ECLI:NL:RBOBR:2020:5788

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 november 2020
Publicatiedatum
20 november 2020
Zaaknummer
20/1639 en 20/1641
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet openbaarheid van bestuurAlgemene wet bestuursrechtArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wob-verzoeken inzake interne documentatie NVWA over bewijslast en jurisprudentie

Eiser heeft twee Wob-verzoeken ingediend bij de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit met betrekking tot interne documentatie van de NVWA over eisen aan medewerkers bij het opstellen van overtredingen en over communicatie naar toezichthouders over jurisprudentie.

De minister heeft beide verzoeken afgewezen omdat de gevraagde documenten niet aanwezig zouden zijn of reeds openbaar zijn. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de documenten toch onder de minister berusten. De minister heeft toegelicht dat relevante jurisprudentie in overleg tussen juristen en inspecteurs wordt besproken, maar niet schriftelijk wordt vastgelegd.

De rechtbank acht deze uitleg niet ongeloofwaardig en wijst de beroepen af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de Wob-verzoeken worden ongegrond verklaard omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de gevraagde documenten bestaan.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 20/1639 en 20/1641

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , in [woonplaats] , eiser
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de minister

(gemachtigde: mr. S. Heersink).

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2019 (het primaire besluit I) heeft de minister het verzoek van eiser van 20 oktober 2019 om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) openbaar te maken afgewezen.
Bij besluit van 14 mei 2020 (het bestreden besluit I) heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer SHE 20/1641.
Bij besluit van 12 november 2019 (het primaire besluit II) heeft de minister het verzoek van eiser van 1 november 2019 om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) openbaar te maken afgewezen.
Bij besluit van 14 mei 2020 (het bestreden besluit II) heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer SHE 20/1639.
De minister heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.
De zaken zijn gevoegd behandeld op de zitting van 24 september 2020. Eiser is naar de zitting gekomen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

SHE 20/1641
1. Op 20 oktober 2019 heeft eiser bij de minister een verzoek om informatie ingediend waarin het volgende is opgenomen:
“In de uitspraken ECLI:NL:CBB:2018:81 en ECLI:NL:CBB:2017:382 zijn vastgestelde overtredingen betreffende overtredingen Wet dieren artikel 1.7 aanhef en onder f, van het Beluit houders van dieren, door de rechtbank ongegrond verklaart omdat het een momentopname betrof.
Ik vraag me af of en hoe inspecteurs/toezichthouders en juridische afdeling, vooral die belast zijn met het opmaken van bijvoorbeeld last onder dwangsom, worden geïnformeerd van deze uitspraken en of er dan een instructie uitgaat naar deze inspecteurs/toezichthouders.
Graag ontvang ik van u de communicatie, bijvoorbeeld overleg of besluit over dit onderwerp, die heeft plaatsgevonden naar aanleiding van deze uitspraken van de organisaties die belast zijn met het opsporen van deze overtredingen.
Tevens ontvang ik graag de documenten die naar aanleiding van jurisprudentie in het algemeen naar de toezichthouders/inspecteurs worden gezonden, zodat zij handhaving kunnen aanpassen.”
2. In het primaire besluit I heeft de minister het verzoek van eiser van 20 oktober 2019 afgewezen. Volgens de minister valt het verzoek van eiser niet onder de reikwijdte van de Wob omdat er zich bij het ministerie geen documenten met de door eiser gevraagde informatie bevinden. In het bestreden besluit I heeft de minister het primaire besluit I gehandhaafd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijk document toch bij de minister berust. De minister verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3297).
SHE 20/1639
3. Op 1 november 2019 heeft eiser bij de minister een verzoek om informatie ingediend waarin het volgende is opgenomen:
“Onderstaand een aantal uitspraken welke ik in het uitsprakenregister gevonden heb. Zij handelen over de bewijslast die het bestuursorgaan draagt die een sanctie heeft opgelegd.
De bewijslast berust hierbij op verweerder, die de sanctie heeft opgelegd.
De bewijslast van de overtreding rust, gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, op de staatssecretaris als het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. ECLI:NL:CBB:2016:75.
Deze beroepsgrond stelt aan de orde of verweerder terecht heeft vastgesteld dat appellante de artikelen 36, eerste en derde lid, 37 van de Gwd en artikel 38 in Pro combinatie met respectievelijk de artikelen 3, derde lid, 4, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 5, tweede en vierde lid, en 6, eerste lid, van het Besluit heeft overtreden. De bewijslast berust hierbij op verweerder, die de sanctie heeft opgelegd. ECLI:NL:CBB:2015:355
draagt het bestuursorgaan als regel de bewijslast dat de gestelde overtreding heeft plaatsgevonden
De bewijslast rust hierbij op het bestuursorgaan dat de sanctie heeft opgelegd. Uit het toezichtsrapport dd. 21 mei 2014 in combinatie met de verklaring van de dierenarts
De vraag of en hoe inspecteurs / toezichthouders en juridische afdeling geïnformeerd worden over jurisprudentie heb ik reeds in onderstaande Email / WOB verzoek gesteld.
Met dit verzoek, wil ik graag de documentatie hebben van bijvoorbeeld interne eisen die de NVWA aan haar medewerkers / afdelingen stelt aan het opstellen van een overtreding waar bewijslast voor nodig is.”
4. In het primaire besluit II heeft de minister het verzoek van eiser van 1 november 2019 afgewezen. Volgens de minister valt het verzoek van eiser niet onder de reikwijdte van de Wob omdat de documenten waar eiser om heeft verzocht, al openbaar zijn. Die informatie is namelijk te vinden in het Algemeen Interventiebeleid van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) en in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze documenten zijn reeds voor een ieder openbaar en toegankelijk. In het bestreden besluit II heeft de minister het primaire besluit gehandhaafd.
SHE 20/1639 en SHE 20/1640
5. Op de zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat het beroep van eiser ziet op het volgende. Eiser vindt het niet geloofwaardig dat de door hem verzochte documenten niet bestaan. Hij verwacht dat een publiekrechtelijk orgaan die sancties oplegt, procedures heeft over het analyseren van relevante uitspraken die indien nodig, tot bijsturing leiden. Eiser wijst erop dat de minister in de bestreden besluiten zelf zegt dat de NVWA wel degelijk rekening houdt met jurisprudentie en dat uitspraken worden besproken. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er dergelijke documenten moeten zijn.
Eiser betwist dus niet het standpunt van de minister dat informatie over hoe inspecteurs moeten omgaan met de bewijslast bij het opleggen van een sanctie, al openbaar is.
6. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 31 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2617), is het – wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt – in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, het document toch onder het bestuursorgaan berust. Ook heeft de Afdeling eerder overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 14 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3297) dat de Wob geen verplichting bevat om gegevens te vervaardigen die niet in bestaande documenten zijn neergelegd, ongeacht de mate van inspanning.
7. De minister zegt dat er weliswaar rekening wordt gehouden met jurisprudentie en dat relevante uitspraken worden besproken, maar dat betekent nog niet dat er documenten aanwezig zijn. Op de zitting heeft de minister verder toegelicht dat inspecteurs worden betrokken bij de besluitvorming door de juristen, waarbij dan eventueel ook de relevante jurisprudentie aan de orde komt. Dat gebeurt niet aan de hand van documenten, maar in de dagelijkse praktijk bij het overleg tussen juristen en inspecteurs. Er zijn wel interne overleggen waar uitspraken aan de orde kunnen komen, maar daarover wordt niets vastgelegd. De jurisprudentie is voor iedereen vrij toegankelijk en de juristen raadplegen de jurisprudentie indien dat relevant is voor de besluitvorming.
8. Deze uitleg komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat de gevraagde informatie in een document onder de minister berust. Met zijn enkele stelling dat er wel documenten moeten zijn omdat namens de minister wordt gezegd dat de relevante jurisprudentie wordt besproken, is eiser daarin niet geslaagd.
9. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Heer-Schotman, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C.J. Kohl, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar geschied op 20 november 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.