Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 december 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats] , eiseres
de heffingsambtenaar van de gemeente Boxmeer, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
( [eiseres] ) en horen naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar. De rechtbank overweegt dat het object moet worden aangemerkt als een samenstel als bedoeld in artikel 16, aanhef en onder d, van de Wet WOZ en verwijst in dit verband ook naar haar eerdere oordeel over de afbakening van het object, zoals vastgelegd in de eerdere uitspraken van de rechtbank van 1 maart 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:924), 16 april 2019 (ECLI:NL:RBOBR:2019:2178) en 19 februari 2020 (ECLI:NL:RBOBR:2021:714). In aanvulling daarop overweegt de rechtbank dat sprake is van eigendommen die voor één organisatorisch doel worden aangewend, te weten het aanbieden van verblijf met mogelijkheid van diner en/of golf. Zoals door eiseres is erkend, zijn de websites gekoppeld. Dat zij achter de gezamenlijke hoofdpagina als separate sites fungeren doet niet af aan het oordeel van de rechtbank.
WOZ-waarde5. In geschil is daarmee de waarde van het object, zoals afgebakend door verweerder, op de waardepeildatum 1 januari 2019. Eiseres bepleit een waarde van € 3.250.000. Verweerder verwijst ter onderbouwing van de vastgestelde waarde (€ 3.680.000) naar de getaxeerde waarde (€ 4.290.773), zoals opgenomen in de waardematrix die op 24 september 2021 is opgesteld door N.L. van Domselaar, taxateur.
Op verweerder rust de last te bewijzen dat de door hem beschikte waarde niet te hoog is. De beantwoording van de vraag of verweerder aan deze bewijslast heeft voldaan, hangt mede af van wat door eiseres is aangevoerd.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met wat door hem is aangevoerd aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem vastgestelde waarde niet te hoog is.