ECLI:NL:RBOBR:2022:2288
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waardering van woning door heffingsambtenaar
Eiser is eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning uit 1953 met diverse bijgebouwen en een grondoppervlakte van 567 m². De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning vastgesteld op € 266.000 per 1 januari 2019, welke waarde ook de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2020 bepaalt.
Eiser voerde pas op de zitting inhoudelijke beroepsgronden aan tegen deze waardering, terwijl hij eerder gelegenheid had gehad om zich voor te bereiden op het verweerschrift en de taxatie. De rechtbank wijst erop dat nieuwe standpunten niet pas op de zitting mogen worden ingebracht. De heffingsambtenaar heeft de waarde onderbouwd met drie vergelijkingsobjecten, waarbij correcties zijn toegepast voor verschillen in bouwjaar, inhoud en bijgebouwen.
De rechtbank oordeelt dat de gebruikte vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn en dat de indexering naar de waardepeildatum voldoende inzichtelijk is gemaakt. De door eiser aangevoerde argumenten over onderhoudstoestand, gedateerde voorzieningen en waardering van het tuinhuis zijn door de heffingsambtenaar gemotiveerd weersproken. Eiser heeft zijn lagere waardering van € 240.000 niet met toetsbare gegevens onderbouwd.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waardering van de woning wordt ongegrond verklaard.