ECLI:NL:RBOBR:2025:3296
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling WIA-dagloon met stagevergoeding en bijbaan
Eiser maakte bezwaar tegen het door het UWV vastgestelde dagloon van €133,06 voor zijn WIA-uitkering, omdat hij vond dat de stagevergoeding en inkomsten uit een bijbaan niet als SV-loon hadden moeten worden meegeteld en dat hij als starter had moeten worden aangemerkt.
De rechtbank oordeelde dat de stagevergoeding van €450 per maand meer was dan een onkostenvergoeding en daarmee terecht als SV-loon werd aangemerkt. Ook de bijbaan bij het bedrijf van zijn vader werd als loon beschouwd, inclusief loon in natura. Hierdoor had eiser in de referteperiode al loon genoten en kon hij niet als starter worden aangemerkt volgens artikel 18 van Pro het Dagloonbesluit.
Eiser voerde aan dat het besluit onevenredig nadelig voor hem uitpakte, omdat zijn inkomen sterk daalde en hij daardoor financiële en psychische problemen ondervond. De rechtbank stelde dat de systematiek van het dagloon inherent is aan dergelijke inkomensval en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om af te wijken van de algemene regels.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het vastgestelde WIA-dagloon wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV blijft in stand.