebsites, door opdrachtgever verstrekte en door bewoners doorgegeven ingevulde vragenlijsten en foto’s, google maps, streetview en luchtfoto’s, indexcijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Het Kadaster en de Basisregistratie Kadaster (BRK), De Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en diverse onderzoeken naar de invloed van verschillende kenmerken op de waarde van onder andere Brainbay en de NVM.
2.3.
In onderdeel 6 van het rapport zijn op basis van de informatie van de opdrachtgever bepaalde scores op KOUDV-factoren aan het getaxeerde object (de woning waar het om gaat) toegekend. Soms wijken die KOUDV-scores af van het gemiddelde. Verder is het verwachte energielabel vermeld en zijn opmerkingen gemaakt over de bouwkwaliteit (in dit geval is de aanwezigheid van asbest als gebrek genoteerd). In onderdeel 7 wordt een grote groep adressen genoemd (enkele tientallen) van recent verkochte referentieobjecten die, zo zegt het rapport, op basis van de verkoopgegevens zijn geanalyseerd. Vervolgens komen in onderdeel 8 drie referentieobjecten in beeld waarvan de primaire objectkenmerken worden genoemd, het energielabel en de som van de KOUDV-factoren (“Kwalux score”). Daarna worden deze gegevens in onderdeel 9 kennelijk herleid naar gemiddelde KOUDV-scores, waarna op die gemiddelde ‘Voorbeeldwoning’ in onderdeel 10 correcties worden toegepast voor de eerder in het rapport geconstateerde afwijkingen van het gemiddelde en bijzonderheden met betrekking tot energielabel en bouwkwaliteit van het getaxeerde object.
2.4.
Bij het rapport is een “Specificatie” gevoegd die de volgende gegevens bevat:

Omschrijving
Uren
Uurtarief (€)
Bedrag (€)
WOZ advies: startpunt advies
€ 4,00
WOZ taxatie: kantoor-taxatie
2,0
€ 59,00
€ 118,00
Hoorzitting: voorbereiding (en deelname)
0,5
€ 59,00
€ 29,50
Bedrag
€ 151,50
Totaal btw 21%
€ 31,82
Totaal (EUR)
€ 183,32
2.5.
Eiser heeft HNWB gemachtigd om deze procedure namens hem te voeren.

Toepasselijke wet- en regelgeving

3.1.
In artikel 1, aanhef en onder b, en artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is het volgende bepaald:

“Artikel 1

Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk Pro een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:
(…)
b.kosten van een getuige of deskundige die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht.”

“Artikel 2

1Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld:
(…)
b.ten aanzien van de kosten als bedoeld in artikel 1, onderdeel b: op de vergoeding die ingevolge artikel 8:36, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht is verschuldigd; indien de kosten zijn gemaakt in bezwaar of administratief beroep wordt deze vergoeding vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken;”
3.2.
Artikel 8:36, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt:

De partij die een getuige of deskundige heeft meegebracht of opgeroepen, dan wel aan wie een verslag van een deskundige is uitgebracht, is aan deze een vergoeding verschuldigd. Het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde is van overeenkomstige toepassing.”
3.3.
In artikel 1, eerste lid en in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet tarieven in strafzaken (Wtis) (tekst 2024) is het volgende bepaald:

“Artikel 1

1Op de voet van het bij en krachtens deze wet bepaalde worden vergoedingen toegekend voor werkzaamheden, voor tijdverzuim alsmede voor daarmede verband houdende noodzakelijke kosten, en voor gemaakte reis- en verblijfkosten, voor zover voortvloeiende uit een verzoek of opdracht van de justitie, ten behoeve van:
a.strafzaken, hieronder begrepen zaken betreffende overtredingen waarvan de burgerlijke rechter kennis neemt;
b.zaken waarin het openbaar ministerie optreedt ter uitvoering van de wet en waarvan de burgerlijke rechter kennis neemt.

“Artikel 3

1Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden tarieven vastgesteld voor vergoedingen voor:
a.werkzaamheden ingevolge verzoeken en opdrachten als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid;
3.4.
.4. Artikel 6, aanhef, en artikel 9, eerste lid, van het Besluit tarieven in strafzaken (Btis) (tekst 2024) luiden als volgt:

“Artikel 6

Voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, waarvoor geen speciaal tarief is bepaald, geldt, naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn, een tarief van ten hoogste € 154,50 per uur, (…)

“Artikel 9

1Voor de vaststelling van de uurvergoeding als bedoeld in de artikelen 2, 3, 6, 7 en 8 geldt een gedeelte van een uur gelijk aan een half uur of korter, als een half uur, en een gedeelte langer dan een half uur als een heel uur.

Beoordeling door de rechtbank

Vooraf
4. Beide partijen zijn bekend met de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:259. Ook mag verondersteld worden dat zij bekend zijn met de gerechtsoverstijgende uitspraken zoals die van rechtbank Noord-Holland van 3 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2304. De rechtbank stelt vast dat in die zaken dezelfde gemachtigde als belangenbehartiger optreedt en dat de taxatierapporten waar het in die uitspraken over gaat, ook zijn opgesteld door Waarderingsmeesters. Daarom zal de rechtbank in deze zaak voor zover nodig mede uitgaan van de feitelijkheden zoals die in de beide hiervoor genoemde uitspraken zijn te vinden.
5. Niet in geschil is dat eiser geen recht heeft op vooraftrek van in rekening gebrachte omzetbelasting.
6. Tussen partijen is alleen de in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding voor het rapport in geschil. Deze vergoeding heeft de heffingsambtenaar onder verwijzing naar de uitspraak van gerechtshof Den Haag van 26 september 2024 [1] vastgesteld op € 10,69. De toegekende proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand is niet in geschil.
7. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het rapport kwalificeert als een verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift weliswaar in sterk pejoratieve termen gesproken over de inhoudelijke merites van het rapport, maar handhaaft blijkens de conclusie zijn standpunt zoals in de uitspraak op bezwaar is opgenomen.
Standpunten van partijen
8. Volgens eiser heeft de heffingsambtenaar ten onrechte slechts € 10,69 (berekend op basis van een uurtarief van € 53 exclusief btw, naar een tijdsbesteding van 10 minuten) voor het rapport toegekend. De rechtbank gaat ervan uit dat de gemachtigde in de beroepsfase (primair) een vergoeding vraagt conform de specificatie uit het rapport (zie 2.4), dus € 142,78 (2 uur à € 59, te vermeerderen met btw).
9.1.
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat het rapport automatisch is gegenereerd en gebrekkig is opgemaakt. De daarin gepresenteerde gegevens zijn volgens hem, kort gezegd, niet te herleiden of te summier. De toegekende vergoeding is daarmee in lijn.
9.2.
Het is volgens de heffingsambtenaar feitelijk onmogelijk dat er twee uur aan het rapport is besteed. Uit cijfers die zijn vergaard bij 108 gemeenten blijkt namelijk dat deze gemeenten in een periode vijf maanden 28.779 taxatierapporten van dezelfde taxateur hebben ontvangen. Gelet op dit enorme aantal is het statistisch en feitelijk onmogelijk dat er meer dan 10 minuten aan het genereren van elk van die taxatierapporten is besteed. De heffingsambtenaar heeft in dit verband voorgerekend dat er gemiddeld maar 2,58 minuten aan elk rapport kan zijn besteed (uitgaande van 5 maanden, 31 dagen per maand (inclusief de weekenden) en acht uur per dag non-stop doorwerken, zouden 23,2 taxatierapporten per uur kunnen worden opgesteld, zijnde 2,58 minuten per taxatierapport).
Uitspraken gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en rechtbank Noord-Holland
10. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn uitspraak van 20 januari 2026 [2] onder meer geoordeeld dat een gemiddeld aan het taxatierapport bestede tijd van (afgerond) twee uur niet aannemelijk is. Naar zijn oordeel houdt het voor een medewerker of freelancer van Waarderingsmeesters met 20 minuten per taxatierapport wel op, waarbij het gerechtshof nog 5 minuten heeft opgeteld voor de controle door de (eind)verantwoordelijk taxateur. Met toepassing van artikel 9, eerste lid, van het Btis heeft het gerechtshof deze 25 minuten vervolgens afgerond op een half uur en dit half uur vermenigvuldigd met het uurtarief van € 59 dat door Waarderingsmeesters is gehanteerd, resulterend in een vergoeding van € 35,70 inclusief btw.
11. Rechtbank Noord-Holland heeft in haar uitspraak van 3 maart 2026 [3] geoordeeld dat een tijdsbesteding van twee uur aan het ‘taxatierapport’ niet te rijmen valt met wat de inventarisatie van de door de gemachtigde ingediende, vergelijkbare documenten bij een groot aantal andere gemeenten had opgeleverd. Rechtbank Noord-Holland oordeelde dat het document de uitkomsten van een softwaremodel bevatten en dat niet aannemelijk is dat menselijke deskundigheid (in traditionele zin) te pas is gekomen aan het opstellen van het document (maar alleen aan het ontwikkelen van het softwaremodel). De redelijke vergoeding voor de kosten van het document heeft rechtbank Noord-Holland vervolgens op € 15 bepaald.
Beoordelingskader deskundigenkosten
12.1.
De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 26 september 2025 [4] ten aanzien van de vergoeding van de kosten van een taxatierapport in rechtsoverweging 4.2 als volgt heeft geoordeeld:

Bij de beoordeling (…) moet worden vooropgesteld dat geen aanleiding bestaat voor toekenning van een proceskostenvergoeding aan een partij, voor zover het gaat om een post ter zake waarvan door die partij geen kosten zijn of worden gemaakt (vgl. HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0464, rechtsoverweging 3.2.). Indien, zoals in dit geval, een deskundige als bedoeld in artikel 1, letter b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) in een bestuursrechtelijke procedure aan de belanghebbende of aan diens gemachtigde een verslag heeft uitgebracht met het oog op die procedure, dient de rechter in beginsel ervan uit te gaan dat daaraan voor die belanghebbende kosten zijn verbonden. Voor een uitzondering op dit beginsel is slechts plaats indien het bestuursorgaan het tegendeel stelt en, in geval van betwisting, aannemelijk maakt (vgl. HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531, rechtsoverweging 3.3.2.). De omstandigheid dat de deskundige voor het taxatierapport een factuur heeft gestuurd aan de gemachtigde, volstaat daarvoor niet.”
12.2.
De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak de opdracht tot het opstellen van het rapport door de gemachtigde van eiser is gegeven en dat de heffingsambtenaar niet heeft gesteld dat er geen kosten aan het rapport zijn verbonden. Daarom is de uitzondering op de hoofdregel niet van toepassing. Dat betekent dat de rechtbank er bij haar beoordeling van uitgaat dat sprake is van een deskundige in de zin van het Bpb die een verslag heeft uitgebracht waaraan voor de belanghebbende kosten zijn verbonden.
12.3.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank uitsluitend beslissen over de
hoogtevan de te vergoeden kosten van het rapport.
13. Bij de toekenning van een vergoeding voor de kosten van een deskundige gaat het om de kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft gemaakt. Voor de hoogte van de kosten wordt in artikel 1, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 2, eerste lid, onder b, van het Bpb en met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb verwezen naar de Wtis en het Btis (zie hiervoor onder ‘Toepasselijke wet- en regelgeving’). Dat betekent dat voor 2024 de kosten tot maximaal € 154,50 per uur worden vergoed, waarbij gedeelten van een uur naar boven worden afgerond naar het eerstvolgende half uur. Uit met name artikel 6 van Pro het Btis vloeit voort dat de besluitgever van het Bpb voor het bepalen van de deskundigenvergoeding heeft willen aansluiten bij de formule ‘tijdsbesteding x uurtarief’.
13.1.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de gestelde tijdsbesteding en het gehanteerde uurtarief in deze zaak (volgens het primaire standpunt van de gemachtigde: 2 uur à € 59 exclusief btw) beoordelen. Dat past immers binnen het stelsel dat de besluitgever voor ogen stond.
Tijdsbesteding
14. Uit de uitspraken van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 januari 2026 en van rechtbank Noord-Holland van 3 maart 2026 is voor wat betreft de totstandkoming van het rapport een aantal zaken duidelijk geworden. De rechtbank vat hieronder samen wat valt af te leiden uit de inhoud van die uitspraken en uit wat op de daaraan voorafgaande zittingen aan de orde is geweest.
14.1.
Het rapport bevat de output van een op zichzelf geautomatiseerd proces dat is ontwikkeld door Waarderingsmeesters. Het gaat dus niet enkel om een geautomatiseerde screening om te kijken of de vastgestelde WOZ-waarde mogelijk te hoog is. Het rapport vormt de weerslag van de daaropvolgende fase en wordt alleen geproduceerd als uit de ‘WOZ-check’ (de eerste screening) blijkt dat er een relevant verschil zit tussen de vastgestelde waarde en de waarde die uit die WOZ-check rolt. Kennelijk wordt in dat geval het model ten volle ingezet, wat resulteert in een rapport als het onderhavige.
14.2.
De demonstratievideo waarnaar eiser verwijst (te vinden op de website van Waarderingsmeesters: woningwaarderingsmeesters.nl/methodiek) werpt een blik op hoe een taxatierapport van Waarderingsmeesters wordt opgesteld. Te zien en te horen is hoe aan de hand van de beschikbare gegevens referentieobjecten worden gekozen, de primaire objectkenmerken in relatie tot het te waarderen object worden beoordeeld, verkoopbrochures van de referentieobjecten worden bekeken en aan de hand van de foto’s in die brochures KOUDV-factoren worden toegekend, naar de ligging wordt gekeken en mogelijke bijzonderheden met betrekking tot het te waarderen object worden meegenomen. De rechtbank gaat ervan uit dat de taxatierapporten wordt gegenereerd door medewerkers zonder bijzondere taxatievaardigheden of -opleiding. Uit de video maakt de rechtbank verder op dat deze bedoeld lijkt te zijn om nieuwe medewerkers te leren hoe een taxatierapport kan worden vervaardigd. Uit de hiervoor gegeven omschrijving komt naar voren dat het niet enkel en alleen gaat om een druk op de knop. Een mens van vlees en bloed kijkt naar het scherm, maakt bepaalde keuzes, bekijkt plattegronden, bekijkt de staat van de referentieobjecten en het voorzieningenniveau. Daarmee staat voor de rechtbank in ieder geval vast dat er werk wordt gedaan door mensen die nadenken over aspecten die op zichzelf voor de WOZ-waardering relevante zijn. Daarvoor gebruiken zij als basis de output van een geautomatiseerd model. De gehele video duurt ruim anderhalf uur. De rechtbank schat op basis van deze video in dat iemand die goed is ingevoerd in dit proces ongeveer 12 rapporten op een (werk)dag kan produceren (rekening houdend met pauzes en onvermijdelijke werkonderbrekingen). Dat is dus ongeveer 40 minuten (bruto) per rapport.
14.3.
De stelling van de heffingsambtenaar dat het statistisch en feitelijk onmogelijk is in vijf maanden tijd 28.779 taxatierapporten te produceren, is wat de rechtbank betreft niet overtuigend. In de eerste plaats zegt het feit dat een aantal rapporten in een bepaalde periode is ontvangen, nog niet dat zij ook in diezelfde periode zijn geproduceerd. In de tweede plaats acht de rechtbank aannemelijk dat het rapport door een medewerker van Waarderingsmeesters is opgesteld onder de
verantwoordelijkheidvan een taxateur. De rechtbank wijst in dit verband op rechtsoverweging 4.7 van de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:259.
14.4.
Anders dan gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn uitspraak van 20 januari 2026 ziet de rechtbank geen aanleiding om het bepaalde in artikel 9 Btis Pro toe te passen en af te ronden op een heel uur. De rechtbank ziet die bepaling namelijk als geschreven voor de situatie waarin een deskundige eenmalig een tailor made advies uitbrengt in de betreffende zaak, waarvan het vervaardigen doorgaans meerdere, zo niet vele uren in beslag neemt. In die situaties gaat het dan om een eindafronding. Daarvan is in dit geval geen sprake omdat de tijdsbesteding in absolute zin reeds onder een heel uur blijft. Bovendien betreft het hier, oneerbiedig gezegd, massaproductie. Het gevolg van de onverkorte toepassing van artikel 9 Btis Pro in gevallen als het onderhavige zou ertoe leiden dat de gemachtigde elke keer het voordeel van de afronding ten deel zou vallen, welk voordeel in relatieve zin de helft van de werkelijke tijdsbesteding beslaat. Dat is naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden niet meer redelijk.
14.5.
De rechtbank gaat, het voorgaande in overweging nemende, ervan uit dat een (werkelijke) tijdsbesteding van 40 minuten redelijk moet worden geacht.
Tarief
15. De rechtbank merkt op dat in het Btis een maximumtarief is vastgesteld van € 154,50 per uur (tarief 2024) en dat het criterium daarvoor is in hoeverre de werkzaamheden van bijzondere of wetenschappelijke aard zijn. De gemachtigde heeft gevraagd een uurtarief te hanteren van € 59 exclusief btw. Dat ligt dus op zichzelf al aanzienlijk lager dan het maximumtarief. De heffingsambtenaar is uitgegaan van een uurtarief van € 53 exclusief btw. In zoverre (tot dat bedrag van € 53 als uurtarief) bestaat tussen partijen dus geen geschil.
15.1.
Het uurtarief van € 53 komt uit de inmiddels ingetrokken Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties (de richtlijn). [5] Naar het oordeel van de rechtbank is – zeker nu deze richtlijn niet (meer) geldt – enige indexatie wel op zijn plaats. Het tarief van € 53 is voor het laatst vastgesteld in 2018, sindsdien waren in 2024 (ruim) zes jaren verstreken. [6] Zo bezien is het uurtarief van € 59 per uur niet onredelijk. Ook al is de richtlijn naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2025 [7] ingetrokken, dat laat onverlet dat destijds een uurtarief van € 53 voor woningtaxaties zonder meer als redelijk werd beschouwd. Anders gezegd: de bodem van het uurtarief is wat de rechtbank betreft € 53 vóór indexering en met enige indexering is € 59 dan niet gek. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding om op grond van een eigen inschatting van het al dan niet wetenschappelijke of bijzondere karakter van de werkzaamheden van een lager tarief uit te gaan. De rechtbank acht namelijk aannemelijk dat een dergelijk tarief het gangbare markttarief is voor min of meer gespecialiseerd werk.
15.2.
De rechtbank zal de vergoeding voor het rapport vaststellen op € 47,60 (40/60 x € 59 + 21% btw). De kostenvergoeding voor de bezwaarfase komt daarmee in totaal op € 209,36 (€ 161,76 + € 47,60).

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal de uitspraak op bezwaar vernietigen voor zover deze ziet op de toegekende kostenvergoeding. Overeenkomstig wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, stelt zij die vergoeding voor de bezwaarfase vast op € 209,36. Dat betekent dat de heffingsambtenaar voor de bezwaarfase een nabetaling moet doen van € 36,91 (€ 209,36 - € 172,45).
Griffierecht
17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal zij bepalen dat de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht vergoedt.
Proceskostenvergoeding
18. De rechtbank zal de heffingsambtenaar in de door eiser gemaakte proceskosten veroordelen.
18.1.
De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op basis van het Bpb vast op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 934, met toepassing van een wegingsfactor 0,5.
18.2.
Partijen zijn overeengekomen dat de onderhavige zaak leidend is voor nog eens 11 andere zaken die gaan over het belastingjaar 2024 (zie de bijlage bij deze uitspraak). In die zaken speelt tussen partijen exact hetzelfde geschilpunt. Het gaat hier dus in totaal om 12 zaken, die ook 12 maal bepaalde individuele werkzaamheden met zich mee hebben gebracht. De rechtbank zal daarom de factor voor samenhang van 1,5 in aanmerking nemen. De wegingsfactor stelt de rechtbank op 0,5. In beroep was alleen de kostenvergoeding voor de bezwaarfase in geschil. Hoewel juist op dit gebied diverse rechtsontwikkelingen hebben plaatsgevonden, zijn de werkzaamheden van de gemachtigde ook in dat opzicht beperkt gebleven. Na het beroepschrift heeft de gemachtigde geen aanvullende gronden ingediend en ook geen nader stuk waaruit blijkt wat de opvatting en onderbouwing van de gemachtigde over deze kwestie zijn in het licht van de voortgeschreden rechtsontwikkeling en de ingenomen stellingen van verweerder. Plat gezegd moest de rechtbank het doen met een heel kort beroepschrift. Ten slotte zou rechtstreekse en individuele toepassing van de Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm leiden tot toepassing van een vermenigvuldigingsfactor 0,1 (want geen materieelrechtelijk geschil). De proceskostenvergoeding zou daarmee uitkomen op in totaal € 70,05 (€ 934 x 1 punt x 1,5 samenhang x 0,5 gewicht x 0,1 Wet herwaardering). Dit bedrag acht de rechtbank niet redelijk in het licht van de omstandigheid dat er in 12 zaken een geschil ter beoordeling is voorgelegd. De rechtbank zal daarom afwijken van deze berekening, maar wel zo dicht mogelijk bij het Bpb blijven om recht te doen aan het doel daarvan: een tegemoetkoming geven in de proceskosten. Zodoende komt de rechtbank op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase van € 467 (€ 934 x 1 punt x 1,5 samenhang x 0,5 gewicht x 0,667) voor alle 12 zaken gezamenlijk.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de toegekende proceskostenvergoeding;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- stelt de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase vast op (in totaal) € 209,36.
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser in de beroepsfase tot een bedrag van in totaal € 467 (voor alle 12 zaken, waaronder de in de bijlage genoemde 11 zaken, gezamenlijk);
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van D.A. van der Beek, griffier.
griffier rechter
Uitgesproken in het openbaar op: 7 juli 2026.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage bij de uitspraak
Tussen partijen is overeengekomen dat deze uitspraak leidend is voor de procedures over belastingjaar 2024 met de onderstaande zaaknummers:
LEE 25/653
LEE 25/654
LEE 25/656
LEE 25/658
LEE 25/661
LEE 25/662
LEE 25/665
LEE 25/666
LEE 25/667
LEE 25/668
LEE 25/675

Voetnoten

4.ECLI:NL:HR:2025:1251. In die zaak was ook sprake van een taxatierapport dat was ingebracht door een gemachtigde. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch had overwogen dat de factuur was gericht aan de gemachtigde en dat niet was gebleken dat de kosten drukten op de belastingplichtige.
5.Zie