ECLI:NL:RBNNE:2026:2704

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
24/4629
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 BpbArt. 2 BpbArt. 8:36 AwbArt. 1 WtisArt. 3 Wtis
Verwijzingen
21 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding WOZ-taxatierapport vastgesteld op basis van redelijke tijdsbesteding en uurtarief

Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en overlegde een taxatierapport van Woning Waarderingsmeesters. De heffingsambtenaar had de waarde verlaagd en een proceskostenvergoeding toegekend, maar slechts een deel van de kosten voor het taxatierapport vergoed. Eiser stelde dat de vergoeding te laag was en vorderde een hogere vergoeding op basis van de specificatie in het rapport en marktonderzoek.

De rechtbank behandelde het beroep en nam daarbij eerdere uitspraken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en rechtbank Noord-Holland in acht, waarin werd geoordeeld dat een tijdsbesteding van circa 20 tot 25 minuten per taxatierapport redelijk is. De rechtbank concludeerde dat het taxatierapport niet volledig geautomatiseerd is, maar dat medewerkers zonder bijzondere taxatieopleiding het rapport samenstellen, wat een redelijke tijdsbesteding van 40 minuten per rapport rechtvaardigt.

De rechtbank oordeelde dat het gehanteerde uurtarief van € 59 exclusief btw passend is, gezien de indexatie van het eerdere tarief van € 53 en het gespecialiseerde karakter van het werk. De rechtbank wees het standpunt van eiser af dat het maximale tarief van € 154,50 per uur zou moeten gelden, omdat dit is gereserveerd voor uitzonderlijk wetenschappelijke of bijzondere werkzaamheden.

De rechtbank stelde de proceskostenvergoeding voor het taxatierapport vast op € 47,60 (40 minuten x € 59 plus 21% btw) en bepaalde dat de heffingsambtenaar een nabetaling moet doen. Tevens veroordeelde de rechtbank de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht en stelde zij een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase vast van € 1.401 voor 61 soortgelijke zaken. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover deze de proceskostenvergoeding betrof.

Uitkomst: De rechtbank verhoogt de proceskostenvergoeding voor het WOZ-taxatierapport tot € 47,60 en veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4629

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Súdwest-Fryslân, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: [naam 1] ).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 23 oktober 2024.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak aan [adres] per 1 januari 2023 voor het belastingjaar 2024 vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser in de uitspraak op bezwaar gegrond verklaard en de waarde verlaagd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op een zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar deelgenomen. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank vooraf laten weten dat eiser niet op de zitting aanwezig of vertegenwoordigd zal zijn.

Feiten

2.1.
In de bezwaarfase heeft eiser een “Taxatierapport ter controle van de vastgestelde WOZ-waarde” overgelegd (“Bureau-taxatie”, het rapport). Het Nieuwe WOZ-bureau B.V. (HNWB) heeft opdracht verstrekt tot het opstellen van het rapport, dat afkomstig is van Woning Waarderingsmeesters B.V. (Waarderingsmeesters) en is ondertekend door [naam 2] als verantwoordelijk taxateur.
2.2.
Het rapport vermeldt onder meer het volgende:

“Inleiding, methodiek en verantwoording

De Woning Waarderingsmeesters zijn, na een eerste WOZ-check en positief startpunt advies, door de opdrachtgever ingeschakeld om de juistheid van de WOZ-waarde te controleren. Dit doen ze door de woning te taxeren, waarna ze een advies uitbrengen.

De Woning Waarderingsmeesters

Dit rapport is tot stand gekomen door een samenwerking van verschillende collega's. De verantwoordelijke waarderingsmeester is: Dhr. [naam 1] (WOZ-taxateur). Ook aan dit project hebben o.a. meegewerkt: dhr. [naam 2] , mw. [naam 3] en mw. [naam 4] .

Methodiek van dit rapport

De controle van de WOZ-waarde dient te geschieden door de getaxeerde woning te vergelijken met de best bruikbare referentieverkopen. De bureau-taxatie concludeert in 7 stappen of de WOZ-waarde te hoog is en wat de juiste WOZ-waarde zou moeten zijn. De volgende stappen zijn uitgevoerd en het resultaat hiervan is uitgewerkt in dit rapport.
Stap 1: Referenties kiezen en gewichten bepalen
Stap 2: Referenties indexeren tot de peildatum
Stap 3: Referenties uitsplitsen naar waarde
Stap 4: Referenties corrigeren naar gemiddelden
Stap 5: Getaxeerde waarde in gemiddelde staat
Stap 6: Getaxeerde waarde in werkelijke staat
Stap 7: Conclusie en advies
De uitvoering van de bureau-taxatie berust op verschillende uitvoeringsinstructies, die nauwkeurig gevolgd worden door de Woning Waarderingsmeesters om tot een betrouwbare taxatie te komen die goedgekeurd is door de vakgroep. De volgende instructies zijn gebruikt:

Referentiescore uitvoeringsinstructies

Indexering uitvoeringsinstructies

Grondwaarde uitvoeringsinstructies

Bijgebouwwaarde uitvoeringsinstructies

KOUDVL-factor uitvoeringsinstructies

Correctie uitvoeringsinstructies

Verantwoording

De methodiek en uitvoering van de bureau-taxaties worden periodiek getoetst door een deskundige vakgroep. De rapportering van deze kwaliteitstoetsing wordt gepubliceerd op onze website:www.woningwaarderingsmeesters.nl. In deze publicatie vindt u onder andere: de samenstelling van de vakgroep, de reacties en aanbevelingen op de methodiek, de ratio van kwaliteit en betrouwbaarheid, en inzage in de uitvoeringsinstructies.”
2.3.
Stap 1 van het rapport bestaat uit het weergeven van de gekozen referentieobjecten, waarvan de verkoopcijfers in stap 2 worden geïndexeerd naar de waardepeildatum. Deze gerealiseerde verkoopwaardes worden in stap 3 uitgesplitst in objectonderdelen en in stap 4 naar een gemiddelde staat gecorrigeerd. De getaxeerde waarde van de woning waar het om gaat, wordt in stap 5 naar gemiddelde staat herleid uit de referentiewaardes naar gemiddelde staat. In stap 6 wordt de waarde naar gemiddelde staat gecorrigeerd naar de werkelijke staat. Op basis van de informatie van de opdrachtgever worden KOUDV-factoren aan het getaxeerde object toegekend. Verder is het verwachte energielabel vermeld en worden opmerkingen gemaakt over de bouwkwaliteit. In stap 7 wordt op basis van de gevolgde stappen een taxatiematrix opgesteld waarin de verkregen gegevens zijn verwerkt.
2.4.
Bij het rapport is een “Specificatie” gevoegd die de volgende gegevens bevat:

Omschrijving
Uren
Uurtarief (€)
Bedrag (€)
WOZ advies: startpunt advies
€ 4,00
WOZ taxatie: kantoor-taxatie
2,0
€ 59,00
€ 118,00
Hoorzitting: voorbereiding (en deelname)
0,5
€ 59,00
€ 29,50
Bedrag
€ 151,50
Totaal btw 21%
€ 31,82
Totaal (EUR)
€ 183,32
2.5.
Eiser heeft HNWB gemachtigd om deze procedure namens hem te voeren.

Toepasselijke wet- en regelgeving

3.1.
In artikel 1, aanhef en onder b, en artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is het volgende bepaald:

“Artikel 1

Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk Pro een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:
(…)
b.kosten van een getuige of deskundige die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht.”

“Artikel 2

1Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld:
(…)
b.ten aanzien van de kosten als bedoeld in artikel 1, onderdeel b: op de vergoeding die ingevolge artikel 8:36, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht is verschuldigd; indien de kosten zijn gemaakt in bezwaar of administratief beroep wordt deze vergoeding vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken;”
3.2.
Artikel 8:36, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt:

De partij die een getuige of deskundige heeft meegebracht of opgeroepen, dan wel aan wie een verslag van een deskundige is uitgebracht, is aan deze een vergoeding verschuldigd. Het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde is van overeenkomstige toepassing.”
3.3.
In artikel 1, eerste lid en in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet tarieven in strafzaken (Wtis) (tekst 2024) is het volgende bepaald:

“Artikel 1

1Op de voet van het bij en krachtens deze wet bepaalde worden vergoedingen toegekend voor werkzaamheden, voor tijdverzuim alsmede voor daarmede verband houdende noodzakelijke kosten, en voor gemaakte reis- en verblijfkosten, voor zover voortvloeiende uit een verzoek of opdracht van de justitie, ten behoeve van:
a.strafzaken, hieronder begrepen zaken betreffende overtredingen waarvan de burgerlijke rechter kennis neemt;
b.zaken waarin het openbaar ministerie optreedt ter uitvoering van de wet en waarvan de burgerlijke rechter kennis neemt.

“Artikel 3

1Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden tarieven vastgesteld voor vergoedingen voor:
a.werkzaamheden ingevolge verzoeken en opdrachten als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid;
3.4.
.4. Artikel 6, aanhef, en artikel 9, eerste lid, van het Besluit tarieven in strafzaken (Btis) (tekst 2024) luiden als volgt:

“Artikel 6

Voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, waarvoor geen speciaal tarief is bepaald, geldt, naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn, een tarief van ten hoogste € 154,50 per uur, (…)

“Artikel 9

1Voor de vaststelling van de uurvergoeding als bedoeld in de artikelen 2, 3, 6, 7 en 8 geldt een gedeelte van een uur gelijk aan een half uur of korter, als een half uur, en een gedeelte langer dan een half uur als een heel uur.

Beoordeling door de rechtbank

Vooraf
4. Beide partijen zijn bekend met de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:259. Ook mag verondersteld worden dat zij bekend zijn met de gerechtsoverstijgende uitspraken zoals die van rechtbank Noord-Holland van 3 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2304. De rechtbank stelt vast dat in die zaken dezelfde gemachtigde als belangenbehartiger optreedt en dat de taxatierapporten waar het in die uitspraken over gaat, ook zijn opgesteld door Waarderingsmeesters. Daarom zal de rechtbank in deze zaak voor zover nodig mede uitgaan van de feitelijkheden zoals die in de beide hiervoor genoemde uitspraken zijn te vinden.
5. Niet in geschil is dat eiser geen recht heeft op vooraftrek van in rekening gebrachte omzetbelasting.
6. Tussen partijen is alleen de in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding voor het rapport in geschil. De toegekende proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand is niet in geschil.
7. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het rapport kwalificeert als een verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb.
Standpunten van partijen
8. Volgens eiser heeft de heffingsambtenaar ten onrechte slechts € 32,07 voor het rapport toegekend.
8.1.
De gemachtigde van eiser stelt zich primair op het standpunt dat de vergoeding € 142,78 moet bedragen, overeenkomstig de specificatie in het taxatierapport (2 x € 59 + btw). Subsidiair verwijst de gemachtigde van eiser op een door hem uitgevoerd marktonderzoek naar, kort gezegd, de kosten van woningtaxaties. Uit dit marktonderzoek volgt volgens de gemachtigde dat in wezen maar één aanbieder vergelijkbaar is met Waarderingsmeesters, en die aanbieder rekent een tarief vanaf € 120 inclusief btw. Meer subsidiair stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat de vergoeding € 111,57 zou moeten zijn, welk bedrag overeenkomt met een half uur vermenigvuldigd met het maximumtarief uit artikel 6 van Pro het Btis (uitgaande van het huidige, in 2026 geldende maximumtarief van € 184,42). Uiterst subsidiair wijst de gemachtigde op een taxatie die in de markt € 95 kost (dit is een taxatie zonder taxatiematrix).
9. De heffingsambtenaar heeft een vergoeding toegekend van € 32,07 (naar een tijdsbesteding van 0,5 uur x € 53 + btw). De heffingsambtenaar heeft daarmee voor wat betreft het uurtarief aangesloten bij het uurtarief van de toen nog geldende Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties (de richtlijn). [1] De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat het rapport automatisch is gegenereerd. De gegevens in het rapport zijn online beschikbare gegevens van de te taxeren woning.
9.1.
De heffingsambtenaar wijst erop dat hij op 11 juli 2024 in totaal 407 taxatierapporten van de gemachtigde heeft ontvangen die allemaal door dezelfde taxateur zijn ondertekend. Uitgaande van 2 uur per rapport betekent dat dat er 814 uren aan besteed zijn. De taxateur zou dus meer dan 20 weken, 40 uur per week, met taxatierapporten voor objecten in de gemeente Súdwest-Fryslân bezig zijn geweest, terwijl hij niet alleen actief is in Súdwest-Fryslân. Dat acht de heffingsambtenaar niet aannemelijk.
Uitspraken gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en rechtbank Noord-Holland
10. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn uitspraak van 20 januari 2026 [2] onder meer geoordeeld dat een gemiddeld aan het taxatierapport bestede tijd van (afgerond) twee uur niet aannemelijk is. Naar zijn oordeel houdt het voor een medewerker of freelancer van Waarderingsmeesters met 20 minuten per taxatierapport wel op, waarbij het gerechtshof nog 5 minuten heeft opgeteld voor de controle door de (eind)verantwoordelijk taxateur. Met toepassing van artikel 9, eerste lid, van het Btis heeft het gerechtshof deze 25 minuten vervolgens afgerond op een half uur en dit half uur vermenigvuldigd met het uurtarief van € 59 dat door Waarderingsmeesters is gehanteerd, resulterend in een vergoeding van € 35,70 inclusief btw.
11. Rechtbank Noord-Holland heeft in haar uitspraak van 3 maart 2026 [3] geoordeeld dat een tijdsbesteding van twee uur aan het ‘taxatierapport’ niet te rijmen valt met wat de inventarisatie van de door de gemachtigde ingediende, vergelijkbare documenten bij een groot aantal andere gemeenten had opgeleverd. Rechtbank Noord-Holland oordeelde dat het document de uitkomsten van een softwaremodel bevatten en dat niet aannemelijk is dat menselijke deskundigheid (in traditionele zin) te pas is gekomen aan het opstellen van het document (maar alleen aan het ontwikkelen van het softwaremodel). De redelijke vergoeding voor de kosten van het document heeft rechtbank Noord-Holland vervolgens op € 15 bepaald.
Beoordelingskader deskundigenkosten
12.1.
De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 26 september 2025 [4] ten aanzien van de vergoeding van de kosten van een taxatierapport in rechtsoverweging 4.2 als volgt heeft geoordeeld:

Bij de beoordeling (…) moet worden vooropgesteld dat geen aanleiding bestaat voor toekenning van een proceskostenvergoeding aan een partij, voor zover het gaat om een post ter zake waarvan door die partij geen kosten zijn of worden gemaakt (vgl. HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0464, rechtsoverweging 3.2.). Indien, zoals in dit geval, een deskundige als bedoeld in artikel 1, letter b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) in een bestuursrechtelijke procedure aan de belanghebbende of aan diens gemachtigde een verslag heeft uitgebracht met het oog op die procedure, dient de rechter in beginsel ervan uit te gaan dat daaraan voor die belanghebbende kosten zijn verbonden. Voor een uitzondering op dit beginsel is slechts plaats indien het bestuursorgaan het tegendeel stelt en, in geval van betwisting, aannemelijk maakt (vgl. HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531, rechtsoverweging 3.3.2.). De omstandigheid dat de deskundige voor het taxatierapport een factuur heeft gestuurd aan de gemachtigde, volstaat daarvoor niet.”
12.2.
De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak de opdracht tot het opstellen van het rapport door de gemachtigde van eiser is gegeven en dat de heffingsambtenaar niet heeft gesteld dat er geen kosten aan het rapport zijn verbonden. Daarom is de uitzondering op de hoofdregel niet van toepassing. Dat betekent dat de rechtbank er bij haar beoordeling van uitgaat dat sprake is van een deskundige in de zin van het Bpb die een verslag heeft uitgebracht waaraan voor de belanghebbende kosten zijn verbonden.
12.3.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank uitsluitend beslissen over de
hoogtevan de te vergoeden kosten van het rapport.
13. Bij de toekenning van een vergoeding voor de kosten van een deskundige gaat het om de kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft gemaakt. Voor de hoogte van de kosten wordt in artikel 1, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 2, eerste lid, onder b, van het Bpb en met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb verwezen naar de Wtis en het Btis (zie hiervoor onder ‘Toepasselijke wet- en regelgeving’). Dat betekent dat voor 2024 de kosten tot maximaal € 154,50 per uur worden vergoed, waarbij gedeelten van een uur naar boven worden afgerond naar het eerstvolgende half uur. Uit met name artikel 6 van Pro het Btis vloeit voort dat de besluitgever van het Bpb voor het bepalen van de deskundigenvergoeding heeft willen aansluiten bij de formule ‘tijdsbesteding x uurtarief’.
13.1.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de gestelde tijdsbesteding en het gehanteerde uurtarief in deze zaak (volgens het primaire standpunt van de gemachtigde: 2 uur à € 59 exclusief btw) beoordelen. Dat past immers binnen het stelsel dat de besluitgever voor ogen stond.
Tijdsbesteding
14. Uit de uitspraken van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 januari 2026 en van rechtbank Noord-Holland van 3 maart 2026 is voor wat betreft de totstandkoming van het rapport een aantal zaken duidelijk geworden. De rechtbank vat hieronder samen wat valt af te leiden uit de inhoud van die uitspraken en uit wat op de daaraan voorafgaande zittingen aan de orde is geweest.
14.1.
Het rapport bevat de output van een op zichzelf geautomatiseerd proces dat is ontwikkeld door Waarderingsmeesters. Het gaat dus niet enkel om een geautomatiseerde screening om te kijken of de vastgestelde WOZ-waarde mogelijk te hoog is. Het rapport vormt de weerslag van fase 2 en wordt alleen geproduceerd als uit fase 1 (de eerste screening) blijkt dat er een relevant verschil zit tussen de vastgestelde waarde en de waarde die uit de screening rolt. Kennelijk wordt in dat geval het model ten volle ingezet, wat resulteert in een rapport als het onderhavige.
14.2.
De demonstratievideo waarnaar eiser verwijst (te vinden op de website van Waarderingsmeesters: woningwaarderingsmeesters.nl/methodiek) werpt een blik op hoe een taxatierapport van Waarderingsmeesters wordt opgesteld. Te zien en te horen is hoe aan de hand van de beschikbare gegevens referentieobjecten worden gekozen, de primaire objectkenmerken in relatie tot het te waarderen object worden beoordeeld, verkoopbrochures van de referentieobjecten worden bekeken en aan de hand van de foto’s in die brochures KOUDV-factoren worden toegekend, naar de ligging wordt gekeken en mogelijke bijzonderheden met betrekking tot het te waarderen object worden meegenomen. De rechtbank gaat ervan uit dat de taxatierapporten wordt gegenereerd door medewerkers zonder bijzondere taxatievaardigheden of -opleiding. Uit de video maakt de rechtbank verder op dat deze bedoeld lijkt te zijn om nieuwe medewerkers te leren hoe een taxatierapport kan worden vervaardigd. Uit de hiervoor gegeven omschrijving komt naar voren dat het niet enkel en alleen gaat om een druk op de knop. Een mens van vlees en bloed kijkt naar het scherm, maakt bepaalde keuzes, bekijkt plattegronden, bekijkt de staat van de referentieobjecten en het voorzieningenniveau. Daarmee staat voor de rechtbank in ieder geval vast dat er werk wordt gedaan door mensen die nadenken over aspecten die op zichzelf voor de WOZ-waardering relevante zijn. Daarvoor gebruiken zij als basis de output van een geautomatiseerd model. De gehele video duurt ruim anderhalf uur. De rechtbank schat op basis van deze video in dat iemand die goed is ingevoerd in dit proces ongeveer 12 rapporten op een (werk)dag kan produceren (rekening houdend met pauzes en onvermijdelijke werkonderbrekingen). Dat is dus ongeveer 40 minuten (bruto) per rapport.
14.3.
Voor wat betreft het grote aantal taxatierapporten van de taxateur dat op één dag is ingediend bij alleen al de heffingsambtenaar van de gemeente Súdwest-Fryslân (zie 9.1), merkt de rechtbank het volgende op. Uit zowel de uitspraken (zie 14) als de video (zie 14.2) kan worden afgeleid dat zich binnen Waarderingsmeesters meerdere personen bezig houden met het opstellen (produceren) van de taxatierapporten.
14.4.
Anders dan gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn uitspraak van 20 januari 2026 ziet de rechtbank geen aanleiding om het bepaalde in artikel 9 Btis Pro toe te passen en af te ronden op een heel uur. De rechtbank ziet die bepaling namelijk als geschreven voor de situatie waarin een deskundige eenmalig een tailor made advies uitbrengt in de betreffende zaak, waarvan het vervaardigen doorgaans meerdere, zo niet vele uren in beslag neemt. In die situaties gaat het dan om een eindafronding. Daarvan is in dit geval geen sprake omdat de tijdsbesteding in absolute zin reeds onder een heel uur blijft. Bovendien betreft het hier, oneerbiedig gezegd, massaproductie. Het gevolg van de onverkorte toepassing van artikel 9 Btis Pro in gevallen als het onderhavige zou ertoe leiden dat de gemachtigde elke keer het voordeel van de afronding ten deel zou vallen, welk voordeel in relatieve zin de helft van de werkelijke tijdsbesteding beslaat. Dat is naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden niet meer redelijk.
14.5.
De rechtbank gaat, het voorgaande in overweging nemende, ervan uit dat een (werkelijke) tijdsbesteding van 40 minuten redelijk moet worden geacht.
Tarief
15. De rechtbank merkt op dat in artikel 6 van Pro het Btis een maximumtarief is vastgesteld van € 154,50 per uur (tarief 2024). Het criterium voor de precieze hoogte van het in aanmerking te nemen tarief is gekoppeld aan het antwoord op de vraag in hoeverre de werkzaamheden van bijzondere of wetenschappelijke aard zijn. De gemachtigde heeft als onderdeel van zijn primaire standpunt gevraagd een uurtarief te hanteren van € 59 exclusief btw. Dat ligt dus op zichzelf al aanzienlijk lager dan het maximumtarief. De heffingsambtenaar heeft op de zitting vastgehouden aan het tarief van € 53 exclusief btw uit de ingetrokken richtlijn (zie 9). Het tarief uit de richtlijn is dus in zoverre (wat de hoogte betreft) niet in geschil. In een eerder stadium heeft eiser zelf ook gevraagd om tegen dat tarief te vergoeden.
15.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is – zeker nu deze richtlijn niet (meer) geldt – enige indexatie wel op zijn plaats. Het tarief van € 53 is voor het laatst vastgesteld in 2018, sindsdien waren (ruim) zes jaren verstreken [5] . Zo bezien is het uurtarief van € 59 per uur niet onredelijk. Ook al is de richtlijn naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2025 [6] ingetrokken, dat laat onverlet dat destijds een uurtarief van € 53 voor woningtaxaties zonder meer als redelijk werd beschouwd. Anders gezegd: de bodem van het uurtarief is wat de rechtbank betreft € 53 vóór indexering en met enige indexering is € 59 dan niet gek. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding om op grond van een eigen inschatting van het al dan niet wetenschappelijke of bijzondere karakter van de werkzaamheden van een lager tarief uit te gaan. De rechtbank acht namelijk aannemelijk dat een dergelijk tarief het gangbare markttarief is voor min of meer gespecialiseerd werk.
15.2.
De gemachtigde van eiser heeft als onderdeel van een van zijn (meer) subsidiaire standpunten het maximale uurtarief van artikel 6 van Pro het Btis bepleit. De rechtbank volgt dit standpunt niet, omdat uit artikel 6 volgt Pro dat dit maximumtarief geldt voor werkzaamheden van het hoogst denkbare wetenschappelijke niveau of van de hoogst bijzondere aard denkbaar. Dan gaat het dus echt om uitzonderingsgevallen, deskundigen waar er bij wijze van spreken maar een handjevol van zijn te vinden. De gemachtigde heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat daarvan in het geval van zijn taxateur sprake is.
16.1.
De gemachtigde van eiser heeft aanvullend (uiterst) subsidiair verdedigd dat het tarief overeen zou moeten komen met het markttarief voor soortgelijke taxaties. De gemachtigde van eiser baseert zijn stellingen op zijn uitleg van de strekking van artikel 6 van Pro het Btis, welke strekking hij afleidt uit de totstandkomingsgeschiedenis daarvan (marktwerking mogelijk maken). De gemachtigde leidt verder uit het stelsel van bepalingen uit het Bpb af dat de bedoeling van de besluitgever is geweest dat een rechtzoekende ook daadwerkelijk een deskundige in de arm moet kunnen nemen voor zijn zaak, en dat als hij die zaak wint, hij dan ook de werkelijke kosten van die deskundige (binnen de in het besluit genoemde grenzen en normeringen) vergoed krijgt. Op zich is dat laatste naar het oordeel van de rechtbank juist.
16.2.
De gemachtigde leest in de Nota van Toelichting [7] bij het Btis af dat er, door een maximumtarief op te nemen, ruimte is voor marktwerking, en dat om die reden eveneens is afgezien van het opnemen van een minimumtarief. Daaraan verbindt de gemachtigde vervolgens de conclusie dat de vergoeding altijd ten minste het marktconforme bedrag moet zijn. Dit kan volgens de rechtbank echter niet uit de bedoelde passage worden afgeleid. De rechtbank leest die passage zo, dat de besluitgever heeft bedoeld om in beginsel de werkelijke kosten te willen vergoeden, die evenwel in het ene geval hoger kunnen liggen dan in het andere geval. De tarieven voor bepaalde soorten deskundigheid mogen dus onderling verschillen, al naar gelang de aard van de deskundigheid, maar ook kunnen tarieven verschillen doordat er meer of minder aanbieders zijn. Dát is wat de rechtbank in dit verband begrijpt onder marktwerking. Het is niet zo dat er staat: zoek maar in de markt naar wat een reëel tarief is, en dan wordt dat per definitie vergoed. Het gaat nog steeds om de
werkelijkekosten.
17. De rechtbank zal de vergoeding voor het rapport vaststellen op € 47,60 (40/60 x € 59 + 21% btw). De kostenvergoeding voor de bezwaarfase komt daarmee in totaal op € 359,60 (€ 312 + € 47,60).

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal de uitspraak op bezwaar vernietigen voor zover deze ziet op de toegekende proceskostenvergoeding. Overeenkomstig wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, stelt zij die vergoeding voor de bezwaarfase vast op € 359,60. Dat betekent dat de heffingsambtenaar voor de bezwaarfase een nabetaling moet doen van € 15,53 (€ 359,60 - € 344,07).
Griffierecht
19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal zij bepalen dat de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht vergoedt.
Proceskostenvergoeding
20. De rechtbank zal de heffingsambtenaar in de door eiser gemaakte proceskosten veroordelen.
20.1.
De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op basis van het Bpb vast op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een puntwaarde van € 934, met toepassing van een wegingsfactor 1,0.
20.2.
Partijen zijn overeengekomen dat de onderhavige zaak, samen met de zaken met nummers LEE 25/4285 en LEE 25/5368, leidend is voor nog eens 58 andere zaken (nog 12 die gaan over het belastingjaar 2024 en nog 46 die gaan over het belastingjaar 2025, zie de bijlage bij deze uitspraak). In die zaken speelt tussen partijen exact hetzelfde geschilpunt. Het gaat hier dus in totaal om 61 zaken, die ook 61 maal bepaalde individuele werkzaamheden met zich mee hebben gebracht. De rechtbank zal daarom de factor voor samenhang van 1,5 in aanmerking nemen. De wegingsfactor stelt de rechtbank op 1,0. Weliswaar was in beroep alleen de kostenvergoeding voor de bezwaarfase in geschil, maar juist op dit gebied hebben diverse rechtsontwikkelingen plaatsgevonden, zoals in deze uitspraak besproken. Ten slotte zou rechtstreekse en individuele toepassing van de Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm om dezelfde reden (geen materieelrechtelijk geschil) leiden tot toepassing van een vermenigvuldigingsfactor 0,1. De proceskostenvergoeding zou daarmee uitkomen op in totaal € 140,10 (€ 934 x 1 punt x 1,5 samenhang x 1,0 gewicht x 0,1 Wet herwaardering). Dit bedrag acht de rechtbank niet redelijk in het licht van de omstandigheid dat er in 61 zaken een geschil ter beoordeling is voorgelegd. De rechtbank zal daarom afwijken van deze berekening, maar wel zo dicht mogelijk bij het Bpb blijven om recht te doen aan het doel daarvan: een tegemoetkoming geven in de proceskosten. Zodoende komt de rechtbank op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase van € 1.401 (€ 934 x 1 punt x 1,5 samenhang x 1,0 gewicht) voor alle 61 zaken gezamenlijk.
20.3.
Uit praktisch oogpunt zal de rechtbank de heffingsambtenaar alleen in deze zaak veroordelen tot het betalen van de (volledige) proceskostenvergoeding. In alle andere zaken verwijst de rechtbank naar het oordeel in deze zaak.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, uitsluitend voor zover deze ziet op de toegekende proceskostenvergoeding;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- stelt de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase vast op (in totaal) € 359,60;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser in de beroepsfase tot een bedrag van in totaal € 1.401 (voor alle 61 zaken, waaronder de in de bijlage genoemde 58 zaken, gezamenlijk);
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van D.A. van der Beek, griffier.
griffier rechter
Uitgesproken in het openbaar op: 7 juli 2026.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage bij de uitspraak
Tussen partijen is overeengekomen dat deze uitspraak leidend is voor de procedures over belastingjaar 2024 met de onderstaande zaaknummers:
LEE 24/4438
LEE 24/4443
LEE 24/4446
LEE 24/4447
LEE 24/4448
LEE 24/4449
LEE 24/4453
LEE 24/4454
LEE 45/4548
LEE 24/4634
LEE 24/4917
LEE 24/4918
Tussen partijen is overeengekomen dat de uitspraken in de zaken LEE 25/4285 en LEE 25/5368 leidend zijn voor de procedures over belastingjaar 2025 met de onderstaande zaaknummers:
LEE 25/3901
LEE 25/4283
LEE 25/4284
LEE 25/4287
LEE 25/4288
LEE 25/4289
LEE 25/4290
LEE 25/4294
LEE 25/4295
LEE 25/4351
LEE 25/4350
LEE 25/4349
LEE 25/4355
LEE 25/4358
LEE 25/4366
LEE 25/4368
LEE 25/4390
LEE 25/4393
LEE 25/4451
LEE 25/4453
LEE 25/4506
LEE 25/4510
LEE 25/4545
LEE 25/4564
LEE 25/4565
LEE 25/4389
LEE 25/4452
LEE 25/5217
LEE 25/5219
LEE 25/5281
LEE 25/5318
LEE 25/5321
LEE 25/5331
LEE 25/5350
LEE 25/5361
LEE 25/5364
LEE 25/5365
LEE 25/5366
LEE 25/5367
LEE 25/5369
LEE 25/5373
LEE 25/5401
LEE 25/5402
LEE 26/85
LEE 26/87
LEE 26/88

Voetnoten

1.Zie
4.ECLI:NL:HR:2025:1251. In die zaak was ook sprake van een taxatierapport dat was ingebracht door een gemachtigde. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch had overwogen dat de factuur was gericht aan de gemachtigde en dat niet was gebleken dat de kosten drukten op de belastingplichtige.