ECLI:NL:RBOBR:2022:4110
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing studiefinanciering voor EU-student wegens ontbreken migrerend werknemerschap
Eiser, een student uit Litouwen, vroeg studiefinanciering aan voor de periode juni tot en met december 2021. De minister wees dit aanvankelijk af, maar kende later alsnog studiefinanciering toe voor juni tot en met augustus 2021. Voor de periode september tot en met december 2021 werd studiefinanciering afgewezen omdat eiser toen een stage liep die niet als reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst kon worden aangemerkt, waardoor hij geen migrerend werknemer was.
Eiser stelde zich op het standpunt dat hij gedurende de gehele periode migrerend werknemer was en daarmee recht had op studiefinanciering. Subsidiair voerde hij aan dat hij als economisch niet-actieve EU-student toch aanspraak zou maken op het studentenreisproduct en een deel van de basisbeurs. De rechtbank oordeelde dat het beleid van de minister om studiefinanciering slechts voor een deel van de periode toe te kennen, niet onrechtmatig is en dat eiser geen proceskostenvergoeding toekomt.
De rechtbank beoordeelde dat de stageovereenkomst en de lage vergoeding tijdens de stageperiode niet voldoende bewijs leverden dat sprake was van reële en daadwerkelijke arbeid. Ook ontbraken nadere gegevens over de invulling van de stage. De rechtbank verwees naar jurisprudentie dat economisch niet-actieve EU-studenten enkel recht hebben op financiële steun voor toegang tot het onderwijs, niet voor levensonderhoud. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de EU-student tegen afwijzing studiefinanciering voor september-december 2021 is ongegrond verklaard.