ECLI:NL:RBOBR:2023:2030
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in ’s-Hertogenbosch
Eiser betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning in ’s-Hertogenbosch voor het kalenderjaar 2018, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €374.000 na ambtshalve vermindering. De rechtbank beoordeelde of de Wet WOZ in strijd was met het recht op eigendom zoals beschermd door artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en oordeelde dat dit niet het geval was. De heffingsambtenaar slaagde in zijn bewijslast door een taxatierapport en vergelijkingsobjecten te overleggen die voldoende vergelijkbaar waren met de woning.
Eiser wijzigde tijdens de zitting zijn standpunt van een te hoge naar een te lage waarde, wat de rechtbank in strijd met de goede procesorde achtte en daarom buiten beschouwing liet. Verder stelde eiser dat de waarde juist was op basis van een eigen wiskundige methode, maar de rechtbank benadrukte dat in een WOZ-procedure het resultaat van de waardebepaling en niet de methode ter toetsing ligt. Eiser kon geen individuele en buitensporige last aantonen die het recht op eigendom zou schenden.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is, dat er geen juridisch geschil meer is over de waarde, en dat eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak werd gedaan door rechter A.F. Vink op 28 april 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €374.000 wordt ongegrond verklaard.