ECLI:NL:RBOBR:2020:4353
Rechtbank Oost-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking exploitatievergunning wegens slecht levensgedrag
Verzoeker had sinds 2015 een exploitatievergunning voor een horecazaak. De burgemeester trok deze vergunning in op grond van slecht levensgedrag, gebaseerd op meerdere veroordelingen en een incident waarbij verzoeker een stopteken negeerde en een achtervolging veroorzaakte.
Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter onderzocht het procesbelang en constateerde dat verzoeker de onderneming nog zou kunnen exploiteren tot de overdracht van de exploitatie, waardoor procesbelang aanwezig was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het begrip slecht levensgedrag ook buiten de Drank- en Horecawet kan worden toegepast en dat de burgemeester terecht uitging van de bestuurlijke rapportages. Verzoekers betoog dat de feiten alleen privé zijn en dat hij ongelijk werd behandeld, faalden.
Gelet op de ernst en hoeveelheid van de feiten en veroordelingen, vond de voorzieningenrechter dat het belang van de burgemeester bij intrekking zwaarder woog dan dat van verzoeker. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de exploitatievergunning wegens slecht levensgedrag wordt afgewezen.