Eiser ontvangt sinds 1987 een WAO-uitkering en is daarnaast gemeenteraadslid met een geldelijke voorziening. Het UWV heeft vastgesteld dat eiser een bedrag van €799,98 te veel heeft ontvangen en dit terug moet betalen. Eiser betoogt dat de gemeenteraadsvergoeding niet als inkomen moet worden gezien vanwege verdragsrecht, de Grondwet, de Gemeentewet, en omdat het een fiscaal belaste vergoeding is die feitelijk geheel opgaat aan onkosten.
De rechtbank oordeelt dat de vergoeding van een gemeenteraadslid volgens vaste rechtspraak inkomen is en verrekend mag worden met de WAO-uitkering. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd dat de vergoeding volledig aan onkosten wordt besteed. Ook de stelling dat de vergoeding niet als inkomen mag worden gezien vanwege de Gemeentewet en fiscale kwalificatie wordt verworpen. De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de terugvordering.
Daarnaast is het beroep op een onjuiste hoogte van de dwangsom ongegrond. De rechtbank overweegt dat de situatie van een raadslid met WAO-uitkering is meegenomen in de wetgeving en dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de hardheidsclausule niet tot een andere uitkomst leiden. Het beroep wordt ongegrond verklaard.