De werkgever kreeg van het UWV een loonsanctie opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen voor een langdurig zieke werknemer. De werkgever had echter een deskundigenoordeel aangevraagd dat stelde dat er geen benutbare mogelijkheden waren voor re-integratie, waarop hij mocht vertrouwen.
De rechtbank oordeelt dat het UWV ten onrechte de loonsanctie oplegde omdat de werkgever op basis van het deskundigenoordeel mocht aannemen dat de re-integratie-inspanningen voldoende waren. Er was een verschil van inzicht tussen de bedrijfsarts en de verzekeringsarts, maar de verzekeringsarts heeft haar conclusies niet gedeeld met de werkgever of bedrijfsarts.
Hoewel het UWV stelt dat de re-integratie toekomstgericht had moeten starten, was dit niet aan de werkgever te verwijten gezien de stabiele medische situatie van de werknemer en het ontbreken van nadere informatie. De rechtbank vernietigt het besluit tot loonsanctie, verklaart het beroep gegrond en wijst het beroep tegen de weigering van bekorting van de loonsanctie af als niet-ontvankelijk.
De werkgever krijgt het griffierecht en proceskosten vergoed. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 11 april 2025.