ECLI:NL:RBNNE:2026:3107

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
LEE 26/2103
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 PWArt. 44 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening bij afwijzing aanvraag bijstand op grond van de Participatiewet

Verzoeker diende op 28 april 2026 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Participatiewet, welke door het college op 23 juni 2026 werd afgewezen. Het college baseerde de afwijzing op het ontvangen bedrag van verzoeker van zijn vader, het ontbreken van inschrijving in de gemeente per 30 april 2026 en het feit dat verzoeker in februari 2026 nog salaris ontving.

Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang en dat de aanvraag inhoudelijk moest worden beoordeeld. De rechter stelde vast dat het hoofdverblijf van verzoeker sinds november 2025 bij zijn vader was, ondanks wisselende inschrijvingen, en dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat verzoeker niet in de gemeente verbleef.

Verder werd geoordeeld dat de loonbetalingen van verzoeker, inclusief nabetalingen, niet voldoende waren onderbouwd om het recht op bijstand te ontkennen. Ook was onvoldoende aangetoond dat de lening van € 3.000,- van zijn vader niet voor levensonderhoud was bedoeld. De voorlopige voorziening houdt in dat verzoeker vanaf mei 2026 een voorschot op bijstand ontvangt tot zes weken na de beslissing op bezwaar of tot de nieuwe aanvraag is beslist.

Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan verzoeker. De uitspraak is bindend voor de voorlopige voorziening en er is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het college moet vanaf mei 2026 een voorschot op bijstand verstrekken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2103
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juli 2026 in de voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam uit woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stadskanaal, het college
(gemachtigde: W. Varma).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat aan verzoeker per 1 mei 2026 een voorschot wordt toegekend. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft op 28 april 2026 een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Op 4, 8 en 19 mei 2026 heeft het college verzoeker gevraagd om aanvullende gegevens zodat de aanvraag kan worden beoordeeld. Naar aanleiding van deze verzoeken heeft verzoeker nadere informatie verstrekt. Op 11 juni 2026 heeft er een intakegesprek plaatsgevonden.
3. Het college heeft de aanvraag met het besluit van 23 juni 2026 afgewezen. Hiertoe heeft het college overwogen dat verzoeker in april een bedrag van zijn vader heeft ontvangen en dat het bedrag dat overblijft nadat een deel is vrijgelaten, hoger is dan de bijstandsnorm die voor hem geldt. Daarnaast heeft het college aangegeven dat verzoeker op 30 april 2026 niet meer stond ingeschreven in de gemeente en dat hij daarom geen recht heeft op bijstand. Ten slotte heeft het college het verzoek om bijstand vanaf 27 februari 2026 afgewezen. Hiertoe heeft het college aangegeven dat verzoeker in deze periode genoeg geld had om van te leven nu hij in februari nog een salaris heeft ontvangen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht. Gelet op de aard van de bijstandsuitkering als vangnet ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen. De voorzieningenrechter zal de zaak daarom inhoudelijk behandelen.
Het recht op bijstand
6. Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandsverlenende instantie deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Als een aanvrager niet aan de inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet en als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, is dit een grond voor weigering van de bijstand.
6.1.
Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstand behoevende omstandigheden, is zijn financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. De bijstandsverlenende instantie is in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie, ook over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. [1]
De verblijfplaats van verzoeker
7. Verzoeker betoogt dat hij in november 2025 vanuit Amsterdam naar [plaats] is verhuisd in verband met de zorg die zijn vader nodig heeft. Hij verwachtte snel een baan te kunnen vinden. Hij heeft van 1 december 2025 tot 28 februari 2026 bij een [bedrijf] in [plaats] gewerkt. Aansluitende heeft hij zich gemeld voor bijstand. Vervolgens overweegt verzoeker dat de motivering van het besluit tot afwijzing van zijn aanvraag zeer summier is. Hiertoe heeft verzoeker aangegeven dat de inschrijving niet doorslaggevend is voor het bepalen waar iemand zijn woonplaats heeft en dat niet is gebleken dat zijn feitelijke situatie is beoordeeld.
7.1.
Het college overweegt in het besluit van 23 juni 2026 dat verzoeker vanaf 30 april 2026 niet meer stond ingeschreven in de gemeente en dat hij daarom vanaf die datum geen recht meer heeft op bijstand. Vanaf 17 juni 2026 staat verzoeker wel weer ingeschreven binnen de gemeente en verzoeker heeft per 19 juni 2026 ook een nieuwe aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend. In het verweerschrift heeft het college hieraan toegevoegd dat verzoeker wisselende en onderling tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn woon- en verblijfplaats en dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt. Hierdoor kon zijn feitelijke woon- en verblijfplaats niet worden vastgesteld.
7.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat het hoofdverblijf van een betrokkene daar is waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Als de betrokkene geen hoofdverblijf heeft is zijn woonplaats de plaats waar hij werkelijk verblijft. Dit volgt uit vaste rechtspraak. Om te beoordelen waar een betrokkene zijn woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de basisregistratie personen (BRP). Dit is vaste rechtspraak. [2]
7.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker veel onduidelijkheid doen ontstaan over zijn woonplaats, door zich op wisselende adressen in te schrijven, bijvoorbeeld op het adres van een kerk in [plaats] en een kerk in [plaats] . Ter zitting is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter voldoende vast komen te staan dat verzoeker sinds november 2025 bij zijn vader woont. De voorzieningenrechter volgt verzoeker in zijn toelichting. Verzoeker heeft toegelicht dat hij zich in eerste instantie niet op het adres van zijn vader kon / mocht inschrijven omdat zijn vader woont in een seniorenwoning waardoor er mogelijk problemen kwamen met de verhuurder. Bovendien had een medewerker van de gemeente hem verteld dat zijn vader zijn recht op ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (de Wmo) kon verliezen indien hij zich liet inschrijven op dit adres. Gelet hierop heeft verzoeker zich ingeschreven bij een kerkgenootschap maar feitelijk heeft verzoeker steeds bij zijn vader gewoond. Inmiddels zijn er gesprekken geweest met zowel de verhuurder als de Wmo-consulente en is afgesproken dat verzoeker zich (tijdelijk) op het adres van zijn vader kan / mag inschrijven zonder dat dit consequenties heeft. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat verzoeker steeds bij zijn vader heeft gewoond. Alle omstandigheden in aanmerking nemend komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verzoeker in de periode in geding zijn feitelijke verblijfplaats niet meer in de gemeente had. Naar verwachting zal verweerder dit bij de nog te nemen beslissing op bezwaar herstellen.
De salarisbetalingen
8. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de nabetaling van de gewerkte overuren alleen kunnen worden toegekend aan de periode waarin het inkomen is verworven. De nabetaling is derhalve alleen relevant als vermogen.
8.1.
Het college heeft in het besluit van 23 juni 2026 aangegeven dat verzoeker op 25 februari 2026 salaris heeft ontvangen van zijn (ex-)werkgever en dat hij hiermee de periode vanaf 27 februari 2026 kon overbruggen. In het verweerschrift heeft het college hieraan toegevoegd dat verzoeker in de relevante periode over loon heeft beschikt. Voor zover verzoeker stelt dat (een deel van) deze betaling een nabetaling van overuren betreft en om die reden aan een eerdere periode moet worden toegerekend, geldt dat deze stelling niet met objectieve en verifieerbare gegevens is onderbouwd. Hierbij heeft het college aangegeven dat ook indien sprake zou zijn van een nabetaling van loon, deze in beginsel tot de middelen behoort en slechts anders kan worden toegerekend indien voldoende inzicht bestaat in de periode waarop de betaling betrekking heeft. Een dergelijke onderbouwing ontbreekt.
8.2.
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat ter beoordeling voorligt de aanvraag van 28 april 2026. In artikel 44, eerste lid, van de PW is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. In dit geval is dat 28 april 2026. De vraag of verzoeker recht heeft op bijstand met terugwerkende kracht beoordeelt de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 10.
8.2.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker in de relevante periode over loon heeft beschikt en dat onduidelijk is over welke periode dit loon betrekking heeft. Uit het dossier en hetgeen is besproken ter zitting blijkt dat verzoeker in de periode van 1 december 2025 tot en met 28 februari 2026 heeft gewerkt voor een [bedrijf] .
8.2.2.
Ter zitting is komen vast te staan dat verzoeker in februari zijn salaris over de maand februari uitbetaald heeft gekregen en dat er in maand maart ook nog een nabetaling is gedaan door deze werkgever. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat deze betalingen door de werkgever betrekking hebben op loon en achterstallig loon, dat is toe te rekenen aan de periode dat verzoeker heeft gewerkt bij deze werkgever. Dit vloeit immers voort uit het feit dat verzoeker een tijdelijke arbeidsovereenkomst had, die niet is verlengd. Naar verwachting zal verweerder dit bij de nog te nemen beslissing op bezwaar herstellen.
De door verzoeker ontvangen bedragen van zijn vader
9. Met betrekking tot de lening in een periode waarin verzoeker geen bijstand ontving geeft verzoeker aan dat dit niet als middel in aanmerking wordt genomen omdat de bijstandsgerechtigde in de periode dat het college nodig heeft om het recht op bijstand vast te stellen niet hoeft te verhongeren.
9.1.
Het college heeft in het besluit van 23 juni 2026 aangegeven dat verzoeker in april een bedrag van in totaal € 3.000,- van zijn vader heeft ontvangen. Hiervan blijft € 1.200,- als gift vrij. Het bedrag dat dan overblijft is hoger dan de bijstandsnorm die voor verzoeker zou gelden. In het verweerschrift heeft het college hieraan toegevoegd dat de bedragen die verzoeker van een familielid heeft ontvangen vrij besteedbaar zijn en feitelijk ook zijn aangewend voor de kosten van levensonderhoud. Conform het giftenbeleid is van dit bedrag ook een deel buiten beschouwing gelaten. Daarnaast geeft het college aan dat een lening slechts buiten beschouwing kan blijven indien deze met objectieve en verifieerbare gegevens is onderbouwd en sprake is van een reële en afdwingbare terugbetalingsverplichting. Daarvan is in de beoordelingsperiode niet gebleken. Gelet hierop heeft het college deze bedragen als middelen betrokken.
9.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat indien betrokkene voldoende middelen heeft voor de kosten van levensonderhoud door geld te lenen, hij in beginsel geen recht op bijstand. Dit is vaste rechtspraak. Dit kan anders zijn als het gaat om een periode waarin hij niet of niet voldoende inkomen heeft, zodat hij afhankelijk is van geldleningen om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. In die situatie kan recht op bijstand bestaan als hij aannemelijk maakt dat hij niet een ander toereikend inkomen heeft en dat de leningen zijn verstrekt voor levensonderhoud. Voorwaarde voor bijstand in die situatie is dat de betrokkene aannemelijk maakt van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen. Ook moet hij aannemelijk maken dat bij de betaling, en dus niet later, is afgesproken dat het geld moet worden terugbetaald en dat die is bedoeld voor levensonderhoud. Een bankoverschrijving met de vermelding ‘lening voor levensonderhoud’ zal daarvoor in beginsel volstaan. Dit is vaste rechtspraak. Die rechtspraak is gebaseerd op het gegeven, dat de situatie van de betrokkene vergelijkbaar is met de situatie waarin een betrokkene een voorschot van de bijstandsverlenende instantie ontvangt in afwachting van een beslissing op de aanvraag. In beide situaties moet de betrokkene het voor levensonderhoud geleende dan wel voorgeschoten geld terugbetalen. Dat de betrokkene over het geleende bedrag kan beschikken betekent dus niet dat hij niet in bijstand behoevende omstandigheden verkeert. [3]
9.3.
De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat verzoeker op dit moment onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van leningen ten behoeve van zijn levensonderhoud. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat deze gestelde leningen niet zijn onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat het geld dat hij van zijn vader heeft ontvangen een lening is nu zijn vader moet rondkomen van een klein pensioen. In de bezwaarfase kan verzoeker zijn standpunt dat wel sprake is van leningen voor levensonderhoud desgewenst nader onderbouwen.
Het verzoek om bijstand met terugwerkende kracht
10. Verzoeker heeft in de aanvraag van 28 april 2026 verzocht om de bijstand toe te kennen vanaf 27 februari 2026. Hiertoe heeft verzoeker aangevoerd dat hij in de periode van 1 december 2025 tot en met 28 februari 2026 heeft gewerkt bij een [bedrijf] en dat voor de periode daarna zijn geld op was en hij nog geen nieuw werk had gevonden.
10.1.
In artikel 44, eerste lid, van de PW is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) [4] kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder bijstand aan te vragen, of als de betrokkene daarvan is afgehouden door de bijstandsverlenende instantie [5] .
10.2.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter leveren de door verzoeker aangedragen feiten en omstandigheden geen bijzondere omstandigheden op om met terugwerkende kracht bijstand toe te kennen per 27 februari 2026. Daarenboven geldt dat eiser in die periode gebruik kon maken van het geld dat hij van zijn vader kreeg.

Conclusie en gevolgen

11. Het bovenstaande betekent naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat verzoeker wel recht op bijstand had en dat het bezwaar van verzoeker daarom een redelijke kans van slagen heeft. Gelet hierop en mede gelet op het bij verzoeker aanwezig geachte spoedeisend belang, acht de voorzieningenrechter het aangewezen om een voorlopige voorziening te treffen. De te treffen voorlopige voorziening zal inhouden dat aan verzoeker bij wijze van voorschot met ingang van de maand mei 2026 bijstand wordt verstrekt ter hoogte van de kostendelersnorm, tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar, dan wel (als die datum eerder valt) totdat op de nieuwe aanvraag van verzoeker is beslist. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening dus toe.
11.1.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
  • draagt het college op om aan verzoeker met ingang van de maand mei 2026 bij wijze van voorschot bijstand te verlenen ter hoogte van de kostendelersnorm, tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar, dan wel (als die datum eerder valt) totdat op de nieuwe aanvraag van verzoeker is beslist;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoeker moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1896.
2.Zie bijvoorbeeld d uitspraak van de CRvB van 9 juni 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:770.
3.Zie de uitspraak van de CRvB van 11 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1910.
4.Zie de uitspraak van de CRvB van 20 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:416.
5.Zie de uitspraak van de CRvB van 14 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:159.