De rechtbank Oost-Brabant behandelde het beroep van eiser tegen de WOZ-waarde van een pannenkoekenhuis vastgesteld door verweerder voor het kalenderjaar 2015. Verweerder had het object onjuist afgebakend door twee percelen met een dierenverblijf die niet in gebruik zijn bij de exploitant, ten onrechte bij het restaurant te rekenen. Op basis van de Raffinaderij-arresten werd het object op juiste wijze afgebakend en de waarde van het grootste resterende object beoordeeld.
De rechtbank constateerde dat verweerder de huurwaarde van het restaurant onjuist had vastgesteld, mede doordat de huur van de opslag/magazijn lager was dan door verweerder aangenomen. Ook was de gehanteerde kapitalisatiefactor onjuist berekend, omdat verweerder per abuis kengetallen uit de Taxatiewijzer van het volgende belastingjaar gebruikte. Eiser slaagde er niet in een aannemelijke alternatieve waarde te onderbouwen.
De rechtbank stelde daarom de waarde van het restaurant, opslag/magazijn, parkeerplaatsen en paddepoel in goede justitie vast op €550.000. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. Het beroep werd gegrond verklaard en de bestreden uitspraak vernietigd.