Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:363

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
LEE 25/1866
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.8 Wet IB 2001Art. 5.17 Wet IB 2001Art. 10a.9 Wet IB 2001Art. 26 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 27h Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling kwijtschelding Tanta Agaath-lening en bevoegdheid inspecteur

Eiser verstrekte in 2010 een Tanta Agaath-lening aan zijn zoon, die een onderneming startte. De lening werd geregistreerd als directe belegging in durfkapitaal. Eiser verzocht de inspecteur om vaststelling dat het kwijtgescholden deel van de lening niet meer voor verwezenlijking vatbaar was, wat een persoonsgebonden aftrekpost kan opleveren. De inspecteur stelde dit echter op nihil en verklaarde het bezwaar ongegrond.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur bevoegd was om uitspraak op bezwaar te doen, ondanks dat er een procedure liep over de aanslag IB/PVV 2016. De rechtbank stelt dat het om twee aparte procedures gaat en dat de inspecteur in de bezwaarfase informatie mag opvragen en een hoorgesprek mag plannen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid.

Verder heeft eiser onvoldoende bewijs geleverd dat de lening op het moment van kwijtschelding niet meer voor verwezenlijking vatbaar was. De rechtbank overweegt dat een redelijk handelende crediteur onderzoek zou doen naar verhaalsmogelijkheden, wat eiser niet heeft gedaan. Ook is het beroep op het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel niet geslaagd.

Ten slotte wijst de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding af, omdat de termijn van twee jaar niet is overschreden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het niet meer voor verwezenlijking vatbare deel van de lening terecht op nihil is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1866
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.P. Flinterman),
en

de inspecteur van de Belastingdienst/MKB/kantoor Groningen, de inspecteur

(gemachtigde: drs. [naam 1] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 mei 2025.
1.1.
De inspecteur heeft met datum 8 juli 2024 bij beschikking het kwijtgescholden gedeelte van de geldlening dat niet meer voor verwezenlijking vatbaar is als bedoeld in artikel 6.8, derde lid Wet IB 2001 [1] vastgesteld op nihil (de beschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 2] .

Feiten

2. Eiser heeft een zoon, de heer [naam 3] (de zoon).
2.1.
Op [datum] 2010 is de zoon een onderneming in optische artikelen gestart.
2.2.
Eiser heeft in november 2010 een geldlening verstrekt aan zijn zoon voor een bedrag van € 50.000 (de lening).
2.3.
Op 23 december 2010 is de lening bij beschikking door de inspecteur geregistreerd als een directe belegging in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.17 Wet IB 2001 (tekst 2001-2013). [2] De lening voldoet hiermee aan de voorwaarden om gekwalificeerd te worden als een directe belegging in durfkapitaal.
2.4.
Het ondernemingsvermogen en het resultaat uit gewone bedrijfsvoering van de onderneming van de zoon bedroeg in de jaren 2010 tot en met 2016:
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
Ondernemings-vermogen
-34.177
-43.944
-64.828
-74.567
-88.734
-28.343
-36.607
Resultaat uit gewone bedrijfsvoering
-34.35
3.102
-6.947
1.025
-4.679
-3.709
-8.263
2.5.
In de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2016 heeft eiser een negatief resultaat uit ter beschikking gesteld vermogen aangegeven in verband met een gedeeltelijke afwaardering van de lening voor een bedrag van € 24.100. Bij het vaststellen van de aanslag is de inspecteur afgeweken van de aangifte IB/PVV 2016. De inspecteur heeft het negatief resultaat uit ter beschikking gesteld vermogen geheel gecorrigeerd. Eiser heeft tegen de aanslag IB/PVV 2016 bezwaar gemaakt.
2.6.
Op 15 februari 2024 heeft eiser aan de inspecteur verzocht om bij beschikking als bedoeld in artikel 6.8, derde lid Wet IB 2001 [3] te verklaren dat het volgens eiser in 2016 kwijtgescholden gedeelte van de lening niet meer voor verwezenlijking vatbaar was.
2.7.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 maart 2024 het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2016 afgewezen. Eiser heeft op 15 april 2024 tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij rechtbank Noord-Nederland.
2.8.
Bij brief van 1 mei 2024 heeft de inspecteur verzocht om informatie om het verzoek van eiser (2.6.) goed te kunnen beoordelen. De inspecteur heeft onder meer verzocht om bewijsstukken waaruit blijkt hoe de kredietwaardigheid van de zoon op het (de) kwijtscheldingsmoment(en) is beoordeeld.
2.9.
In reactie op de brief van 1 mei 2024 van de inspecteur heeft eiser per mail meegedeeld dat er op 15 april 2024 een beroep is ingediend bij rechtbank Groningen en dat in dat dossier bij de inspectie alle stukken zitten.
2.10.
Met datum 8 juli 2024 heeft de inspecteur bij beschikking vastgesteld dat het kwijtgescholden gedeelte van de geldlening dat niet meer voor verwezenlijking vatbaar is € 0 bedraagt (1.1.). In de beschikking is onder meer het volgende opgenomen:

Naar aanleiding van uw verzoek heb ik met dagtekening 1 mei 2024 om nadere gegevens gevraagd. Hierop hebt u per mail kort gereageerd op 3 juni 2024 02:07 uur. U verwijst in uw mail naar de stukken die u hebt ingebracht in de beroepszaak tegen de afwijzing op het bezwaarschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting over 2016 (aanslagnummer [nummer] .H.66.01). Ik heb deze stukken intern opgezocht en aan het dossier toegevoegd.
2.11.
Eiser heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar op 30 juli 2024 ontvangen.
2.12.
Rechtbank Noord-Nederland heeft het beroep van eiser tegen de aanslag IB/PVV 2016 op 11 februari 2025 ongegrond verklaard. [4] Eiser heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Op het moment van het sluiten van het onderzoek ter zitting was deze hoger beroepsprocedure nog niet afgerond.
2.13.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar met datum 20 mei 2025 het bezwaar tegen de beschikking (2.10.) ongegrond verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur bevoegd de uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of het kwijtgescholden gedeelte van de geldlening dat niet meer voor verwezenlijking vatbaar is, terecht op nihil is vastgesteld. Ook beoordeelt de rechtbank of de inspecteur het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur bevoegd was om de uitspraak op bezwaar te doen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het kwijtgescholden deel van de lening niet meer voor verwezenlijking vatbaar was
.De inspecteur heeft daarom terecht vastgesteld dat het niet meer voor verwezenlijking vatbare kwijtgescholden gedeelte van de lening nihil is. Ook is de rechtbank van oordeel dat het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel niet zijn geschonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Was de inspecteur bevoegd om uitspraak op bezwaar te doen?
Standpunten partijen
5. Eiser stelt dat de inspecteur niet bevoegd was om uitspraak op bezwaar te doen. Als gevolg hiervan moet de uitspraak op bezwaar worden vernietigd en moet de zaak worden terugverwezen naar de inspecteur. Ter toelichting voert eiser aan dat de procedure tegen de aanslag IB/PVV 2016 al door een rechterlijke instantie werd behandeld en de inspecteur daarom in het kader van de bezwaarprocedure tegen de afwijzende beschikking geen informatie mocht opvragen en geen hoorgesprek mocht plannen. Eiser wijst hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1988. [5]
5.1.
De inspecteur voert aan dat hij wel bevoegd was om uitspraak op bezwaar te doen. Hij wijst er hierbij op dat sprake is van twee verschillende procedures. De procedure over de aanslag IB/PVV 2016 gaat volgens de inspecteur over een ander geschil met een eigen rechtsingang.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank stelt het volgende voorop. Tegen zowel de aanslag IB/PVV 2016 [6] als de beschikking [7] kan afzonderlijk bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie worden ingesteld. Hieruit volgt dat sprake is van twee aparte procedures. De verwijzing van eiser naar het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1988 [8] gaat in zoverre dan ook niet op. In dat arrest ging het namelijk om het opvragen van informatie in één en dezelfde procedure (tegen één naheffingsaanslag).
6.1.
Het opvragen van informatie bij eiser door de inspecteur en het plannen van een hoorgesprek heeft plaatsgevonden in het kader van de bezwaarfase tegen de beschikking. Omdat de procedure over de beschikking op dat moment (dus) nog niet onder de rechter was, stond het de inspecteur vrij om informatie bij eiser op te vragen, een hoorgesprek te plannen en uitspraak op bezwaar te doen. Weliswaar hangt deze procedure over de beschikking (ook inhoudelijk) samen met de procedure over de aanslag IB/PVV 2016, maar dit feit alleen maakt nog niet dat de inspecteur in deze procedure geen informatie meer mocht opvragen en geen hoorgesprek meer mocht plannen vanaf het moment dat er beroep was aangetekend tegen de (uitspraak op bezwaar inzake de) aanslag IB/PVV 2016. De rechter bewaakt wel de grenzen van de goede procesorde en de algemene beginselen van behoorlijk procesrecht. De rechter kan ingrijpen als de inspecteur bijvoorbeeld misbruik zou maken van zijn bevoegdheid in de ene zaak, met als enige doel om via een omweg bewijs te verzamelen in een andere zaak. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur de informatie in bezwaar met een ontoelaatbaar doel heeft opgevraagd. Als eiser in het kader van deze procedure (over de beschikking) voor hem belastende informatie overlegt en de inspecteur dit in het kader van de procedure over de aanslag IB/PVV 2016 inbrengt, is het aan het rechtscollege dat over de aanslag IB/PVV 2016 oordeelt om te bepalen wat met dit bewijs moet gebeuren. Daar staat de rechtbank in deze zaak buiten, nu er (nog) geen aanknopingspunten zijn voor deze handelwijze.
6.2.
Gelet op dat wat de rechtbank in 6. en 6.1. heeft overwogen, is zij van oordeel dat de stelling van eiser niet slaagt. De inspecteur was bevoegd om informatie op te vragen en een hoorgesprek in te plannen. De inspecteur was ook bevoegd om de uitspraak op bezwaar te doen.
Passeren bewijsaanbod
7. Eiser heeft ter zitting het aanbod gedaan om bewijs te overleggen van de zogenoemde krediet overstanden in 2016, de lage omzetten in maart en augustus 2016 en de afspraken met de bank over de verhoging van het eigen vermogen door middel van een extra kwijtschelding van de lening. Daarnaast stelt eiser dat hij in maart 2020 al alle benodigde informatie heeft gegeven aan de aanslagregelende ambtenaar die de aanslag IB/PVV 2016 behandelde. Eiser heeft aangeboden om ook daarvan bewijs te overleggen.
7.1.
Bij de beslissing of eiser de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken na de zitting alsnog te overleggen, moet een afweging plaatsvinden tussen aan de ene kant het belang dat die partij heeft bij het overleggen van die stukken en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure heeft gedaan en aan de andere kant het algemeen belang van een doelmatige procesgang. [9]
7.2.
Voor wat betreft de krediet overstanden, lage omzetten in maart en augustus 2016 en de afspraken met de bank overweegt de rechtbank dat het hieruit te leveren bewijs niet kan bijdragen aan de door haar te nemen beslissing (zie hierna 9.5.). Bovendien acht de rechtbank de slechte financiële situatie van de onderneming van de zoon in de jaren 2010-2016 al op grond van andere feiten en omstandigheden aannemelijk (zie hierna 9.5.). Voor zover het bewijsaanbod ziet op deze stukken passeert de rechtbank daarom het bewijsaanbod.
7.3.
Voor wat betreft de informatie die eiser al zou hebben overgelegd bij de aanslagregeling IB/PVV 2016, overweegt de rechtbank dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt om welke informatie het precies gaat. Daarnaast is niet duidelijk om welke reden eiser deze informatie niet eerder heeft kunnen overleggen in deze procedure over de beschikking. Uit zijn stelling volgt namelijk dat hij deze stukken al sinds de aanslagregeling van de aanslag IB/PVV 2016 bezit. De inspecteur heeft op 1 mei 2024 al expliciet om deze stukken verzocht (2.8.). Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om deze stukken te overleggen in de bezwaar- of beroepsprocedure. Eiser is in de uitnodiging om te verschijnen ter zitting gewezen op de mogelijkheid om stukken te overleggen tot tien dagen vóór de zitting. Eiser heeft ook van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De gemachtigde van eiser had bovendien de stukken ook ter zitting niet bij zich. Omdat onduidelijk is gebleven welke informatie eiser precies wil overleggen, terwijl wél duidelijk is dat eiser deze informatie eerder had kunnen overleggen (althans niet heeft gesteld of uitgelegd waarom dat niet kon), passeert de rechtbank het bewijsaanbod ook voor zover dit ziet op de informatie die in maart 2020 al is overgelegd aan de aanslagregelende ambtenaar in het kader van de aanslag IB/PVV 2016.
Is het kwijtgescholden gedeelte van de geldlening dat niet meer voor verwezenlijking vatbaar is terecht op nihil vastgesteld?
Standpunten partijen
8. Eiser stelt dat de inspecteur ten onrechte het kwijtgescholden gedeelte van de geldlening dat niet meer voor verwezenlijking vatbaar is op nihil heeft vastgesteld. Ter motivering wijst eiser op de slechte financiële situatie van de onderneming van zijn zoon. Het ondernemingsvermogen werd vanaf 2010 steeds negatiever en was in 2014
- € 88.734. Hier komt bij dat onttrekkingen door de zoon van eiser en zijn partner boekhoudkundig nog niet waren verwerkt, waardoor het ondernemingsvermogen eigenlijk nog negatiever was. Het ondernemingsvermogen is daarna alleen maar toegenomen (minder negatief geworden) vanwege de kwijtschelding van de lening (boekhoudkundig in 2015). De aangiften IB/PVV van de zoon zijn door de inspecteur steeds gevolgd en er zijn telkens verliezen uit onderneming en verliesvaststellingsbeschikkingen vastgesteld. Ook wijst eiser op het feit dat zijn zoon een overstand had op zijn krediet bij de [bank] . De bank eiste volgens eiser dat hij zijn lening aan zijn zoon zou kwijtschelden, waardoor het eigen vermogen van de onderneming van de zoon met een gelijk bedrag zou toenemen. Als dit niet gebeurde, zou de bank de financiering stopzetten. Omdat eiser al deze omstandigheden heeft aangevoerd, moet volgens hem de bewijslast worden omgekeerd. Dit houdt volgens eiser in dat de inspecteur moet aangeven dat en waarom op het moment van de kwijtschelding nog wél verhaal mogelijk was.
8.1.
De inspecteur voert aan dat op eiser de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de geldlening niet meer voor verwezenlijking vatbaar was op moment van de kwijtschelding. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waaruit volgt dat de lening niet meer voor verwezenlijking vatbaar was. Het is volgens de inspecteur onduidelijk gebleven welk onderzoek eiser heeft gedaan om te bepalen dat de lening niet meer voor verwezenlijking vatbaar was. Hierbij wijst de inspecteur erop dat er geen stukken zijn overgelegd waaruit volgt dat op het moment van de kwijtschelding er ook bij de zoon van eiser in privé geen verhaalsmogelijkheden waren. De door eiser aangevoerde omstandigheden zijn volgens de inspecteur onvoldoende om te komen tot de conclusie dat de geldlening op het moment van de kwijtschelding niet meer voor verwezenlijking vatbaar was.
Beoordeling door de rechtbank
9. Tot 1 januari 2011 kende de Wet IB 2001 een regeling op grond waarvan in het kader van de persoonsgebonden aftrek verliezen op beleggingen in durfkapitaal in aftrek konden worden gebracht. [10] Onder verliezen op beleggingen in durfkapitaal werd begrepen, verliezen op een geldlening aan beginnende ondernemers als bedoeld in artikel 5.17 van de Wet IB 2001. [11] Een voorwaarde voor het in aftrek brengen van zulke verliezen was dat de inspecteur, op verzoek, bij voor bezwaar vatbare beschikking had verklaard dat het kwijtgescholden gedeelte van de geldlening niet meer voor verwezenlijking vatbaar was (de artikel 6.8, derde lid, beschikking). [12]
9.1.
Met ingang van 1 januari 2011 is de regeling voor het in aftrek brengen van verliezen op beleggingen in durfkapitaal in het kader van de persoonsgebonden aftrek vervallen. De wetgever heeft overgangsrecht bepaald. Op grond van dit overgangsrecht blijft artikel 6.8 Wet IB 2001, zoals dat luidde op 31 december 2010, gelden voor verliezen die worden geleden op een voor 1 januari 2011 verstrekte geldlening als bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, Wet IB 2001 (tekst op 31 december 2010). [13]
9.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de door eiser verstrekte lening een lening is als bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, Wet IB 2001 (tekst 31 december 2010). Tussen partijen is ook niet in geschil dat de lening onder het in 9.1. bedoelde overgangsrecht valt. Het verlies op de lening kan in beginsel daarom in aftrek komen als een persoonsgebonden aftrekpost. Hiervoor is wel vereist dat aan alle voorwaarden van artikel 6.8 Wet IB 2001 (tekst op 31 december 2010) is voldaan. Tussen partijen is niet in geschil dat op enig moment in de periode tussen 1 januari 2015 en 9 januari 2019 de lening is kwijtgescholden. Wel is tussen partijen in geschil of de lening op het moment van de kwijtschelding nog voor verwezenlijking vatbaar was, en hoe de bewijslast hierover moet worden verdeeld.
9.3.
De eis dat de kwijtschelding betrekking moet hebben op niet voor verwezenlijking vatbare rechten, houdt in dat een redelijk oordelende en zakelijk handelende crediteur op grond van de bestaande feiten en omstandigheden die voor hem kenbaar konden zijn op het moment van de kwijtschelding, tot het oordeel moest komen dat pogingen tot inning of verhaal vruchteloos zouden blijven of tot naar maatschappelijke opvattingen onaanvaardbare gevolgen zouden leiden. [14]
9.4.
De rechtbank overweegt dat eiser verzoekt om een voor hem gunstige regeling en zich beroept op de rechtsgevolgen daarvan. Bij toepassing van de regeling krijgt hij namelijk een persoonsgebonden aftrekpost waardoor hij minder inkomstenbelasting hoeft te betalen (9.). Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt daarom mee dat op eiser de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de lening op het moment van het kwijtschelden niet meer voor verwezenlijking vatbaar was. Eiser is hiertoe naar het oordeel van de rechtbank ook de meest gerede partij, omdat hij het beste weet welke handelingen hij voorafgaand aan het kwijtschelden van de schuld heeft verricht en over welke informatie hij op dat moment beschikte. De rechtbank volgt eiser in dit geval dan ook niet in zijn stelling dat de bewijslast moet worden ‘omgekeerd’ naar de inspecteur.
9.5.
De rechtbank leidt uit het verloop van het ondernemingsvermogen en het resultaat uit gewone bedrijfsvoering van de onderneming van de zoon in de jaren 2010 tot en met 2016 (2.4.) en de door eiser aangevoerde omstandigheden af dat de onderneming van de zoon na de start in 2010 een moeilijke (opstart)periode heeft gekend waarin verliezen werden gemaakt. Dit is op zichzelf nog niet voldoende om te komen tot het oordeel dat de lening ook niet meer voor verwezenlijking vatbaar was. De rechtbank overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ook een redelijk oordelende en zakelijk handelende crediteur tot het oordeel zou zijn gekomen dat pogingen tot inning of verhaal vruchteloos zouden blijven of tot naar maatschappelijke opvattingen onaanvaardbare gevolgen zouden leiden. In het dossier bevinden zich namelijk geen stukken waaruit volgt dat eiser onderzoek heeft gedaan naar de winstprognose van de onderneming van zijn zoon en/of naar de verhaalsmogelijkheden op privé vermogensbestanddelen en toekomstige inkomensbestanddelen van de zoon. [15] De rechtbank overweegt verder dat een redelijk oordelende en zakelijk handelende crediteur dergelijk onderzoek wel zou hebben verricht. Pas als uit een dergelijk onderzoek zou volgen dat er geen reële verhaalsmogelijkheden zouden zijn, zou de lening door een redelijk oordelende en zakelijk handelende crediteur worden kwijtgescholden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de lening op het moment van kwijtschelden niet meer voor verwezenlijking vatbaar was.
9.6.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur het kwijtgescholden gedeelte van de geldlening dat niet meer voor verwezenlijking vatbaar terecht heeft vastgesteld op nihil.
Is sprake van in rechte te honoreren vertrouwen?
10. Eiser heeft naar voren gebracht dat de inspecteur de kwijtscheldingswinstvrijstelling in de aangifte van eisers zoon heeft geaccepteerd. Daarom zou de inspecteur ook een daarmee corresponderende beschikking moeten afgeven aan eiser. De inspecteur stelt dat de aangifte van de zoon met de daarin opgenomen kwijtscheldingswinstvrijstelling niet is beoordeeld. Volgens hem is dan ook geen standpunt ingenomen over de kwijtscheldingswinstvrijstelling bij de zoon.
10.1.
De rechtbank begrijpt de stelling van eiser zo dat hij een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel. Nog los van de vraag in hoeverre de aanslagregeling bij de zoon vertrouwen kan wekken bij eiser, overweegt de rechtbank dat het voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel onvoldoende is dat de aangifte op een bepaald punt gevolgd is. Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt alleen als er bijkomende omstandigheden zijn die bij eiser de indruk hebben gewekt dat de inspecteur met het volgen van de aangifte bewust een standpunt heeft ingenomen. [16] Eiser heeft zulke bijkomende omstandigheden niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
Heeft de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden?
Standpunten partijen
11. Volgens eiser zijn de beschikking en de uitspraak op bezwaar onzorgvuldig tot stand gekomen. De inspecteur heeft de jaarstukken van de onderneming van de zoon en de brief van de [bank] over het uitstellen van de aflossingen op de lening namelijk nooit opgevraagd. Daarnaast stelt eiser dat de inspecteur ten onrechte niet alle informatie heeft geraadpleegd die bij hem bekend was. Volgens eiser was alle informatie namelijk al overgelegd tijdens een zogenoemde hoorzitting in maart 2020 over de aanslagregeling van de aanslag IB/PVV 2016 van eiser.
11.1.
De inspecteur stelt dat hij niet onzorgvuldig heeft gehandeld. De bewijslast rust op eiser en het is daarom aan hem om met bewijsstukken te komen. De procedure over de beschikking is een andere procedure dan de procedure over de aanslag IB/PVV 2016. Volgens de inspecteur was hij daarom niet gehouden om ambtshalve de informatie (voor zover) die bekend was in het dossier of de aanslagregeling en de bezwaarfase tegen de aanslag IB/PVV 2016 te raadplegen.
Beoordeling door de rechtbank
12. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast ten aanzien van het materiële geschil rust op eiser (9.4.). Het is in dit geval dus aan eiser om zijn verzoek met stukken te onderbouwen. Gelet hierop was de inspecteur niet gehouden om specifieke stukken bij eiser expliciet op te vragen. Daarnaast was de inspecteur niet (ook niet in het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel) gehouden om ambtshalve alle andere bij de belastingdienst bekende informatie te raadplegen. Het had op weg van eiser gelegen om bewijsstukken (nogmaals) te overleggen of duidelijk aan te geven wanneer en in welk kader hij de informatie al eerder had overgelegd. Overigens heeft eiser dit ook gedaan. Hij heeft immers verwezen naar het dossier over de beroepsprocedure tegen de aanslag IB/PVV 2016 (2.9.). De inspecteur heeft dit dossier daarop geraadpleegd en deze stukken bij de beoordeling betrokken (2.10.). Als eiser van mening was dat dit dossier incompleet was of in andere dossiers nog aanvullende informatie zat, had het op zijn weg gelegen om dit (desnoods kort en door middel van een verwijzing) naar voren te brengen. In ieder geval heeft de inspecteur in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank niet onzorgvuldig gehandeld door niet geheel uit zichzelf alle aanwezige informatie uit het dossier bij zijn beoordeling te betrekken, zoals eiser in wezen stelt.
12.1.
Bij het voorgaande weegt mee dat de inspecteur eiser ook voldoende ruimte en gelegenheid heeft gegeven om zijn standpunt nader (met stukken) te onderbouwen. Zo heeft de inspecteur voor het vaststellen van de beschikking verzocht om informatie (2.8.). Daarnaast volgt uit het dossier dat de inspecteur meerdere malen heeft geprobeerd om een hoorgesprek in te plannen (zie bijlage 8, 10, 11, 12, 15 en 16 bij het verweerschrift).
12.2.
Gelet op dat wat de rechtbank in 12. en 12.1. heeft overwogen is zij van oordeel dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel niet heeft geschonden.
Heeft eiser recht op een immateriële schadevergoeding?
13. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad heeft als uitgangspunt te gelden dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor begint op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift heeft ontvangen. [17] Het bezwaarschrift is ontvangen op 30 juli 2024 (2.11.) en de rechtbank heeft op 12 februari 2026 uitspraak gedaan. Dit betekent dat de termijn van twee jaar bij het doen van deze uitspraak niet is overschreden. Gelet hierop wijst de rechtbank het verzoek van eiser om een immateriële schadevergoeding af.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. De inspecteur heeft bij beschikking terecht vastgesteld dat het kwijtgescholden gedeelte van de geldlening dat niet meer voor verwezenlijking vatbaar is, nihil is. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
14.1.
Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij ook bij een ongegrond beroep zijn proceskosten vergoed moet krijgen omdat hij door toedoen van de inspecteur twee procedures heeft moeten voeren, volgt de rechtbank hem hierin niet. De twee losse procedures het gevolg van de wettelijke regeling (6.) en niet het gevolg van het handelen van de inspecteur. Overigens waren de twee procedures ook niet nodig geweest, als eiser eerst (zoals de wettelijke regeling voorschrijft) om een artikel 6.8, derde lid, beschikking had verzocht voorafgaand aan het opnemen van het verlies in de aangifte IB/PVV 2016. [18]

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.S. Langius, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier.
w.g. griffier
w.g. rechter
Uitgesproken op 12 februari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Tekst tot en met 31 december 2010.
2.De lening is daarmee binnen vier weken na het overeenkomen van die lening geregistreerd als bedoeld in artikel 32, aanhef, onderdeel e, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (tekst tot 1 januari 2013).
3.Tekst tot en met 31 december 2010.
4.Zie Rechtbank Noord-Nederland 11 februari 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:438.
5.Zie Hoge Raad 10 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3761.
6.Artikel 26, eerste lid, onderdeel a, artikel 27h en artikel 28 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen.
7.Artikel 6.8, derde lid Wet IB 2001 (tekst tot en met 31 december 2010) in samenhang gelezen met artikel 10a.9, tweede lid Wet IB 2001 en artikel 26, eerste lid, onderdeel b, artikel 27h en artikel 28 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen.
8.Hoge Raad 10 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3761.
9.Zie Hoge Raad 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821 en Hoge Raad 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9648, r.o. 3.3.3.
10.Artikel 6.1, tweede lid, onderdeel b, Wet IB 2001 (tekst tot en met 31 december 2010).
11.Artikel 6.8, eerste lid, Wet IB 2001 (tekst tot en met 31 december 2010).
12.Artikel 6.8, derde lid, Wet IB 2001 (tekst tot en met 31 december 2010).
13.Artikel 10a.9, tweede lid, Wet IB 2001.
14.Vergelijk Hoge Raad 5 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1600, r.o. 3.4., Hoge Raad 22 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2429 en Hoge Raad 24 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR8192.
15.Vergelijk Gerechtshof Arnhem 28 april 2004, ECLI:NL:GHARN:2004:AO9936.
16.Zie Hoge Raad 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, Hoge Raad 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY8999 en Hoge Raad 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:278.
17.Zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 en Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
18.Zie Rechtbank Noord-Nederland 11 februari 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:438, r.o. 7.5. tot en met 7.8.